Mens en medemens in de theologie van Calvijn
Grote dienst
Met zijn studie over de humanitas bij Calvijn heeft dr. J. van Eck ons een grote dienst bewezen. Om te beginnen vanwege de originele insteek in Calvijns theologie. Voor zover ik althans weet, is een thematisch onderzoek naar Calvijns gedachten over de menselijkheid en het menselijke nieuw. Terwijl we van Calvijns visie op de mens behoorlijk op de hoogte zijn gebracht, bleef genoemde thematiek tot nu toe onderbelicht. In de tweede plaats is dit boek waardevol door de bekwame manier waarop de bronnen (vnl. de diverse Institutieuitgaven) worden ontsloten. De auteur is zowel classicus als theoloog, een combinatie om jaloers op te zijn! Dat staat enerzijds garant voor een menig keer verrassend adequate weergave van Calvijns Latijn (bijv. p. 43, 63, 67, 110, 147), anderzijds voor theologische peilingen en perspectieven waar je wijzer van wordt. Bovendien hanteert Van Eck zijn Nederlands op een soepele en elegante manier, hetgeen het leesgenot niet weinig vergroot.
In de derde plaats lijkt me het belang van dit geschrift gelegen in de historische, contextuele aandacht die de persoon en de ontwikkelingsgang van Calvijn ontvangt. Het vormt naar mijn gevoel een evenwicht scheppende aanvulling op het uiterst boeiende, maar hier en daar aanvechtbare boek van W.J. Bouwsma, John Calvin, A sixteenth century portrait (1988).
Ten vierde wijs ik op de actualiteit van Van Ecks thema. De twintigste-eeuwse mens is een nazaat van de renaissance-mens. Een God heeft deze moderne, mondige mens niet nodig. Hij beleeft zich meer als schepper dan als schepsel, als mens die wikt èn beschikt. Het is deze mens die Calvijn in de verte al ziet naderen en die door hem zijn grenzen aangewezen krijgt in het heilzame Godswoord (239 v.). De jonge Calvijn heeft aanvankelijk gedeeld in de roes van de renaissance, maar er ook bijtijds de gevaren van onderkend en blootgelegd. Terecht beschouwt Van Eck hem als een betrouwbare gids voor ons huidige tijdsgewricht. 'Misschien is dit bij uitstek de tijd om opnieuw de vraag naar God te stellen en daarbij te rade te gaan bij een man (sc. Calvijn) die humanitas en geloof bijeen gehouden heeft' (8). Kortom, Van Eck leverde ons een boek dat qua inhoud en stijl, alsook qua compositie en vormgeving voornaam mag heten, en dat qua actualiteit van onmiddellijk belang is.
De vragen waarop de auteur het antwoord zoekt, zo stelt hij in zijn Inleiding, zijn eenvoudig te formuleren: welke dingen noemt Calvijn 'menselijk'? En: wat betekent het menselijke in het geheel van zijn denken? Deze vraagstelling vormt het startpunt van een zorgvuldige zoektocht, vol van onvermoede vondsten.
De Stoa
Zoals bekend schreef Calvijn als jong humanist in 1532 zijn eerste proeve van wetenschappelijke bekwaamheid, in de vorm van een toelichting op een werk van Seneca, De dementia. Van Eck laat zien hoe Calvijn bepaalde opvattingen van deze Stoïcijnse wijsgeer levenslang meeneemt (bijv. de gedachte van de fundamentele eenheid van het menselijke geslacht), maar zich toch van meet aan ook van hem distantieert. M.n. de onbewogenheid van de Stoïcijnse wijze acht hij onmenselijk. Door Calvijns bekering ('33-'34) wordt de afstand tot het stoïcisme echter geradicaliseerd. Voortaan kan hij, in gehoorzaamheid aan de Schrift, over de mens nog slechts spreken in diens relatie tot God, aan Wie hij verantwoording verschuldigd is. Mens-zijn betekent z'n plaats kennen voor en onder God.
Renaissance
Wanneer Van Eck Calvijn een 'renaissance-mens' noemt, moet men wel goed begrijpen wat hij daarmee gezegd wil hebben. Niet meer – maar ook niet minder – dan dat hij een man is met een hoge waardering voor klassieke stijl en letteren, voor kunsten en wetenschappen. Zelf ontwikkelt hij een levens- en omgangstaal die het renaissancetype verraadt. Van Eck geeft van Calvijns wellevendheid en geestigheid een trefzekere illustratie, door iets uit de correspondentie met zijn vriend De Falais op te halen. Maar meteen blijkt juist uit deze briefwisseling waar voor Calvijn inhoudelijk de grenzen liggen. Wanneer De Falais naar Calvijns overtuiging de eer van God aantast, neemt de vriendschap een einde! De gehoorzaamheid wint het van de wellevenskunst, de Bijbel van de klassieken.
Bovengrens
Zonder meer verhelderend is de driedeling die de auteur in de behandeling van de stof aanbrengt, weergegeven met de trefwoorden bovengrens, ruimte en benedengrens. Met de bovengrens van de menselijkheid doelt hij op het feit dat Calvijn het menselijke principieel afgrenst van het goddelijke. Voluit wezenlijk voor de mens is, dat hij deze grens in acht neemt. Concreet betekent dit dat de luisterhouding – een sleutelwoord in Van Ecks studie! – onopgeefbaar is verbonden met de schepselmatigheid van de mens als zodanig. Zodra deze horigheid ontbreekt, is er sprake van ontaarding. 'In het luisteren naar Gods spreken is het mens-zijn gegrond' (43). De oerzonde van de mens is dan ook ten diepste niets anders dan het ongeloof, waarin hij het Woord Gods in de wind slaat.
Het is vervolgens alleen door de verborgen – dat is het boven alle menselijke capaciteit verheven – overmacht van de Geest, dat deze emancipatie – de gestolen mondigheid – verandert in horigheid aan de Schrift. Geliefde woorden van Calvijn zijn in dit verband: matigheid, bescheidenheid, nederigheid. Aan de hand van zinrijke citaten en verbanden maakt Van Eck duidelijk wat deze houding impliceert inzake schepping, voorzienigheid, beslissings- (on)vrijheid, geloof, rechtvaardiging, praedestinatie en eschatologie. Bijzonder spraken mij aan de exposés, gewijd aan de voorzienigheid en de voorbestemming.
Bij uitstek op het laatstgenoemde terrein wordt de mens met zijn bovengrens geconfronteerd en loopt de spanning tussen het goddelijke en het menselijke tot hoogspanning op. De mens is er niet alleen zondaar voor God, maar als klei in de handen van de Pottenbakker. Hierbij wist Calvijn zich door huiver bevangen. 'In die hoogspanning houdt zelfs een man als Calvijn het niet lang uit' (93). En in de sterkste bewoordingen maant hij ons dan ook weg uit de speculatie over Gods verborgen raad. Een 'mensje' (Homuncio) neme zijn grenzen in acht! Hij belijde zijn schuld en neme, ter verzekering van zijn verkiezing, alleen tot Christus de toevlucht, in Wie het hart van de Vader rust.
Ruimte
Met het trefwoord ruimte wil Van Eck weergeven dat Calvijns drastische insnoering van de menselijke mogelijkheden evenwel het menselijke niet wegstreept, maar voldoende ruimte openlaat voor het denken, willen en handelen van de mens die zijn plaats kent. Ook plaats het gevoelsleven krijgt over het algemeen zijn volwaardige toebedeeld, al vindt Van Eck Calvijn een enkele maal 'op dit punt toch meer stoïcijn dan hij wil weten' (158). In ieder geval neemt Calvijn het met een zekere gedrevenheid op voor zintuiglijke geníeting, tegenover die 'onmenselijke filosofie' die slechts het noodzakelijk gebrúik van Gods goede gaven toelaat. Meteen grenst hij het rechte genieten overigens af tegen een ongebreidelde genotzucht. Dit laatste is verwerpelijk. Het echte genieten daarentegen is niet alleen wezenlijk voor het mens-zijn, maar ook een gestalte van de christelijke vrijheid en een dankbaar delen in de vreugde van de Schepper, tot in het eschaton toe.
Belangwekkend is in dit verband de beschouwing die de schrijver geeft over Calvijns visie op de medemenselijkheid. Volgens Van Eck ziet Calvijn het werk van Christus zich daarin voortzetten. 'De betrokkenheid bij de medemens vindt haar uitgangspunt in de menswording van Christus, waar Hij zich deelgenoot maakte met het lijden van het hele menselijk geslacht' (134). Hoe boeiend deze interpretatie ook is, zij heeft mij niet geheel overtuigd. Voor zover ik zie, motiveert Calvijn – in het kader van de zelfverloochening – de medemenselijkheid wel uitdrukkelijk vanuit het beeld Gods (III, 7, 6), maar niet vanuit de incarnatie. Luthers zegswijze dat de ene mens voor de andere een Christus dient te zijn, ben ik bij hem niet tegengekomen.
Benedengrens
De menselijkheid kent ook haar benedengrens. De mens heeft krachtens Gods scheppingsbedoelen een waardigheid ontvangen, die hem boven het niveau van de dieren verheft. Hij is in staat en geroepen tot denken, bezinning en eeuwigheidsverwachting.
Godsleer
Ter afronding enkele vragen n.a.v. de slothoofdstukken. Wanneer Van Eck i.v.m. de menselijkheid in God en Christus Calvijns Godsleer sterk filosofische (Scotistische) trekken toeschrijft, lijkt mij deze constatering weliswaar niet uit de lucht gegrepen, maar evenmin helemaal billijk. Ik vraag mij af of het waar is, dat Calvijn moeite heeft 'om gevoelens in God aan te nemen'. In ieder geval vormt zijn opmerking dat God 'buiten elke aandoening van perturbatio (verwarring, radeloosheid) staat', daarvan geenszins het bewijs. Wat Calvijn ontkent, is niet het gevoel als zodanig, maar het gevoel van verwàrring. Het eerste schrijft Calvijn God elders (bijv. in Ps. 25 : 6) toe. Het tweede zou op een al te menselijke zwakte wijzen, die hij niet in overeenstemming acht met Gods macht en majesteit. Mijn vraag is of Calvijns tastende en kennelijk beweeglijke vertolking van Gods aard filosofisch moet heten, òf juist kan worden beschouwd als een (uiteraard) menselijke poging om recht te doen aan een voluit Bijbelse spanning. Calvijns God is niet gevoelloos, maar evenmin machteloos.
Beweging
De tweede vraag betreft het gesuggereerde verschil tussen Calvijn en art. 17 van de N.G.B. In de zinsnede dat God 'zich begeven heeft' om de vluchtende mens te zoeken, ziet Van Eck een beweging verwoord die Calvijn vreemd zou zijn. Maar, zegt Calvijn zakelijk niet juist hetzelfde, wanneer hij bijv. in zijn Institutie van 1536 (OS I, 78) schrijft, dat door onze zonde de zaak verloren was geweest, wanneer niet Gods majesteit zelf tot ons zou zijn nedergedaald, aangezien er onzerzijds van opklimmen geen sprake was?
Praedestinatie
De derde vraag regardeert Calvijns praedestinatieleer. Terwijl Van Eck in zijn hoofdstuk over de Bovengrens het verstaan van deze leer op een verhelderende en m.i. vruchtbare manier plaatst in het raamwerk van het diepe onderscheid tussen God en mens, waarbij, ten eerste. God in volstrekte vrijheid aan alle menselijke criteria voorbijgaat, ten tweede, de menselijke nieuwsgierigheid zonder reserve wordt teruggedrongen binnen de grenzen van wat geoorloofd is te weten, en, ten derde, de mens nochtans in de spiegel die Christus is, volkomen betrouwbaar zijn verkiezing afleest, poneert de auteur in zijn slothoofdstuk dat God in Calvijns uitverkiezingsleer geen gelaat heeft dat ons aanziet. 'Slechts op enkele plaatsen breekt enig licht door en krijgt het goddelijke beslissen enigszins contour' (250). Vanuit mijn omgang met Calvijn wijs ik dit oordeel als een vergissing af. Maar bovendien vraag ik hoe het zich laat rijmen met Van Ecks eigen aanvankelijke benadering.
Dordt
De vierde vraag is of het niet eveneens op een vergissing berust, Calvijn tegen Dordt uit te spelen op het punt van de ernstig gemeende roeping. Ook Calvijn horen we zeggen dat Christus in het Evangelie aan allen zonder onderscheid het heil aanbiedt en Zijn armen uitstrekt om allen te omvatten, met slechts dit ene doel, om allen tot Zich te trekken en te behouden (comm. Joh. 12 : 47). En wat de spanning tussen Gods welgemeende, geopenbaarde heilswil en Zijn verborgen raadsbesluit aangaat: die lijkt me in de Leerregels niet minder hoog op te lopen dan bij Calvijn. Zij bewegen zich veeleer precies in diens geest.
Wijziging
De laatste vraag is of Van Ecks pleidooi voor een nieuwe invulling van Calvijns praedestinatieleer slechts betekent dat 'men de lijnen die Calvijn trekt enigszins zat moeten bijbuigen' (254). Zijn voorgestelde wijziging, zeg maar in de richting van Kohlbrugge's (misschien meer nog van Noordmans) conceptie, waarin Gods welbehagen wordt opgevat als een voorkeur voor het minste en geringste, vereist naar mijn idee eerder een ingrijpend alternatief dan een luttele ombuiging.
Kohlbrugge
Nog een laatste moment van kritiek. Het gaat Kohlbrugge aan. Het is bekend dat deze Gods voornemen verstaat als Zijn voorkeur voor het zwakke en niets-geachte (1 Kor. 1 : 27v.). Van Eck leest daarin: een voorkeur voor het sociaal achtergestelde. Ik denk echter dat Kohlbrugge op deze manier over zijn eigen grenzen wordt heengedreven. Voor zover ik hem begrepen heb, heeft hij veeleer het oog op hen die zich louter zondaar weten en geen deugd of daadkracht hebben om aan de vrijmacht van de genade tegemoet te komen. M.a.w., ook deze benadering staat geheel in het teken van de rechtvaardiging van de goddeloze. Bij mijn weten vormt Kohlbrugge's verkiezingsprediking zonder uitzondering dáárvan de articulatie. Karakteristiek is een zin als deze: 'Wanneer God zulk een raad heeft opgevat, dat Hij Zich ontfermt alleen over ellendigen en over degenen die niets zijn, zo zij deze wil hoog geprezen. Laten wij maar ellendigen, armen, verlorenen zijn, die bij God niets te roemen hebben; buigen wij ons onder een heilsverordening naar welke wij niet als godzaligen, maar als goddelozen begenadigd worden…'
Dank
Tenslotte. Ofschoon het wel overbodig zal zijn, zeg ik het toch: ik heb ontzag voor Van Ecks lees-, denk- en pennevrucht. Hij is een theoloog die ongetwijfeld nog veel méér in zijn korf heeft. Wij houden ons aanbevolen. Voor het thans gebodene past ons lof en dank. Het brengt ons dichter tot Calvijn, de man die zelfs wanneer hij zich op de hoogte van het theologisch denken beweegt, zich nooit ontslagen wist van de zorg om 'de arme, gekwelde gewetens' (J.D. Benoit). Het brengt ons dichter tot de zaak die door de theologie gediend wil zijn: mens te wezen voor Gods aangezicht, ook in onze ontgoddelijkte en daarmee veelszins ontmenselijkte tijd.
A. de Reuver, Delft
N.a.v. J. van Eck: God, mens, medemens. Humanitas in de theologie van Calvijn, Franeker 1992, 259 pag., ƒ 39,50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's