Boekbespreking
Elementen van Bijbelvertalen, lezingen en voordrachten onder redactie van ds. K.G. Pieterman, Nederlands Bijbel Genootschap, Haarlem 1992, 142 blz.
Deze bundel bevat de lezingen die werden gehouden op een bijeenkomst van de Liudgerstichten over het vertalen van de Bijbel. De Liudgerstichten heeft als doelstelling de studie en bevordering van de Groninger taal. Het ging dus op deze bijeenkomst over de problematiek die zich voordoet bij een vertaling van de Bijbel in het Gronings. Referaten werden onder meer gehouden door de hoogleraren J.H. Hospers ('Wat is taal?' en 'De Bijbel is geschreven in menselijke taal'), A.S. van der Woude ('Tekstsoorten en taalniveau in het Oude Testament'), C.J. Labuschagne ('Syntactische problemen in het Oude Testament'), G.P. Luttikhuizen ('Tekstsoort en taaisoort in het Nieuwe Testament'), D. Holwerda ('Syntactische problemen in het Nieuwe Testament'), N.J. Tromp ('Beeldspraak in de Bijbel, met name in de Psalmen'). Uit de titels blijkt al dat deze bijdragen handelen over het vertalen van de Bijbel in het algemeen. Daarom kan ik ieder die zich voor dit onderwerp interesseert, aanraden dit boek te bestuderen. De Bijbel moet 'getrouw' worden 'overgezet'. Maar wat is hier 'getrouw'? Kennis en congenialiteit moeten samengaan. De kennis vraagt inzicht in de gevende en ontvangende taal. Een voorbeeld ter illustratie. In de Hebreeuwse verhaalstijl komt vaak de uitdrukking voor 'en het geschiedde dat'. Men zou daaruit af kunnen leiden dat Israël een sterk historisch besef had of er misschien wel een argument in willen zien dat het Oude Testament ons een theologie van de geschiedenis geeft. Maar feitelijk heeft dit woordje geen andere betekenis dan ons 'en toen'. Zo vertellen kinderen hun belevenissen.
Er zijn twee manieren om te vertalen: de formeel equivalente en de dynamisch equivalente methode. De eerste vinden we vooral in onze Statenvertaling en bij de Amsterdamse school. De tekst wordt zo letterlijk mogelijk vertaald. Dezelfde woorden in het Hebreeuws en Grieks worden, als het maar enigszins kan, weergegeven met dezelfde woorden in het Nederlands. Bij de tweede manier zoekt men naar de juiste vertaling van elke zin in hun onderlinge samenhang. De Groot Nieuws Bijbel is daarvan een bekend voorbeeld. Hier geldt de regel: 'de zin ligt in de zin' (p. 18).
Vanzelfsprekend rijzen nu de vragen. Kan uit de tekst zelf worden afgeleid of de formele equivalentie (ook het 'ideolecte' of 'concordante' vertalen genoemd) de voorkeur verdient boven de dynamisch equivalente? Professor Loader heeft in zijn commentaar op het boek Esther in de serie De prediking van het Oude Testament (1980) aangetoond, dat de woordkeus verband suggereert met de geschiedenis van Jozef en de Uittocht. Bij een dynamisch equivalente vertaling gaat dit verband verloren. In één bijbeltekst klinken vaak andere teksten mee. Deze echo's moeten ook in de vertaling te horen zijn. Vaak functioneren teksten als kristallisatiepunten voor de beleving van het geloof. Ook dat is m.i. een zwaar wegend argument om te streven naar een zo letterlijk mogelijke vertaling van de Bijbel. Dat 'zo letterlijk mogelijk' geeft het spanningsveld aan, waarin iedereen die bezig is met het vertalen van de Bijbel, verkeert. Zonder een grondige kennis van zaken gaat het niet. Zonder congenialiteit evenmin.
H.J. de Bie, Huizen
Prof. dr. W. Albeda, De crisis hoort bij de verzorgingsstaat. Kok, Kampen 1992, 120 blz., ƒ 24,50.
Prof. Albeda is hoogleraar in het sociaal-economisch beleid in Utrecht en Maastricht. Hij heeft reeds eerder over de verzorgingsstaat gepubliceerd. In dit boek zijn artikelen bijeengebracht, die tussen mei 1982 en oktober 1991 in Trouw zijn verschenen. Het zijn er welgeteld 35. Vele ervan behandelen een in het buitenland verschenen boek. De schrijver tracht dan de toepassing voor Nederland te maken. Men krijgt dus een stuk informatie en tegelijk iets voor de praktijk.
Niet minder dan 7 opstellen hebben in de titel het woord verzorgingsstaat (of welvaartsstaat). De titel van het boek is ook de titel van een hoofdstuk (ongeveer in het midden van het boek; ik weet niet of dat toevallig is).
De schrijver plaatst steeds kritische kanttekeningen bij de welvaartsstaat. Hij verdedigt hem en wil hem met een zekere correctie behouden. Er wordt steeds weer op een tekort aan verantwoordelijkheidsbesef van de burgers gewezen. Wat voor iedereen als verworven goed vanzelfsprekend is, is dat niet voor de schrijver. Hij is echter geen non-conformist. Wij hebben zulke kritische tegenstemmen nodig. Wel had ik op grond van vroegere publicaties van de schrijver verwacht, dat er een structurele doorlichting zou komen. Om het heel gewoon te zeggen: als de crisis erbij hoort, is de crisis in zekere zin geneutraliseerd. Toch doe ik hiermee de schrijver geen recht. Dat besef ik. Hij is kritischer dan voorstanders van een permanente crisis. Soms vrees ik dat een kritische stem als deze zich bij voorbaat ongeloofwaardig maakt, doordat hij de structuur van de verzorgingsstaat niet ter discussie stelt. Er is meer nodig dan dat er wat gesnoeid en gekapt wordt. Bepaalde auteurs, die hier besproken worden, wijzen ook in die richting.
W.H. Velema
De medische ethiek in de branding. Een keuze uit het werk van Gerrit Arie Lindeboom, voorzien van een inleiding door S. Strijbos en een nabeschouwing door M.J. van Lieburg, dr. ir. S. Strijbos (red.), Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1992, 235 bIz. ƒ 39,50.
Dit boek is nummer 1 in de Lindeboom-reeks, die uitgegeven wordt door het Lindeboominstituut. Er zijn al wel enkele boeken in deze reeks verschenen. Men heeft dit boek echter als 1 genummerd. Een hommage aan de man, naar wie de reeks en het Instituut is genoemd.
Lindeboom is hoogleraar geweest aan de V.U., in interne geneeskunde, in de encyclopedie en de geschiedenis van de geneeskunde. Hij blijkt in dit boek ook op andere terreinen van de geneeskunde goed thuis te zijn geweest. Als een der eersten (zeker in protestantse kring) heeft hij de medische ethiek aan de orde gesteld. Zijn boek 'Opstellen over medische ethiek' uit 1960 is een der eerste publicaties in Nederland op dit terrein.
Prof. Van Lieburg, leerling en opvolger, heeft prof. Lindebooms leven en werk prachtig getekend. Dr. S. Strijbos, de redacteur, heeft de keus uit Lindebooms werk verantwoord. Zo krijgen we na de foto helemaal voorin, een prachtige tekening van Lindeboom als medicus, als hulpverlener, als ethicus en als christen. Vooral dit laatste komt in zijn werk uit – niet overdreven, maar wel met overtuiging.
Zijn inaugurele rede uit 1950 'De ziel in de geneeskunde' vind ik een juweel. Uiteraard is de literatuur tot dan besproken. De probleemstelling en de strekking reikt zeker veertig jaar verder. Van de rectorsrede uit 1965 'Natuur en geest in de geneeskunde' (uitgesproken in aanwezigheid van Koningin Juliana) geldt hetzelfde. Zijn afscheidsrede uit 1975 is weer een poging om het centrale in de geneeskunde aan te wijzen: de mens. Tegen alle verbrokkeling wordt gewaarschuwd. In deze drie redevoeringen treffen we de hand van de meester, van de christengeleerde, de medicus aan.
Hiernaast opstellen over medische ethiek in het algemeen, waaronder 'Arts en patiënt' en de cri de coeur uit 1967 onder dezelfde titel als het boek draagt. 'Beroepsgeheim en samenleving' uit 1968 is ook trefzeker en karakteristiek. Voor Lindebooms milde strijdpositie is typerend het slothoofdstuk over 'Euthanasie in historisch perspectief', later uitgewerkt tot een brochure. Zijn werk over de geschiedenis van de geneeskunde is misschien wat onderbelicht.
Lindeboom heeft fundamentele onderwerpen aangesneden en een duidelijke koers aangewezen. Het is triest, dat er van zijn erfenis aan de V.U. niets is overgebleven. Daarom is het Lindeboom-Instituut een waardig gedenkteken voor deze begaafde en beminnelijke geleerde. Men vindt hier de grondlijnen van zijn werk. Zij zijn ook daarom grondlijnen, omdat men er vandaag nog mee verder kan – als men dat althans wil. Lindeboom heeft, zo weet ik uit persoonlijke gesprekken in de laatste tien jaar van zijn leven, geleden onder de miskenning van de principiële koers die hij voorstond. De V.U. was toen al om. Niet alleen de medische ethiek, maar ook Lindeboom zelf heeft in de branding geleefd, tot hij van zijn aardse post werd afgelost.
W.H. Velema
Aarnoud van der Deijl, Richters, dichters en vredestichters, oudtestamentische oorlogsverhalen gelezen als literatuur. Uitgeverij Ten Have, Baarn 1993, 192 bIz., ƒ 29,90.
In dit boek ligt voor ons de bewerking van een doctoraalscriptie over de narratologie van het oudtestamentische oorlogsverhaal. Wat is narratologie? Deze term is afgeleid van narratio, het Latijnse woord voor verhaal, en dat betekent dus verhaalkunde. De schrijver verstaat daaronder de theorie van verhalende teksten. Deze benaderingswijze, ontleend aan de literatuurwetenschap, past hij nu toe op de oorlogsverhalen van het Oude Testament: de uittocht uit Egypte, Debora en Barak, Gideon en Abimelech, David en Goliath, de belegering van Jeruzalem door Sanherib en het optreden van Elisa in de oorlog tegen Syrië (Aram).
Het analyseren van verhalen uit de wereldliteratuur heeft geleid tot de ontdekking van een reeks taalkundige kenmerken. Van gedichten is dit algemeen bekend. Er zijn – om maar iets te noemen – sonnetten en limmerikken. Verder maken wij onderscheid tussen verschillende soorten van versmaat en rijm. De Hebreeuwse poëzie heeft weer haar eigen karakteristiek. Voor een goed verstaan van de teksten is het noodzakelijk, daarop te letten. Hetzelfde verschijnsel doet zich ook voor bij de oudtestamentische oorlogsverhalen. Dat levert een aantal verrassende resultaten op. Om een voorbeeld te geven: het gesproken woord neemt een veel grotere plaats in dan de beschrijving van de strijd. Interessant is ook de vergelijking met de buitenbijbelse oorlogsverhalen. Besproken worden de inscriptie op de steen van Mesa, Koning van Moab, een tijdgenoot van Achab, en het prisma van Sanherib, koning van Assur, een tijdgenoot van Hizkia. 'Narratologisch gezien kennen deze teksten een monocultuur, waardoor ze, ondanks hun literaire kwaliteiten, bij herhaaldelijke lezing, niet vermogen te boeien' (178).
Van der Deijl trekt uit deze literaire benadering theologische conclusies. Zij dienen als bouwstenen voor een narratieve theologie. Hij komt dan tot de volgende uitspraken:
– de bijbelse oorlogsverhalen leren ons – in tegenstelling tot de teksten van Mesa en Sanherib – een theologie van verliezers en niet een theologie van overwinnaars (181);
– voor de oplossing van conflicten is geweld de minst creatieve (Lea Dasberg) (183);
– irenische ironie kan een kritische distantie scheppen (186);
– tragiek is interessanter dan triomf (187).
De slotconclusie luidt: niemand kan zich op de Bijbel beroepen om oorlog te rechtvaardigen (191).
Dit boek lijkt mij een goede introductie voor wie geïnformeerd wil worden over de methode van de narratieve exegese. Daarbij komen tal van literaire begrippen ter sprake, die aan de hand van voorbeelden worden toegelicht. Zoals te verwachten is van iemand die zich wil rekenen tot de Amsterdamse school, wordt veel aandacht besteed aan de bijbeltekst als zodanig. Een voorbeeld: herhalingen hebben een (literaire) functie. De bronnensplitsers van vroeger en nu zien dat over het hoofd (133). De schrijver vat de oudtestamentische oorlogsverhalen echter niet op als geschiedverhalen. Ook dat ligt helemaal in de lijn van de Amsterdamse school. Vanuit de situatie van de ballingschap proberen de vertellers een oorzaak te vinden voor hun problemen. Ze willen van de geschiedenis leren. Hun verhalen geven een profetische reflexie op het verleden (84). Op dit punt zet onze kritiek in. De Bijbel is óók (wereld)literatuur, maar toch primair Heilige Schrift. Zij wil allereerst als zódanig gelezen, gehoord en aangenomen worden. Een van de narratologie afgeleide narratieve theologie verbrokkelt het bijbels getuigenis. Deze – overigens boeiend geschreven – studie bewijst dat ook. Elk messiaans perspectief ontbreekt.
H.J. de Bie, Huizen
W. Pieters e.a., Geen lust in onze dood, uitg. J.J. Groen en Zn., Leiden 1992, 198 blz., ƒ 29,95.
Dit boek is deel I van de serie 'Kom en zie', die onder redactie staat van P.R. Meinders. De serie wil in 4 delen een begrijpelijke en boeiende uiteenzetting bieden van de gereformeerde geloofsleer. Een goed initiatief. Het zou wel eens kunnen zijn dat het tij keert waar het gaat om de (belangstelling voor de) dogmatiek. Er is een dogmatische bestseller die druk op druk beleeft (al kunnen we in de Waarheidsvriend daar natuurlijk niet enthousiast over zijn, als het christelijk geloof algemeen wordt betwijfeld). Er is ook een geschenk uit Apeldoorn (wat veel dichter bij huis ligt en waar we zeer dankbaar voor zijn). Dan is er deze eersteling van een serie van 4. Daarin zullen 12 predikanten uit de Nederlandse Hervormde Kerk de hoofddelen van het christelijk getuigenis beschrijven. Het bijzondere ervan is dat de auteurs gerekend worden tot verschillende modaliteiten. Daarbij heeft elk hoofdstuk de instemming van alle auteurs. Naar de redacteur ons meedeelt in het 'Woord vooraf' leidt dit niet tot een gepolijste serie, waarin eventuele leerverschillen diplomatiek worden weggemoffeld. Is de persoonlijke schrijfstijl van elke auteur zoveel mogelijk gehandhaafd, voor elke bijdrage geldt wel dat de toonzetting bevindelijk en pastoraal is. Een meditatieve dogmatiek dus. De auteurs hebben geen wetenschappelijke pretentie, een literatuurlijst ontbreekt. Wel staan in de marge verwijzingen naar Schrift en belijdenis.
In dit eerste deel komt een drietal onderwerpen ter sprake. Het eerste hoofdstuk is getiteld 'God en Zijn Woord'. Daarin behandelt ds. W. Pieters achtereenvolgens de kennis van God, de Heilige Schrift en Gods besluiten. Vervolgens gaat ds. G.J. Hiensch in op 'De mens en zijn val'. Hij doet dat aan de hand van een viertal aspecten, t.w. de Schepping van de mens, de voorzienigheid, de zondeval en de zonde. In het derde hoofdstuk bespreekt ds. Tj. de Jong het werk van Christus onder de titel 'De Middelaar'. Hij beschrijft de Persoon van Christus, de leer van de twee naturen, Christus' lijden, sterven, opstanding en hemelvaart. Een hoofdstuk 'Christus en de andere verlossers' sluit zijn bijdrage en dit boek af.
Een sympathiek initiatief, dat in een goede traditie staat (ik denk b.v. aan de Redelijke Godsdienst van à Brakel). Daarmee is gezegd dat we dit boek graag onder uw aandacht brengen. De klassieke posities worden ingenomen en vertolkt. De lezerverwachte hier dus geen speculatieve en hoge gedachtenvluchten. De schrijvers willen de Schriften naspreken en op de grondslag van het historisch christendom staan. Daarbij is de polemiek ingetogen. Is die aanwezig is het (te) fragmentarisch. Zoals b.v. over de evolutietheorie, Israël, baptisten, wet gelijke behandeling, de gedachten van Barth (al wordt zijn naam niet genoemd) enz. De lezer zou gediend zijn met een wat bredere onderbouwing van een en ander (en wellicht zou hier een literatuurverwijzing goede diensten kunnen bewijzen).
Overigens is de intentie van redacteur en schrijver geen andere dan zoveel mogelijk mensen te bereiken met de boodschap van de Bijbel. Hopelijk worden er inderdaad mensen door dit middel geleid tot God in Christus.
K. ten Klooster
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's