De strijd en het lijden van de Schotse Kerk
De geschiedenis van de Schotse Kerk is niet zonder lijden geweest. Eén van de meest bewogen perioden viel in de zeventiende eeuw. Er werd toen een hevige strijd gevoerd voor de vrijheid en zelfstandigheid van de Kerk. Onafscheidelijk is hieraan de naam van de 'Covenanters' verbonden. Hun geloofsmoed laat niet na tot in onze tijd een diepe indruk te maken.
Dhr. L.J. van Valen heeft een uitvoerig boek over de strijd en het lijden van deze 'Covenanters' geschreven. Hun naam herinnert aan de 'Covenants', of Verbonden, zoals die in het verleden in Schotland wel werden gesloten. Het bekendste is wel geweest het 'National Covenant' (Nationale Verbond) van 1638.
Toen vanuit Londen, waar de koning sinds 1603 verbleef, gepoogd was allerlei maatregelen door te voeren, die ten doel hadden de Kerk, die in Schotland een uitgesproken gereformeerde signatuur had, aan de staat ondergeschikt te maken, was het in 1637 tot een uitbarsting gekomen. In dit jaar wierp Jannet Geddes in de St. Gileskerk, de hoofdkerk van Edinburgh, haar klapstoel in de richting van een voorganger, die een dienst leidde volgens een nieuwe, opgelegde liturgie. Het werd het sein tot een massaal verzet. Het 'Covenant' dat in het daarop volgende jaar ondertekend werd, en waarbij men zich als met ede verplichtte de zuivere godsdienst voor te staan, was een keerpunt in de Schotse geschiedenis. Het werd door ontelbaar velen uit alle rangen en standen ondertekend. Sommigen in Edinburgh doopten hun pen in hun bloed en voegden er de woorden aan toe: 'tot in de dood'. Een predikant uit een bepaalde plaats in het land zag, dat na de middagdienst meer dan 1000 mensen onder tranen hun handen ophieven en zich bereid verklaarden te ondertekenen.
In de jaren die volgden op de gebeurtenissen van 1638 en die vaak een tumultueus karakter droegen – koning Karel I kwam ten val – beleefde de Kerk in geestelijk opzicht een ongekende bloeiperiode. Het Woord van God trok diepe sporen in het volksleven. Bekende predikers waren Andrew Gray, William en James Guthrie, Samuel Rutherford, James Durham en anderen.
Na het herstel van het koningshuis in 1660, brak voor de Schotse Kerk een moeilijke periode aan. Karel II, die het oppergezag over de kerkelijke zaken voor zich opeiste, kwam met allerlei repressieve maatregelen jegens hen, die aan de 'Covenants' wilden vasthouden. Boete, verbanning, gevangenschap en zelfs de doodstraf waren hun deel. Met name in het Zuiden en Westen waren er velen, die trouw wilden blijven aan de 'Covenants' en bereid waren voor de 'kroonrechten' van Christus hun leven op te offeren. De beschrijving van de wederwaardigheden van dit 'overblijfsel' neemt in het boek van dhr. Van Valen een grote plaats in. Beschreven wordt hoe afgezette predikanten in de open lucht in afgelegen gebieden aan duizenden het Woord bedienden. In hun weinig gestileerde preken eisten ze Schotland voor God en Zijn dienst op. Het koninklijke ambt van Christus over Zijn Kerk werd geproclameerd. De oproep tot erkenning van Jezus' koningsheerschappij, had heel duidelijk een persoonlijke spits. Christus wil regeren in het hart. Christus' verzoenend werk stond in het middelpunt en gaf aan de prediking een krachtig en indringend appel. Van Richard Cameron, een jonge prediker uit de latere jaren, werd getuigd: hier wordt een man gevonden met een heldere evangelische ligging; de heiliging van zijn hart is gericht op het voorstellen van Christus en op de aanrading met Hem verenigd te worden. In een preek over Johannes 5 : 40 geeft Cameron aan dat het ongeloof de grootste zonde is tegenover een gewillige Zaligmaker, Die met uitgebreide armen gereed staat om zondaren te ontvangen. Naast de prediking was er ook de bediening van het Avondmaal. Zo vond in 1674 een verboden avondmaalsviering plaats in de open lucht. Ongeveer 3200 avondmaalsgangers namen hieraan deel. Het gezang dat uit duizenden kelen weerkaatste tussen de heuvels, 'was als een gezang met een vreugdegeluid tot de Rots van hun heil'.
Van de velen die hun geloof en overtuiging met hun leven bezegelden, zijn indrukwekkenden getuigenissen bewaard gebleven. James Guthrie verklaarde vlak voor zijn terechtstelling in 1661: 'Jezus Christus is mijn licht en mijn leven, mijn gerechtigheid, mijn sterkte, mijn zaligheid en al mijn begeerte. Aan Hem, aan Hem geef ik mij met al wat in mij is over. Zegen Hem, mijn ziel, van nu aan tot in eeuwigheid.' Een paar jaar later sprak een ander op het schavot: 'Elke stap van deze ladder is een stap dichter bij de hemel'. Zijn afscheidswoorden waren: 'Vaarwel voedsel en drank, vaarwel zon, maan en sterren; welkom zoete Heere Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond, welkom gezegende Geest der genade en God van alle vertroosting'. Het afscheidswoord van geestverwanten in dezelfde omstandigheden was vaak op gelijke wijze getoonzet.
Terwijl de inquisitie niet terugdeinsde voor de scherpste maatregelen, schuwden de 'Covenanters' zelf ook het gebruik van wapens niet. In dit opzicht waren zij minder terughoudend dan Calvijn en vertoonden zij meer overeenkomst met de Hugenoten. Soms kwam het zelfs tot een openlijke strijd. Psalmen zingend en met het vaandel geheven, 'For Christ' Crown and Covenant' (Voor Christus' Kroon en Verbond) togen zij ten strijde. De slecht gewapende en ongeoefende mannen bleken geen partij voor het geoefende leger. De schrijver laat duidelijk zien dat de in het nauw gedreven vervolgden geen wraakzucht koesterden. Toch benadert hij hun stellingname weinig kritisch. Het standpunt van James Eraser staat toch dichterbij het nieuwtestamentische getuigenis. Deze predikant, die zich ten opzichte'van zijn geestverwanten onderscheidde door zelfstandigheid van denken, was van mening, dat de verlossing eerder zou komen door het geduldig dragen van het kruis, dan door middel van het geweld. De schrijver laat zijn dit verder niet.
Van de strijd en het lijden van de Schotse Kerk, dat eindigde met de komst van stadhouder Willem III in 1688, geeft dhr. Van Valen een betrouwbaar beeld. Vele gegevens zijn in dit populair geschreven werk verwerkt. Onbesproken blijft de vraag, hoe wij het consekwente vasthouden aan de eenmaal gesloten Verbonden hebben te zien. Het radicalisme van de 'Covenanters' bracht hen wel eens tot een stellingname, die bedenkingen oproept. Het is veelzeggend, dat Thomas Boston, die in zijn jonge jaren het lijden van nabij heeft meegemaakt, als predikant weinig sympathie koesterde voor hen die in de direkte zin de lijn van de 'Covenanters' wilden voortzetten.
Wat overblijft is de indruk van hen die een brandende hartstocht kenden voor Christus en Zijn zaak. Die is in onze tijd niet minder nodig dan toen. God is het waard gediend te worden met heel ons hart en met alle krachten. De vervolgde 'Covenanters' laten ons een voorbeeld na, opdat wij hun geloof en liefde zouden navolgen.
De titel van het boek is ontleend aan Genesis 49 : 21: 'Naftali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden'. Zoals Naftali als een hinde bedreigd zou worden door zijn belagers, werd de Kerk vervolgd. De 'schone woorden' die gesproken zijn, hebben wat de Kerk betreft betrekking op de getuigenissen die zij gaf voor de eer van Christus.
Het boek is rijk geïllustreerd en de prijs is, gelet op het gebodene, niet hoog.
P.H. van Harten, Ridderkerk
N.a.v. L.J. van Valen, Naftali, een losgelaten hinde; de strijd en het lijden van de Schotse Kerk, Den Hertog, Houten, 382 pag., ƒ 48,50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's