Aspecten die de overdracht hinderen
De overdracht van de Boodschap (2)
In dit tweede deel wil ik nu enkele aspecten aanduiden, die de overdracht van de Boodschap in de weg staan, dit afgezien van het algemene gegeven, dat het Evangelie het hart van de natuurlijke mens niet méé heeft.
De kwestie van de jacht van het leven noemde ik al. Ik noem ook – kort, omdat het zo langzamerhand een open deur is – de kwestie van de welvaart, de luxe van het leven. Het materialisme, de 'geldgierigheid' is de wortel van alle kwaad, zegt de Bijbel. Dat wil zeggen materie-begerigheid – want dàt is het materialisme ten diepste – is de wortel van alle kwaad. De kernzonde van de mens is nog altijd het begeren. Als we dan een Schriftwoord lezen als in Psalm 73: 'Mijn verdrukking is er elke morgen', hoe moeten we dat dan duiden? Zo'n woord geldt immers voor landen, waarvan we de beelden zien: Somalië, Joegoslavië en zoveel andere landen van de wereld. Mijn verdrukking is er elke morgen? Die verdrukking hebben wij toch niet? Wij zijn vandaag bepaald niet gemeente onder het kruis. We zijn rijk en verrijkt en we hebben aan geen ding gebrek. 'Gij weet niet, dat ge zijt jammerlijk, blind en naakt', zegt het boek Openbaring intussen. De onthechting, de vreemdelingschap is ons zo langzamerhand vreemd.
Mondigheid
Een belàngrijke verhindering is de moderne mondigheid. We leven in het 'ik-tijd-perk'. Ik ben er ook nog. Men kan zeggen, dat die houding er altijd al is geweest: de rebellie tegen God, 'geen God en geen Meester'. Dat is waar. De mens wil baas zijn in eigen leven, op allerlei terreinen. Vandaag krijgen we in ons gedemocratiseerde levensbesef allemaal ook het rècht om ons zegje te doen. Ik mag er ook zijn. Als dan echter de Schrift ons leert, dat de mens moet 'sterven aan eigen ik', dan is dat een woord, dat ons weliswaar zeer bekend is. Maar wat betékent dat, als overal in het leven vandaag je 'ik' tot zijn rècht moet komen; en ook tot zijn recht kòmt vaak!
We zijn – leert de Schrift – onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? Is dat nu echter in de levenspraktijk zo? Zíjn we nu echt zo onbekwaam tot enig goed? We kunnen toch aardig wat presteren? Nu geloof ik, dat dat woord niet slaat op wat we aan mogelijkheden van creativiteit en arbeid gekregen hebben. 'Onbekwaam tot enig goed' slaat daar niet zo zeer op als wel op het ontvangen van de genade. Dàn alleen en vooral zijn we onbekwaam tot enig goed. Maar in ieder geval, dat onbekwaam zijn tot enig goed en dat sterven aan jezelf, zijn elementen, die in het 'ik-tijdperk' toch wel zeer versluierd raken.
En voorts: de ander, de dominee, of ook de leider in het jeugdwerk, hij kan me nog meer vertellen!
Wat dan bij de overdracht voornamelijk afstuit vandaag – en ik denk, dat we dat allemaal herkennen – is een moraliserende overdracht. Mensen voelen zich mondig. 'Dat maak ik zelf wel uit'. Jongeren vooral tonen dat besef. Ze laten zich niet zo maar de les lezen over hoe ze moeten leven vandaag.
Daarom moet de ontvanger van de boodschap worden meegenomen náár en overtuigd worden vàn de echte autoriteit, de autoriteit van het Woord Gods. Hij moet meegenomen worden naar de echte vrijheid, naar de vrijheid van een christenmens, die anders is dan de vrijheid van het moderne leven, die gekenmerkt is door het afwerpen van alle banden. De mens moet meegenomen worden naar de vrijheid, die in Christus is en die dan ook een begrènsde vrijheid is, en dáárom ook alleen maar èchte heilzame vrijheid.
Christelijke vrijheid wordt begrensd door de normen van het Woord Gods en door de heilzame geboden daarvan. Die vrijheid wordt ook intussen nog een keer begrensd door 'de ander'. Als er staat in het Nieuwe Testament, dat 'mijn vrijheid niet geoordeeld wordt, door het geweten van de ander' (1 Cor. 10 : 29) bedoelt Paulus daar niet mee te zeggen: Ik ga m'n eigen gang en ik heb met dat geweten van de ander niets te maken. Nee, de bedoeling is juist: mijn vrijheid, die ik in Christus heb, zal niet in Gods oordeel tegen mij getuigen, omdat ik een verhindering was voor het geweten van de ander.
Vrijheid is begrensde vrijheid, genorméérde vrijheid. Daar zullen we in de overdracht ook de mensen naar toe moeten brengen en lokken.
Zo ook zullen we laten uitkomen, dat de normen van het Woord Gods en van de wet heilzaam zijn.
Gemis aan schuldbesef
Gemis aan schuldbesef is verder een heel wezenlijk element met betrekking tot de overdracht.
Wat is echter genade als er niet sprake is van schuld? Wat is beléving van genade als er niet sprake is van beléving van schuld? Psalm 32 zegt:
'k Bekende, o Heer', aan U oprecht mijn zonden.
'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden,
maar ik beleed na ernstig overleg,
mijn boze daân, Gij naamt die gunstig weg.
Zonde en schuld, zondebesef en schuldbesef vormen, zonder dat ze eenzijdig geladen mogen worden, de diepe grondtonen van de Schrift, waartegen juist de lichtglans van de genade in het bijzonder afsteekt.
Dan gaat het enerzijds om de daad: mijn boze daân, Gij naamt die gunstig weg. Maar het gaat ook om het kwaad ìn mij, het kwaad, dat 'in mij werd gevonden'. Die twee hangen samen. Het gaat niet alleen om onze concrete daden, maar om ons hele zondige bestaan voor God.
Welnu, moeten we niet eerlijk zeggen, dat we vandaag ten aanzien van wat concreet zonde mag heten een geweldige tolerantie hebben gekregen in de samenleving en dat de normen enorm zijn verlegd? Maar dat is niet beperkt gebleven tot de samenleving. Dat is ook niet zonder gevolgen gebleven in de gemeente zelf. De grenzen van de tolerantie zijn sterk verschoven. Wat is nog zonde? En wat is dan ook nog schuld?
Ik geef een voorbeeld. In één van de boeken van A.M. de Jong, 'Merijntje Gijzen' gaat het erover hoe Merijntje op een bepaald moment pruimen steelt in de tuin van meneer pastoor. Daarover gaat hij biechten. Hij gaat met knikkende knieën naaf de pastorie om z'n zonden te belijden, maar op het moment dat de deur openzwaait, zegt de pastoor tegen hem: 'Merijntje wil je meezingen in het koor van de kerk?' Met andere woorden – zo hoorde ik een keer als toepassing van dit verhaal – de genade was de schuldbelijdenis al vooruit. Eigenlijk is dat best een mooi gegeven, om eens een keer mee te nemen in een overdenking. Maar wie praat er nu vandaag nog over het stelen van een pruim? Een pruim stelen in de tuin van meneer pastoor is toch geen stelen? Dan moet je vandaag op z'n minst een auto kraken, als dàt althans ook vandaag nog zonde wordt genoemd.
Het gaat daarom om de vraag: wat beleven mensen nog als zonde en dàn ook als schuld? Om het nu maar wat algemener te zeggen: Wanneer in het verleden werd gesproken over een leven in de zonde, dan ging het om cafébezoek, de kermis, dansen, de bioscoop en het stadion, met name op zondag. We kunnen ons nauwelijks nog voorstellen, hoe sterk hier het slijtageproces is, dat in enkele tientallen jaren tijds is ingetreden in de christelijke levensstijl.
Het is natuurlijk een open deur om hier de televisie te noemen. Doordat de televisie echter grosso modo bezit genomen heeft van het gezinsleven is alles, wat vroeger taboe was en waar een christen zich verre van hield, binnen handbereik, liever nog binnen oog- en oorbereik gekomen. We behoeven maar te noemen het sportjournaal op zondag en de film, waarbij de toevoeging 'boven 18 jaar' volstrekt zinloos is geworden.
En dan het geweld, waar kinderen bij opgroeien. Men moet eens verhandelingen lezen over televisie in de gezinnen in Amerika. Daar is uitgebreid onderzoek naar verricht. Daar brengen kinderen meer tijd voor de televisie door, met alle soorten programma's, dan tijd, die ze op school vertoeven.
De moderne kermis, de moderne bioscoop, het moderne sportveld, het is allemaal binnen enkele vierkante meters in de huiskamer samengetrokken. Dat heeft een grote vervaging in levensstijl teweeggebracht. Met een glijdende schaal ten aanzien van zaken, die acceptabel geworden zijn binnen de samenleving en in de tweede instantie ook binnen de christelijke gemeente, is derhalve het besef van wat nog zonde mag heten, enorm uitgehold. En waar het besef van wat zonde is in concrete dáden uitslijt, daar slijt ook het besef weg, dat de mens als zodánig zondig is, zondaar is voor God. Zelfs aangaande verontrustende zaken in de ethiek, waar een deel van de christenen enkele jaren geleden nog tegen te hoop liep, treedt gewenning op en is er sprake van een slijtageproces. Dat móét allemaal wel invloed hebben op de innerlijke beleving van schuld.
Genade en schuld
Maar nochtans, wat is genade zonder schuld? 'Alleen ken uw ongerechtigheid' zegt Jeremia (Jeremia 3 : 13).
'O God wees mij zondaar, de zondaar genadig' lezen we in Lukas 18 en 'ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?' zegt Paulus in Romeinen 7. Waarop hij dan direct laat volgen: 'Ik dank God door Jezus Christus'.
Calvijn zegt, dat de mens in de prediking – en dat geldt voor elke overdracht – moet worden gedaagd voor de rechterstoel van Christus vanwege zijn innerlijke verdorvenheid, vanwege zijn grote schuld. De gemiddelde mens van vandaag is zich echter van geen kwaad bewust. Hij heeft niemand ooit kwaad gedaan, heeft ieder het zijne gegeven, en àls er een keer wat fout is gegaan, moet je het compenseren door goede daden. Het gevaar is nu, dat de prediking zelf er ook het zwijgen toe gaat doen en dat in de overdracht ook over de concreetheid van de zonde en de concreetheid van de verdorvenheid van het menselijke bestaan voor God gezwegen gaat worden. Als dat het geval wordt, wordt genade echter wel helemáál goedkope genade.
Dan mogen we terecht nog weer eens aandacht vragen voor Psalm 32, waar David zegt: 'Toen ik zweeg, verouderden mijn beenderen in mijn brullen de ganse dag'. Dan wordt God inderdaad de Verborgene. Wanneer wij ons niet schuldig wéten en het ook niet uiten voor Zijn heilig Aangezicht, kan er ook niet ten diepste de beleving van de genade. Daarom zal desalniettemin de prediking, in en vanuit de moderniteit van het leven, ook nochtans de schuldige mens op het spoor moeten komen, om uiteindelijk ook die mens vandaag te brengen bij wat in Psalm 32 wordt genoemd 'de vindenstijd'. 'Daarom zal U ieder heilige aanbidden in de vindenstijd'. En dàn wordt de Heere God een Verberging genoemd, maar dan niet meer in de zin van de Verborgene, maar in de zin van Schutse, Schuilplaats, Burcht om in te wonen, om in te schuilen, bij Wie een mens veilig is! Dat is hèt antwoord op Godsverduistering.
Wij kunnen, dunkt me, niet diep genoeg doordrongen zijn van de crisis van het schuldbesef. Waar dit gemis aan het besef van zonde en schuld wordt overschreeuwd door halleluja-roepen, ontbreekt pijnlijk het nochtàns, het nochtàns van het geloof, het nochtàns van de genade.
Wellicht moeten we vandaag leren om het besef van zonde en schuld zó te verwoorden, dat het een plek heeft midden in de Godloosheid van het brede, menselijke bestaan en daarmee in de goddeloosheid van de uitingen van onze cultuur, om vervolgens toch weer terug te komen bij het menselijk hart, dat voor niets te goed is en dat ook vandaag aangewezen blijft op pure genade. Misschien moet de insteek wel zijn, dat gemis aan schuldbesef de diepste schùld is.
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's