De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

9 minuten leestijd

J.G. Fijnvandraat & H.P. Medema, Zo zullen wij altijd met de Heer zijn; ondertitel: Over de komst van Christus en de opname van de Gemeente. Uitg. Medema, Vaassen; 184 blz.
Dit boek is een grondige herziening van het elf jaar geleden verschenen boek 'De komst van Christus en de opname van de Gemeente'. Het wil op een eerlijke wijze duidelijk maken wat de Bijbel naar de mening van de schrijvers zegt over de opname van de gemeente. De schrijvers zeggen: misschien zijn we wat onze zienswijze betreft wat bescheidener geworden. Inderdaad is het een boek met een bescheiden toon, waarin overigens de mening van de schrijvers over de opname der gelovigen voluit doorklinkt. Ze zien twee lijnen: die van de gereformeerd-calvinistische verbondstheologie, waarin het verbond een centrale rol speelt. En die van de leer der bedelingen, die het begrip 'bedeling' ziet als een van de sleutels tot het verstaan van de Schrift en waarin het volk Israël een heel eigen plaats heeft. De schrijvers, behorend tot de broeders van de Vergadering der Gelovigen, zitten op de laatste lijn: ze menen dat de Gemeente zal worden opgenomen in de hemel vóór de Grote Verdrukking en dag God daarna de draad met Israël weer zal opnemen. In deze visie past ook die van het Duizendjarig Rijk. De schrijvers kiezen daarbij voor het standpunt dat de komst van Christus voorafgaat aan het Duizendjarig Rijk en aan de Grote Verdrukking. Ondanks al het goede dat ze naar voren brengen, zijn ze m.i. niet overtuigend in hun stelling dat deze visie al voorkwam in de vroeg-christelijke kerk. Zelf zeggen ze dat we een geschrift als de 'Herder van Hermas' niet te hoog moeten aanslaan, terwijl ze ook van Irenaeus zeggen dat er maar een paar uitspraken zijn die er op 'schijnen' te wijzen dat hij de komst van Christus vóór de Grote Verdrukking verwachtte. Ik heb nog wel meer vragen: waar wordt in de Bijbel over de Grote Verdrukking als een louteringsperiode voor Israël gesproken? (blz. 105). Gaat het in Johannes 14 : 1-4 over de ophame of kun je deze woorden ook met het oog op Jezus' wederkomst lezen? Hetzelfde geldt voor het klassieke hoofdstuk 1 Thess. 4. Mijns inziens kan men ook dat hoofdstuk lezen zonder dat aan een opname van de gelovigen vóór de Grote Verdrukking gedacht behoeft te worden. Is het waar dat de Hervormers weinig verwachting hadden van Jezus' wederkomst? Ik denk aan het woordje 'troost' in de Heid. Cat., dat na zondag 1 driemaal voorkomt en dan juist in die vragen die te maken hebben met de wederkomst van Christus (Vr. 52, 57 en 58). En aan het prachtige slot, artikel 37, van de Ned. Geloofsbelijdenis. Hoofdstuk 4, en vooral hoofdstuk 6, is m.i. toch teveel een verdediging van wat Darby heeft geleerd, ondanks dat de schrijvers dat niet direct willen. Ik denk dat de Schrift verschillende accenten legt als ze over de wederkomst spreekt (de schrijvers zeggen dat zelf ook), maar dat dat niet hoeft te betekenen dat men gelooft in de opname van de Gemeente.
De kern van het boek is de relatie van Israël tot de kerk. De schrijvers wijzen (m.i. terecht) de zgn. vervangingsgedachte af: dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen. In vele delen van de kerk is dat geleerd, zij het niet altijd en overal; men denke o.a. aan de verschillende Nadere Reformatoren. Al geloven we niet de opname zoals de schrijvers die geloven, dan wil dat nog niet zeggen dat we daarmee Israël als volk definitief afschrijven. Rom. 9-11 is daar duidelijk genoeg over. Is het niet mogelijk vele profetieën van het O.T. op de nieuwe aarde te betrekken? Moeten alle beelden van de profetieën letterlijk genomen worden of moeten we ze veeleer in de beelden laten staan, zonder ze te vergeestelijken? Veel profetieën hebben m.i. ook de mogelijkheid van 'meerdere' vervullingen, bijvoorbeeld vóór Christus, in de tijd vàn Christus en vóór de wederkomst. Ook Mattheüs 24 heeft twee lijnen: die naar 70 na Christus en die naar de tijd voorafgaande aan de wederkomst. Er zou nog veel meer te zeggen zijn. Ik bedoel mijn opmerkingen niet negatief. Ik acht de schrijvers broeders die op een eerlijke manier met de Schrift omgaan. Zelf zeggen ze: 'Bij voorbaat erkennen wij dat de uitleg die wij geven heus niet de enige mogelijke is.' Ik zou dat ook van de visie die ik zelf voorsta willen zeggen. Graag spreek ik uit dat ik van dit boek veel geleerd heb. Van harte onderstreep ik wat de schrijvers op de laatste bladzijde zeggen: 'Het is ons vooral daarom te doen dat de waarachtige christelijke hoop weer levend gaat worden in de harten van christenen. En laten dan de theologen maar even hun mond houden. Er is geen theologie nodig om te zeggen: Amen, kom Heere Jezus'.
H. Veldhuizen, Zoetermeer

C.A. van Peursen, Verhaal en werkelijkheid. Een deiktische ontologie, Kampen (Kok/Agora), Kapellen (DNB/Pelckmans), 1992, 226 blz., ƒ 35,40.
Dit is een moeilijk, diepzinnig-filosofisch boek. In een achttal beschouwingen over deelthema's cirkelt de auteur a.h.w. naar zijn centrale stelling toe. Het terrein dat bestreken wordt is breed: Van Peursen integreert recente tendensen uit de meest uiteenlopende filosofische stromingen, maar ook uit de bèta-wetenschappen, de taal- en cultuurwetenschappen enz. in zijn betoog. Het gaat dus overal over – maar het gevaar dat het juist daardoor nergens meer over gaat weet de schrijver te vermijden door de aandacht telkens weer te bepalen tot zijn eigen thema.
Dat thema valt wellicht het best te verduidelijken aan de hand van de ondertitel. Van Peursen zoekt naar een nieuwe ontologie, een leer over het zijn, meer specifiek: over wat nu de naam 'werkelijkheid' verdient. De traditionele ontologie ziet werkelijkheid als een soort substantie, een ding-achtig iets dat zich achter al onze waarnemingen bevindt, en waar we verder weinig over kunnen zeggen juist omdat het zich aan onze waarnemingen onttrekt. Een hoogst abstracte werkelijkheidsopvatting dus. Prof. Van Peursen pleit nu hiertegenover voor een deiktische ontologie. Deiktische termen (van Gr. deiknumi = aanwijzen) vormen in de taalkunde de meest directe verbinding tussen taal en werkelijkheid. Het gaat dan om woorden die staan voor datgene waarnaar wij met de vinger kunnen wijzen: 'jij', 'ik', 'díe boom' enz., in tegenstelling tot algemene begrippen. Concreet-aanwijsbare situaties en gebeurtenissen vormen dus de wortel van dit nieuwe werkelijkheidsconcept. Werkelijkheid staat daarbij niet los van taal, van menselijke duiding en, met een ook in de filosofie populair geworden categorie: van menselijke verhalen. De werkelijkheid bestaat juist in een veelheid van verhalen, van abstract-wetenschappelijke via alledaagse tot aan levensbeschouwelijke verhalen over haar zín toe.
Voor Van Peursen betekent dit alles geen relativisme of subjectivisme, waarbij wij met onze verhalen zélf uitmaken wat werkelijkheid is. Maar werkelijkheid is wel, met een geliefkoosde uitdrukking, een relationeel begrip (143, 190-197). Werkelijkheid bestaat slechts in de menselijke interactie met de buitenwereld en niet los daarvan, zoals de 18e eeuwse filosoof Berkeley al zag. Die interactie is overigens wel zeer veelvormig, heeft allerlei dimensies.
Het is moeilijk dit ontwerp goed te beoordelen, mede doordat het meer beschouwend dan argumenterend gepresenteerd wordt. Enerzijds spreekt Van Peursens benadering aan. Er is meer werkelijkheid dan we denken, de bèta-wetenschappen hebben niet het alleenrecht bij het bepalen van wat werkelijk is. In een passage die herinneringen omroept aan de aspectenleer van H. Dooyeweerd blijkt de werkelijkheid voor de auteur ook een onreduceerbaar religieus aspect te bevatten (208-211). Anderzijds is men achterdochtig t.a.v. de theologische implicaties van Van Peursens concept. Die komen in dit boek slechts even om de hoek kijken (196v), maar werden natuurlijk al eerder duidelijk uit zijn bijdrage aan het gereformeerde synoderapport God met ons (1981), waarin zijn 'relationele waarheidsbegrip' een sleutelpositie kreeg. Ook in de theologie gaat het niet om een objectieve werkelijkheid buiten onze menselijke duiding om, maar zijn verhaal en werkelijkheid geheel met elkaar verweven! Echter, zelfs wie zich om dit soort theologische consequenties niet zou bekommeren kan zijn bedenkingen hebben, en wel vanuit de ethiek. Hier bestaan immers evenmin objectieve, boven de culturele verscheidenheid uitgaande waarden. Welke criteria voor goed en kwaad het meest 'recht doen aan de werkelijkheid' kan slechts in de loop van een voortgaand historisch proces duidelijk worden (203v.). Die gedachte lijkt weinig hoopvol nu dit proces een bocht neemt in de richting-Bosnië!
G. van den Brink, Nijkerk

Fokkelien Oosterwijk, Een dienstmaagd in verhoogde staat; Kanttekeningen bij het beeld van Maria; Uitg. Meinema, Zoetermeer; 112 blz. ƒ 22,50.
Het doet merkwaardig aan dat een hervormd predikant een boekje over Maria schrijft naar aanleiding van een Maria-beeld. De schrijfster, hervormd predikante in Maastricht, heeft het erop gewaagd. Ik moet zeggen dat het een lezenswaardig (geïllustreerd!) boekje is geworden. Uitgangspunt is het beroemde beeld van Maria als de 'Sterre der Zee' in de Onze Lieve Vrouwekerk te Maastricht, waar jaarlijks tienduizenden rooms-katholieken naar toekomen. We lezen van het eeuwenlange volksgeloof in de hemelvaart van Maria, hoe het dogma van Maria als moeder Gods en altijd-maagd langzamerhand is gegroeid en wat apocriefe verhalen en legendes van Maria zeggen. 'Sterre der Zee' zou een verschrijving zijn van 'stilla (dat Stella, = ster werd) maris', dat de Latijnse naam voor Mirjam (Maria) is. Maria werd zo degene op wie men vertrouwen kan en mag op de woelige levenszee. En passant krijgt de lezer ook een interessant stukje Maastrichtse (kerk)geschiedenis mee. De sympathie voor de Mariadevotie en voor wat zich rond het Mariabeeld afspeelt gaat me te ver, evenals de oecumenische gedrevenheid van de schrijfster. Ik reken de 'Sterre der Zee' toch maar tot (meer dan) de Paapse stoutigheden. De wijze waarop het boekje geschreven is, maakt het echter tot een sympathiek en interessant boekje. Hoewel het me liever was geweest als de schrijfster het reformatorisch belijden van Jezus' geboorte uit een gewone moeder had onderstreept en het gevaar had aangewezen dat in de Maria-devotie het solo Christo dreigt ingeruild te worden voor het sola Maria.
H. Veldhuizen, Zoetermeer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's