De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

6 minuten leestijd

Hoe in de vorige eeuw Europa stond aangeschreven bij Anthony Winkler (de man van de encyclopedie) leert de volgende 'afscheidsgroet aan emigranten':

Reeds waggelt gij, reuzin! – uw leên verslappen,
De tering heeft uw frisse kracht geroofd,
Uw levenswijs verdierf uw beste sappen,
Uw lust verging, uw moed is uitgedoofd.
Vergrijsd Euroop, verschriklijk zult ge boeten,
Bedreven onrecht is een fel venijn!
Vergelding graaft… en onder uwe voeten
Bereidt ze in stilte een vreselijke mijn:
Eens barst ze los en 't wereldrond zal beven,
Dan zinkt ge neer vernietigd en te schend…
Vaarwel, Euroop, mij wacht in schoner dreven
Een jeugdig vaderland!


'De Kop van Jut' is algemeen bekend. Deze heeft te maken met een roofmoord in de vorige eeuw.

'Heel het land sprak over deze roofmoord, maar het duurde bijna driejaar vooraleerde daders – Hendrik Jut en zijn vrouw Christina Goedvolk – werden gegrepen. De Jut-legendevorming (waarvan wij nog altijd de Kop-van-Jut op de kermissen over hebben) ontstond al direkt.
Christina Goedvolks volharding moet schier ongekend worden genoemd. Zo werd ons verzekerd, dat zij op de avond van de moord, haar minnaar zou te drinken gegeven hebben jenever met kruit, teneinde hem courage en bloeddorst tegelijk in te storten. Is die mededeling op waarheid gegrond, dan vertoont zich de daderes aan ons oog als een der meest satanische figuren, welke men zich denken kan… Omtrent de gruwelijke moordenaar Jut wordt ons, van een geachte zijde nog het volgende gemeld: Bij de diep gevallen misdadiger zijn geschriften gevonden, waarin hij vele bijzonderheden van zijn buitenlandse reizen heeft opgetekend. De stijl getuigt van veel meer beschaving en belezenheid, dan men bij personen van zijn levenskring zou verwachten. Hij las veel zedeloos geschrijf en ook veel roverromans. Weder een waarschuwing – zo voegt onze geëerde berichtgever er aan toe – voor die schrijvers, welke hun vernuft en geestesgaven misbruiken ter ondermijning van zedelijkheid en godsdienst.
Jut kreeg levenslang tuchthuis (de doodstraf was in 1870 afgeschaft), zijn vrouw twaalf jaar.'

(Uit: Wim Zaal, Vloekjes bij de thee, Utrecht, 1962).


Hier volgt een stukje uit een boek van Wim Zaal, Vloekjes bij de thee' (Utrecht, 1946) over 'werken in de wijngaard':

Otto Heldring had al geschreven:
'Wanneer eenmaal het nageslacht bij de geschiedenis van het midden der negentiende eeuw stilstaat, dan zal het daar een woord vinden waarover het ten hoogste verbaasd zal staan: Innere Mission, Inwendige Zending.
Dit woord zegt veel. Het is de openlijkste en strengste verklaring, dat een gedeelte van het christendom tot het heidendom vervallen is. De zending aan de heidenen over te brengen tot een gedeelte der christenheid, is de ronde en trouwhartige verklaring: wij zijn heidenen geworden. In ons midden brenge men het evangelie. Hier is het licht van de kandelaar geweken. Hier is het verval van het christendom zo diep, zo ontzettend, dat hier moet geschieden wat gij onder de heidenen meendet te doen: de banier van het kruis, het woord van God moet weder geplant worden.'

Een van degenen die zich daarvoor inspanden, was de bijbelcolporteur Johannes van 't Lindenhout, die later het weeshuis van Neerbosch zou stichten met een kapitaal van twee bedden, een kasten ƒ 4,60. Uit zijn levensherinneringen blijkt wel hoe erg de toestanden waren.
'Overal waar ik te Garderen de woningen binnentreed en mijne bijbels en boeken aanbied, en men zich de moeite wil geven om ze in te zien, is het: "Nee, man! wij willen uw vervalste bijbels en boeken niet". Ik vroeg waaraan men meende te zien, dat mijn bijbels en boeken vervalst waren. "O", zeiden zij, "dat zien wij aanstonds. Al die nieuwe druk is vals. De zuivere gereformeerde boeken en bijbels hebben voortaan een titel met rode letters; waar die niet gevonden wordt, daar is het mis". – Zulke bijbels, als ik wilde verkopen, had de duivel laten drukken want zij waren verdraaid; het dierbaar woordje "ende" was er uit gelaten, en wanneer ik voortging zulke boeken te verspreiden, dan zou een vreselijk oordeel Gods mij treffen en was ik een dienstknecht van de duivel. Een vrouw vertelde mij hoe ook eens een dame dit dorp had bezocht, wie zij voor hare kinderen enige pruimen had gegeven. Zij had daarvoor geen geld willen aannemen, en toen had die dame haar ook zulk een nieuwe bijbel gegeven. Maar zij had aanstonds de list van de duivel ingezien, een groot vuur aangestoken en die valse bijbel verbrand, en de Heer had in hare ziel gezegd "dat zij een goed werk had gedaan".
(Elders op de Veluwe): De weinige woningen, die hier en daar in het heideveld verstrooid lagen, werden in zover mijn weg er langs leidde, bezocht: doch hoewel in de meeste gezinnen geen leesbare bijbel te vinden was, de mensen hadden geen geld om er een te kopen. Hier en daar, waar zichtbaar grote armoede heerste, gaf ik een Nieuw-Testament en overal een traktaatje of klein boekje. Deze heidebewoners verhaalden mij dat zij nooit naar de kerk gingen dan wanneer zij een kind ten doop moesten houden en dat hen ook nimmer een predikant bezocht. Dit alles was voor mij een bewijs hoe nodig een arbeid was, als die waaraan ik de hand had mogen slaan.
Ik vervolgde langzaam mijn weg, van huis tot huis gaande om overal het zaad des evangelies uit te strooien, totdat ik eindelijk op een heideveld tussen zandheuvels kwam. Mijn maag liet nu haar rechten gelden en ik was blijde in een klein herbergje aan de weg een weinig te kunnen uitrusten. Hier at ik, in gezelschap van een aantal kippen, twee dikke sneden roggebrood met rauw spek, dat de vrouw mij van een groot stuk afsneed, hetwelk in de schoorsteen hing. Behalve deze vrouw was er niemand in deze kleine armoedige woning, die daarbij nog een kroeg was, en zij had niets anders om mij aan te bieden. Een kommetje water en een weinig melk leste mijn dorst. Terwijl ik mijn eenvoudig maal gebruikte, sprak ik met haar over de dingen die boven zijn. Zij wist daarvan weinig of niets, en geen wonder, – zij wist mij de tijd niet te noemen dat zij in de kerk geweest was, en nog nooit had haar iemand bezocht die met haar over de belangen harer ziel had gesproken. Een goede trek van deze arme kroeghoudster was, dat zij van mij geen geld wilde aannemen. Maar zij was zeer blijde, toen ik haar een bijbel ten geschenke aanbood. Wij hopen dat zij er Hem in gevonden heeft, met wie men geen kroeg kan houden.'

J. van der Graaf

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's