De eeuwige Vaderdag
Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen?Psalm 42 : 2, 3
Het slotwoord is aan de beurt. Laat het op zijn Hoogst zijn. Het is het levende wachten op Gòds verlossende woord. Verlost van onszelf (!zondag 1!) met hart en ziel in God verblijden. De blijdschap ten top. De eeuwige Vaderdag. Het laatste woord is aan de Vader (1 Korinthe 15 : 24).
In deze tijd bereidt in het 'gewone' leven de middenstand zich vooral op vaderdag voor. Maar wij moeten het hier helemaal niet hebben over die geschenkendag voor vaders onder ons. Belangrijk is het hoe de understand zich voorbereid op dé Vaderdag. Waar het kind op de markt van vrije genade van Vaders 'geld' eten en drinken heeft mogen kopen, daar strekt het kinderhart zich uit naar de eeuwige Vaderdag.
Wij zijn alweer toe aan het sluitstuk van de vier psalmende mijmeringen. Dit sluitzegel zegent de Naam van de HEERE. De sluitpost crediteert alles op de Vader. De Gemeentebestemming: Gods verheerlijking.
Laten wij de gang voortzetten en erin houden! Wij begonnen (Psalm 73) met het gezicht in de hemel waar de ten hemel gevaren Christus zit. De Kerk wandelt daar. Héél het hart van de Kerk trekt naar Hem Die boven is. Hieraan vervolgend (Psalm 22) is het geloof tot Hem uitgegaan om te aanschouwen hoe Zijn Offer waarborgt de (voort)gang van de verkondiging van het Evangelie. Het feit van Pinksteren is een profijtelijk gegeven. Het resultaat is dat Vaders kinderen Zijn gerechtigheid in de grote Gemeente boodschappen. Daarna (Psalm 87) zijn wij door de goddelijke gang aan de poorten van Jeruzalem gebracht waar de inschrijving plaatsvindt. Het kinderboek vol kindernamen. Heden is het slotaccoord in bijbelse accoorden te zetten. Met de registers vol open. Gods Geest registrere! Het hoogste Woord moet eruit: het einde, het doel ligt dóór de poorten der gerechtigheid heen, àchter de poorten in het Vaderhuis. En dàn zit de poort van de hel en van de dood voorgoed voor Zijn Gemeente in het nachtslot.
Het Váderhuis! Met de blijde klanken. 't Is aan de heils-orde. Het hoogtepunt! Nadat het kind zichzelf in het dieptepunt had gestort. Nu het toppunt van vreugde, het toppunt van leven, de allerhoogste blijdschap: bij de Heere in te wonen (2 Korinthe 5). In deze overdenking strekken zich de halzen van de kinderen Gods naar de hoogte van de diepte van Gods barmhartigheid. Rekken wij de halzen om over het lijden heen de Thuiskomst te zien!
Het diepwortelende verlangen klinkt ons tegen uit de mond van de dichter van de bekende tweeënveertigste Psalm. Een eenstemmig lied. Om veelstemmig te zingen. Een lied gedicht in de diepte. Een Psalm gebeden in de tijd – die nodig is (Hebreeën 12) – waarin de Vader Zijn sterke hand voelbaar tegen Zijn kind uitstrekt. Het leven in een crisis. Maar… in de crisispunten van het leven zet de Heilige Geest niet zelden alle levenssnaren strak om de psalm tot God te zingen. Zelfs in de nacht. Op een nulpunt toch een hoogtepunt met God.
Meerstemmig zingen met herkenning en erkenning. Wie zingt mee?
Schrijf ik dàt wel goed? Er is een bijbels woord wat beter past: Wie zucht mee (Romeinen 8)?
Het geliefde lied zet een hert in de Schriftuur. Een hert illustreert het kinderhart. Hartetaal. Eigenlijk is het een vrouwelijk dier. Maar het hert klinkt ons vertrouwelijk. Vooral door de berijming. Als wij de Psalm vanaf de bodem mee opzenden dan is het hijgend hert uit de berijming ons harte-treffend lief. Dan horen wij het edele dier hart-gròndig.
De schreeuw van het hert vernemen we. En het hijgende geluid. Met penseeltrekken zie ik het hijgen getekend. Want zó hangt dat beeld in mijn studeervertrek. Een prachtige tekening gekregen van een dankbare Schriftvriend. En de tekst staat er bij. ledere keer meet de wandversiering de hartslag: waar ligt je hart en je leven? Dat hert staat er met gestrekte hals. Geopende bek. Het geluid is niet te schilderen. Maar wel zijn hijgen. Verlangend hijgen. Stoomblazen om water. Het hijgend hert vervoegt zich bij een zuchtend kind.
Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Een schreeuwend hert en een schreeuwend hart. U moet even bij mij op de studeerkamer blijven en samen met mij naar dat kostbare geschenk kijken. De HEERE en Zijn pastoraat aan ons. Het dier valt in één oogopslag op door zijn gestrekte hals. Net als in de Psalm. Het werkwoord dat vertaald is met 'schreeuwen' heeft die strekking, dat rekken en neigen van de hals. Gelijk een hert zijn kop amechtig omhoog steekt wanneer de frisse waterstromen zijn neus vullen of zijn oren strelen, alzo doet mijn dorstige ziel naar de God van het leven. In het lijden en strijden neigt God de harten en heft Hij de hoofden omhoog.
Is 't waar of niet? In het lijden, in het lijden van deze tegenwoordige tijd strekt het leven zich uit naar het toekomende. 'Want ik houd het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. Want het schepsel, als met opgestoken hoofde (!), verwacht de openbaring der kinderen Gods.'
In Gods leerschool met de psalmist. Opdat de Geest het leven doorwaaie. Naast hem gezet vermenigvuldigen zich onze gedachten. Wij kijken biddend met de geteisterde achterom. Wat een tijden. Je moet voor de verstaanbaarheid ervoor in het heiligdom zijn gehaald (Psalm 73). Die tempeldienst met dat altaar van de verzoening! Wat een feest was het om met de drom feestgangers naar de plaats te gaan waar de HEERE had afgesproken daar te zullen komen: boven het verzoendeksel. Levende ontmoeting met de heilige Levende. Opgaan naar de tempel, opgaan naar Gods Huis, de voeten bij God over de dorpel: HEERE, Gij zijt mijn vreugde, de vreugde mijns heils. En dan te bedenken dat heel die oudtestamentische offerdienst het oog op Eén had. Juist die Ene en die Enige maakt het vandaag nòg begrijpelijk. De oudtestamentische psalmdichter en Gods kind vandaag hebben dezelfde Borg voor ogen. Ten diepste genieten zij van dezelfde Bron, drinken zij uit dezelfde Fontein.
De psalmist is ver weg van het heiligdom. Hij mist die tere en die innigste ontmoetingsplaats. De geplaagde verdiept voor ons zijn geroep. Die God van het heiligdom, die God van de ontmoeting legt baren en golven aan. Het beeld van het hert met de frisse waterstromen verspringt. Het is de HEERE Die hem als het ware met kolkende wateren ònderdrukt. Hij kan zijn hoofd niet meer boven water houden.
Daarom geroep. Tegen de angstaanjagende en de adembenemende dood is er slechts één weg: mijn ziel dorst naar de levende God. Ja, Hij is de God van het léven. Bij Hem zijn er uitkomsten tegen de dood. Geroep om in dat Heiligdom het leven te aanschouwen, de levende God te ontmoeten. In het heiligdom: genade en vrede! In het heiligdom: lucht in de benauwdheid, licht in de duisternis. Het hart gaat uit naar God. Dag en nacht (vers 9) is er wèl datgene wat van God is! Alleen dàt waarborgt Zijn uitkomst. Daar laat ons de dichter in het refrein (vers 6, 12 en Psalm 43 : 5) getuige van zijn. En als u die toon niet overtuigend hoort, leg er ten bewijze Jona 2 bij open. In de buik van de vis komt zijn gebed voor Gods aangezicht! 't Is er.
Psalm tweeënveertig. Horen. Zingen. Zuchten. Het gedicht heeft diepte. En hoogte. In de eredienst hebben de Psalmen ons hart. Hoe lief waren zij de Leidsman en Voleinder van het geloof? Hoe staan zij op Zijn leven geschreven! Zij zijn daarom levenslied en levenswijs. De Kerk vandaag gaat het lied zingen: Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. Kostelijke taal om de dorst naar de gerechtigheid door Zijn Geest te doen blijken.
Reken maar dat de Kerk graag naar de kerk gaat waar de verzoening is. De bijbelregisters gaan open. De zonderegisters brommen. Het Evangelieregister overstemt. Binnenin Gods huis. Bij het altaar, bij het kruis, bij de Gekruisigde laat God Zich ontmoeten. Hoogheilig! Hartverscheurende ontmoeting voor een hartgrondig gebed. Hartversterkende begroeting onder de gebroken ogen vol van genade van de gezegende Middelaar. In en onder de bediening is het door Zijn Geest goed. Wat heeft het duur hartebloed gekost om mijn hart te breken en mij te winnen. Gods hand trekt de registers van de voorgaande overdenkingen open! In het heiligdom (73) God ontmoeten. De werkelijkheid zonder eigengerechtigde kerkelijkheid. In het heiligdom wordt God gezien. Oog voor de Christus. Het zwelwerk (22) zwelt aan: de verkondiging gaat uit, de gerechtigheid wint, de gerechtigheid is het lied in de Gemeente. Het derde register (87) speelt het kindschap, het grote wonder. Kind, Gods kind, omdat de Geest leert zeggen: Abba, Vader. Kind, omdat de Geest leidt, leidt in de diepte van het hart des Vaders. Daar is de volle Christus, in Hem is het volle kindschap met alle erfrechten en kinderzegeningen.
Onder de bediening der verzoening… in de kerk…! Gij zijt de God van mijn leven, de Meester, mijn Gerechtigheid. In de kerk praat de HEERE mij niet naar de mond. Hij vernedert mij. Hij wondt mij. Hij kastijdt mij, maar om te verhogen, om te verbinden, om als kind te bevestigen. In de verkondiging ziet Hij mij niet naar de ogen, maar Hij opent mijn ogen om in Zijn ogen genade te lezen. In de kerk verliezen om te winnen, sterven om te erven. In de kerk… verlustigen in de overvloed van God. Daar gaat de Kerk mee eindigen. Gedachtig aan de milde overvloed. Het hert schreeuwt naar waterstromen! Niet een stroompje, maar meervoud: waterstromen. Zo is tegen onze dorst er levend water uit de bruisende Heilsfontein.
In de kerk in de Kerk als kind…!
Door de Vader bemind! In Christus.
Zuchten tot God. God de Vader! Abba Vader! Ik zal tot Zijn en onze Vader gaan.
Wànneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen?
Het laatste register gaat open. Met een stem als een bazuin. Met uitkomende stem wordt gespeeld: Ere zij aan God de Vader. De wens van de Zoon zal worden verwezenlijkt. Het werk van de Geest zegent de Naam van de Vader door het bloed van de Zoon.
Het laatste register… en dan eeuwig Vaderdag.
Mijn ziel wacht op de HEERE!
Het is mij goed nabij God te zijn!
De Geest spant en stemt de Gemeente. De Geest roept om Christus. De Geest getuigt met onze geest: kom Heere Jezus, kom haastig.
De snaren staan strak. De kinderen zoeken hun Thuis. Zijn Thuis en daarom hun Thuis. Het kind, vervuld met de Geest, wil naar de Vader en de Oudste Broeder. Het reikt zijn hals zover hij strekken kan, met reikhalzend verlangen naar de openbaring van het kindschap Gods. Dan bij Vader. Dan het hoofd omhooggestoken niet in verlangen, maar tot luister van de Drieënige God. Gekroond werk.
'Wij steken het hoofd omhoog en zullen de eerkroon dragen door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.'
Op de eeuwige Vaderdag (altijd dag!) belijdt het kind in de Geest door de Zoon: Onze Vader is alles!
J.W. van Estrik, Moerkapelle
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's