De opvolging van prof. dr. C. Graafland
Nu de dagbladpers omstandig heeft bericht omtrent de opvolging van prof. dr. C. Graafland te Utrecht, willen we hier enige nadere opening van zaken geven omtrent deze kwestie, die wat ons betreft niet anders dan als hoogst ongelukkig kan worden aangemerkt.
In 1972 werd dr. C. Graafland, toen predikant te Amsterdam, door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond benoemd als bijzonder hoogleraar vanwege de Gereformeerde Bond aan de theologische faculteit van de Rijks Universiteit te Utrecht. De leerstoel, die voordien (partieel) bezet was door prof. dr. J. Severijn, die tevens staatshoogleraar was, werd bij de benoeming van Graafland ingevuld tot een voltijdse functie, die helemaal werd bezoldigd door de Gereformeerde Bond. Toen prof. dr. S. van der Linde terugtrad als (staats)hoogleraar aan de theologische faculteit te Utrecht in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme, kreeg prof. Graafland een deel van diens leeropdracht, in een functie niet als hoogleraar maar als universitair docent. Die dubbelfunctie bleek een gelukkige combinatie te zijn, omdat prof. Graafland zo ook als bijzonder hoogleraar een volwaardige plaats had in het onderwijs, dus in het zogeheten curriculum. Als zodanig heeft prof. Graafland ook een groot aantal promovendi kunnen begeleiden, die uiteindelijk onder zijn verantwoordelijkheid konden promoveren.
Toen bekend werd, dat prof. Graafland afscheid zou gaan nemen van de Utrechtse faculteit (met ingang van 1 september a.s.) rees de vraag hoe de opvolging zou worden geregeld. Van meet af is er nauw overleg geweest tussen het bestuur van de theologische faculteit te Utrecht en het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, waarbij ook professor Graafland zelf regelmatig is geraadpleegd. Van alle kanten, dat wil zeggen èn door de theologische faculteit èn door prof. Graafland èn door het hoofdbestuurvan de Gereformeerde Bond, is vanaf het begin de wenselijkheid onderstreept, de dubbelfunctie te continueren. Dit vanwege het feit dat, gegeven de huidige structuur van het theologisch hoger onderwijs, een bijzonder hoogleraar, die niet een plaats heeft in de facultaire onderwijsopdracht, droog zwemt en van hogen huize moet komen, wil hij studenten aan zich verplichten. Dit werd zowel door professor Graafland als door de voorzitter van het faculteitsbestuur, prof. dr. R. van den Broek, sterk benadrukt (laatstgenoemde sprak ook uit eigen ervaring).
Voor de functie van universitair docent moest echter wel een advertentie in enkele bladen worden geplaatst, waarin gegadigden werden opgeroepen te solliciteren. In nauw overleg met het bestuur van de faculteit zijn toen twee doctores uit hervormd gereformeerde kring gevráágd om te solliciteren. Het waren kandidaten, die ook door het bestuur van de faculteit als zéker acceptabele kandidaten werden aangemerkt. Doof de onderscheiden partijen werd wel beseft, dat benoeming in een dubbelfunctie nú gecompliceerder was dan toen prof. Graafland in de staatsfunctie als universitair docent werd benoemd, namelijk toen hij al bijzonder hoogleraar wàs. Er moest nu een persoon worden gevonden, die door beide partijen gewenst was. Gezien echter de zorgvuldige weg, die in het overleg gegaan was, bestond er gerede verwachting, dat één en ander slagen zou.
Intussen reflecteerden zesentwintig personen op de advertentie. De afloop is bekend. De benoemingscommissie heeft niet een persoon uit de kring van de Gereformeerde Bond voorgedragen voor de functie van universitair docent in de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme, maar de confessionele dr. W.J. van Asselt, hervormd predikant te Bennekom. Daarmee kwam de functie van bijzonder hoogleraar vanwege de Gereformeerde Bond in de lucht te hangen.
Desgevraagd heeft de voorzitter van de Gereformeerde Bond er naar de pers toe geen onduidelijkheid over laten bestaan, hoe teleurstellend voor het hoofbestuur van de Gereformeerde Bond deze beslissing is. Het uiteindelijke resultaat is zowel voor het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond als voor prof. Graafland maar ook voor hen, die uit hervormd gereformeerde kring werden gevraagd te reflecteren, een klap in het gezicht. Dit is niet gezegd om daarmee af te dingen op de kwaliteit van de benoemde – hij zij bij deze gefeliciteerd! – maar wel gezien de zorgvuldige procedure, die bijna een jaar in beslag nam, èn gezien de adviezen van de faculteit zelve. Eén en ander is ook niet gezegd, omdat de Gereformeerde Bond rechten zou hebben op een post aan de staatsfaculteit. Maar wel moeten we met droefheid constateren, dat het nu kennelijk niet meer mogelijk is een bijzonder hoogleraar vanwege de Gereformeerde Bond te benoemen, die een volwaardige plaats heeft in het onderwijs te Utrecht. Een traditie van jaren is hiermee beëindigd. De benoeming van een bijzonder hoogleraar op zich staat bovendien bij voorbaat onder een hypotheek, die in Utrecht zelf in het vooruitzicht is gesteld.
Er moet ons nog één ding van het hart. In het Hervormd Weekblad (Confessionele Vereniging) mocht de heer G. van der Stouw, Bennekom, nog enig salpeterzuur wrijven in de wonde. Zonder enig begrip voor rechtmatige teleurstelling in de kring van de Gereformeerde Bond meende hij, niet gehinderd door enige (vóór)kennis van zaken, het hoofbestuur van de Gereformeerde Bond te moeten gispen omtrent het feit, dat men met de staatsfaculteit in overleg was getreden. Dat zou een soort monsterverbond zijn geweest. Dat één en ander gepaard moest gaan met denigrerende opmerkingen, onder andere over geestelijke zaken, die meer zeggen over de attitude van de heer Van der Stouw dan dat ze op de zaak zelve betrekking hebben, was wel het dieptepunt in deze confessionele oprisping. Tegenover zijn opmerking overigens, dat de Gereformeerde Bond als modaliteit toch geen rèchten kan laten gelden bij benoemingen, stellen we, dat confessionelen zelf al jarenlang steen en been klagen over het feit, dat ze niet meer in tel zijn bij benoemingen.
De vele reacties op het Utrechtse gebeuren maken intussen wel duidelijk, dat in brede kring verontwaardiging heerst over de gang van zaken. De beslissing, die genomen is, is niet alleen onbegrijpelijk als we letten op de gevolgde procedure, ze is temeer onbegrijpelijk als we zien hoe groot het aantal hervormd gereformeerde studenten is in Utrecht. Maar goed, op die studenten heeft Utrecht ook niet het alléénrecht. Dat heeft onze voorzitter ook willen zeggen toen hij Leiden in zijn reactie naar de pers toe betrok.
Voorlopig houden we het erop, dat 'Utrecht' zichzelf een slechte dienst heeft bewezen.
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's