De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het wonder van de taal

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het wonder van de taal

11 minuten leestijd

Enige tijd geleden stond in het dagblad Trouw een uitgebreid interview met professor dr. C. Verhoeven, hoogleraar in de filosofie in Amsterdam, tevens schrijver van heel wat boeken. Hij zei in dat verhaal, dat door de ervaring, die hij de laatste tijd had opgedaan met zijn kleinkinderen, hij veel meer dan ooit het wonder van de taal had ontdekt.
Hij, als hoogleraar, als man, die vele boeken geschreven heeft, ontdekte 'het wonder van de taal' pas goed in de aanraking met zijn kleinkinderen. Het is ook mijn ervaring. Nog meer dan met eigen kinderen ervaart men met kleinkinderen, als men daar van tijd tot tijd intensieve ontmoetingen mee heeft, het wonder van de taal. Waar zit dat in? Misschien omdat je door ervaring gerijpt bent. Dat is één. Maar ook, omdat je misschien meer ingegroeid bent in de taal, in de weerbarstigheid van de taal èn de mogelijkheden van de taal. Dat je daardoor te meer ervaart hoe groot het wonder is. Taal is schepping. De eerste woorden worden nog wat verhaspeld uitgesproken. Dan is er de combinatie van woorden, de kleine zinnetjes, de grotere zinnen, eerst nog heel concreet, maar tenslotte ook het abstracte. De communicatie ontstaat, in de vertelling. Er wordt verteld en er wordt terugverteld. Zo zie je, hoe die taal ontstáát bij zo'n kind. Het kind wordt taalvaardig. Dat geeft eigenlijk een voortdurende oefening in verwondering.
Men vraagt zich af: wat moet dat ingrijpend zijn als kinderen geboren worden zonder gehoor, zodat ze ook niet leren spreken, zoals dat met een ander kind het geval is, dat alles goed horen kan.
Ik vond zo een gedicht bij P.A. de Genestet, die het taalwonder ook verwoordt ten aanzien van zijn eigen dochter. Hij schrijft daarboven: Anni's taal. (zie Globaal bekeken)

Taal en tong
Zet twee mensen op een onbewoond eiland en ze zullen hun eigen taal maken, want ze hebben de tong gekregen. Ze zullen met elkaar communiceren. Tong en taal hangen samen. Ze zullen iets van taal vòrmen. De tong is het instrument voor de creatie, voor de schepping van de taal.
In Genesis 11 lezen we, dat de ganse aarde van enerlei spraak was. Onvoorstelbaar, van enerlei spraak! Daar kwam echter de Babelcultuur. De mens zei: 'Kom aan'; kom aan laat ons stenen bakken, kom aan laat ons een toren bouwen, waarvan het opperste top in de hemel reikt. Tegenover die menselijke overmoed, die menselijke hubris zei echter ook de Almachtige: 'Kom aan'. 'Kom aan, laat ons neervaren en hun spraak aldaar verwarren'. Een Babylonische spraakverwarring.
Toch is – nochtans – na het Paradijs de taal gebleven om te communiceren. En ook na de torenbouw van Babel is de taal ons gelaten om te communiceren.
Jacobus 3 tekent ons de grote invloed van de taal. De tong is een klein lid, maar met dat kleine lid geschieden grote dingen. De tong is een vuur, een wereld van ongerechtigheid. 'Het ontsteekt het rad van onze geboorte en wordt ontstoken van de hel'. Dat zijn ingrijpende woorden.


Wat God tot zegen gééft, wordt door de mens ook altijd aangewend tot vloek. En alles wat in vloek verkeert, begint meestal bij de tong, bij de taal. 'Door haar loven wij God de Vader, zegt Jacobus 'en door haar vervloeken wij de mensen'. 'Uit dezelfde mond komt voort zegen en vervloeking.'
Het laatste vers in de pericoop (11) luidt: 'Welt ook uit een zelfde fontein het zoet en het bitter?' We moeten zeggen: Ja, als fontein welt de tong het zoete en het bittere op.

Taal en pen
Wat voor de tong geldt, geldt intussen ook voor de pen, voor de schrijfstift. De 'pen', het geschreven woord, is instrument van de tong. Ook de pen is een vuur. Ook door de pen loven wij God, als het goed is. Het bruiloftslied psalm 45 zegt het: 'Ik zegge mijn gedichten uit van een Koning, mijn tong is als de pen van een vaardig schrijver' (Psalm 45 : 2). Dat is de éne kant. Maar door de pen 'vervloeken wij ook de mensen'. Dat is de andere kant. De pen – óók de pen – brengt zegen, maar de pen brengt ook vloek. Dat heeft de eeuwen door gegolden. De pen is gehanteerd door ongodisten, door vuilschrijvers, door de auteurs van de Babelcultuur, in telkens wisselende gestalten, door de mensen van het 'Kom aan, laat ons een toren bouwen waarvan het opperste top in de hemel reikt'.


De tong ontsteekt 'het rad van onze geboorte'. Dat is een diepe uitdrukking. 'Het rad van onze geboorte wil zeggen: het levenswiel. Dat wiel, dat wentelen gaat vanaf het moment, dat we geboren worden. Dat levenswiel wordt besmet door de tong, door de taal en we zeggen nu ook maar door de pen.
Wat is dan toch de roeping? Wat is de roeping van elke schrijver, die de pen hanteert? Dat schrijft Paulus: 'Voorts broeders al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt. Zo er enige deugd is, zo er enige lof is, bedenk dat' (Filippensen 4 : 8).
Dat is eigenlijk het devies, dat elke schrijver wel boven zijn schrijftafel mag hangen. Dat is de roeping! Met tong en met pen! Door haar loven wij God!

Tong en taal
Hoe houden wij die toon dan zuiver en eerlijk?
Ik maak nu een woordspeling. Eerst sprak ik over taal en tong, maar nu zeg ik tong en taal: tongentaal. Dat brengt me bij Pinksteren. Het táálwonder en het hóórwonder.
Hoe horen wij een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn! De taal in welke we geboren zijn: Het rad der geboorte.
De apostelen spraken – en zo werden ze verstaan – in de taal, waarin de mensen geboren waren. Babel werd radicaal doorbroken. De talen werden gesproken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. En het ging gepaard met de tongen als van vuur. Sindsdien, sinds Pinksteren mogen we toch zeggen, dat de Geest alle talen spreekt. Dat is heel treffend! Babel bracht de verwarring, maar met Pinksteren is er de verstaanbaarheid, de harmonie, de eenheid. De Pinkstergeest heeft zo ook de taal weer geheiligd. Alles wat over tong en pen in de Schrift gezegd wordt ten goede, is dan ook ten diepste alleen mogelijk door de Geest van Pinksteren.

Vaardig schrijven
Daarom zet ik nog eens een streep onder de pen van een vaardig schrijver (Psalm 45). Ik citeerde het al: 'Ik zeg mijn gedichten uit van een Koning, mijn tong is als de pen van een vaardig schrijver.' Het gaat om de Koning en om de eer van de Koning. De Geest, die het uit Christus neemt, maakt ten diepste vaardig om te schrijven. Daarom vraagt ook schrijven om Geestesleiding. De Geest roert tong en pen aan. Dat zal dan gericht zijn op de lofzegging aan God. Alle dingen, zegt psalm 8, heeft de Heere onder onze voeten gelegd. We mogen heersen over de werken van Gods handen. Daar hoort ook de taal bij. We weten, dat ook de taal onder de zonde ligt en toch: alle dingen onder onze voeten gelegd. Ook met de taal als gave mogen we scheppend bezig zijn. Psalm 8 staat ingeklemd tussen twee zelfde woorden 'Heere onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde'. Het gaat om de lofzegging op Zijn Naam.


Ieder, die als christen schrijft, heeft inspiratie nodig, dat wil zeggen een geestelijke instroom. Een schrijver heeft het nodig geestelijk geleid te worden, heeft nodig het in-werk, het binnenwerk van de Heilige Geest. Met vuur? Dat kan! Daar kan iets zijn van een verrukking des Geestes, waardoor mensen naar grote hoogten worden gestuwd, onstuimig worden voortgedreven. Dat kan! In hele bijzondere situaties. Dat is ook geschied, telkens weer.
Daar is echter ook het stille, doorgaande werk van de Geest. Het bekende beeld van de rivier, die ontspringt bij een bruisende, onstuimige bron, maar die uiteindelijk een stille rustige bedding vindt. Een stil verloop later, maar het is toch dezelfde Geest De Geest hebben we nodig, de Heilige Geest hebben we nodig, ook wanneer wij ons tot schrijven zetten. Met de pen loven we God of vloeken we de mensen en dus ook God!
Dit alles betekent ook, dat de Geest ons grenzen stelt bij het schrijven: alleen wat liefelijk is en wat wel luidt, wat eerlijk is en wat rechtvaardig is.
Dat betekent niet, dat de taal van de Geest altijd lievig is. Liefelijk en welluidend is nog iets anders dan lievig. Maar dat liefelijke en welluidende geven wel aan, dat er grenzen zijn aan het gebruik van de taal: geen banaliteiten. De Schrift tekent ons echter de realiteit van het leven soms ook in barokke taal en laat de levensduisternissen en de levensdiepten en de levenspijn niet ongenoemd.
Daarom leidt de Geest ook tot levensechtheid en niet tot wereldvreemdheid. Maar bij alles geldt: 'Hetzij dat gij eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet' – dus ook spreekt of schrijft – 'doet het alles ter ere Gods' (1 Kor. 10 : 31).


Dan gaat het bij het schrijven ook om verstaanbaarheid. Gezegend, die schrijver die met taal tot grote hoogte mag komen, scheppend bezig mag zijn. Maar dan ook gezagenden die schrijver, die tegelijk verstaanbaar blijft. Dat zeg ik vandaag met name, nu zoveel wereldlijke maar soms ook christelijke schrijvers zich hullen in een bepaalde gettotaal, die slechts voor enkele ingewijden te verstaan is.
Ook hier nog even De Genestet:

Een rijke taal vol geest en – ingehouden tranen,
Vol zin, – ook zeer geschikt tot leren en vermanen!
Mits maar de vrienden haar verstaan,
Want velen klinkt ze als Grieksch, voor andren weer profaan.

Eenvoud is ook bij het schrijven de kunst van het ware. Dat is iets anders dan simpelheid. Ik zou hier het woord perspicuitas willen gebruiken, een woord, dat ook geldt voor de Schrift. De Schrift is doorzichtig, maar dat wil niet zeggen: simpel. Maar wel doorzichtig. Gezegend, die schrijver, die met het woord creatief kan bezig zijn, maar tegelijkertijd doorzichtig weet te schrijven.

Christelijke schrijvers?
Zijn er dan christelijke schrijvers? Dat is altijd weer in discussie. Men kan zich afvragen wat dan het criterium voor het christelijke is bij die schrijver? Dat heb ik al genoemd: eerlijk, liefelijk, welluidend, rechtvaardig. Het schrijfwerk behoeft ook niet altijd in specifiek christelijke bewoordingen te bestaan, of direct uit de Schrift genomen te zijn. De Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt in artikel 2 ook over 'Het boek der natuur'. Er zijn twee middelen – wordt daar gezegd – waardoor wij God kennen, namelijk uit 'Het boek der natuur', maar nog veel klaarder en volkomener dan de Heilige Schrift. Niemand zal uit 'Het boek der natuur' God leren kennen, als hij niet tegelijkertijd die God ook kent uit de Schriften. Maar toch, 'Het boek der natuur' spreekt een eigen taal. Bij het licht van dat boek, maar dàn ook bij het licht van het Woord Gods, mag ook de natuur inspiratiebron zijn bij het schrijven.


Altijd zal wel gelden, als het gaat om de vraag of een schrijver een christelijk schrijver is of niet: 'uw spraak maakt u openbaar'.
Er zijn ter ener zijde de vuilschrijvers, die de zonde exploiteren. Daar is onze tijd méér dan vol van.
Er zijn de schrijvers, die de spot als wapen hebben. Het zijn vaak diegenen, die nog weten waar ze vandaan komen.
Er zijn de schrijvers, die het heilige ontheiligen, met voeten treden, die niet schromen om de heiligheid van de heilige God aan te tasten – zó dat al mogelijk zou zijn –. Onze tijd kent er ook de voorbeelden van, ook weer heel recent in het nieuws in de discussie rondom het toneelstuk in Apeldoorn n.a.v. het boek van Jan Wolkers over het laatste oordeel. Het zijn de renegaten van het eigen christelijke verleden, die al maar bezig zijn om met dat christelijke verleden af te rekenen in duidelijke en grove taal.


Ter anderer zijde zijn er de mensen, die in hun schrijven ook een boodschap hebben en die het leven willen openleggen. Coram Deo, voor het aangezicht des Heeren. Die dan ook de taal willen hanteren als een instrument om God te loven.

Was Gerrit Achterberg een christelijk schrijver? Dat was niet altijd herkenbaar. Zijn leven was bovendien een bizar leven. Maar hij schreef het overbekende gedicht:

Bekering
Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Here Jezus,
tussen ons en den Vader, naar Uw Woord
mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens,
wat er ook in ons leven is gebeurd.

Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd,
met die van mij. Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.

En moeten ook de bloemen weer verdorren:
mijn lenden zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.
Uit Uwe Hand ten tweeden maal geboren,
schrijd ik U uit het donker tegemoet.

Wie zo schrijft, schrijft christelijk 'genoeg'.

J. van der Graaf

Samenvatting van openingswoord, uitgesproken op schrijversontmoetingsdag te Voorthuizen, op 5 juni 1993.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het wonder van de taal

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's