Woord èn Geest (4)
Pinksterfeest is het feest van de uitstorting van de Heilige Geest! Nooit of te nimmer is deze Geest los te zien van het Woord. Naar het woord van Calvijn is Hij de Geest van het Woord.
't Is onder leiding van de Heilige Geest dat de apostelen het Evangelie verkondigen. Zij krijgen er niet genoeg van om te spreken van de ene Naam die onder de hemel gegeven is tot zaligheid. Wanneer zij de 'magnalia dei' (de grote werken Gods) verkondigen, doen zij dit door de Heilige Geest. Dit is dan ook de oorzaak dat Stefanus tot de joden kan zeggen, dat zij altijd de Heilige Geest weerstaan, wanneer zij in bittere vijandschap tekeer gaan tegen wat hij zegt.
Nauwe relatie
Er blijkt tussen het Woord en de Geest een heel nauwe relatie te bestaan. Men mag deze relatie wel onderscheiden, maar daarin geen scheiding aanbrengen. Ook is het niet zo dat men het Woord in de Geest mag laten opgaan òf omgekeerd. Die nauwe betrekking moet men laten zoals die is.
Intussen betekent dit wel een bijzondere verantwoordelijkheid voor hen die het Woord horen. Wie mocht denken, dat men vrijblijvend onder de prediking kan zitten, heeft het bij het verkeerde einde. Men gaat nooit als dezelfde mens de kerk uit. Of wij zijn wat dichter bij de Heere of wat verder bij Hem vandaan. Wat dit laatste betreft, heeft dit déze oorzaak, dat het Woord niet wordt gehoord, d.i. gehoorzaamd. En als het Woord niet wordt gehoorzaamd, wordt de Heilige Geest bedroefd. 't Kan zelfs zo ver komen dat men de Heilige Geest uitblust.
't Zal ons uit het bovenstaande wel duidelijk zijn, dat het niet om het 'even' is, hoe men de prediking aanhoort. Ook moet men niet denken dat het niet belangrijk is, hoe men zich op de dienst des Woords voorbereidt. Wie op zaterdagavond als het ware al niet toeleeft naar de prediking van Gods Woord, moet wel bedenken wat men doet. Een uiterste consequentie is dat men de Heilige Geest weerstaat!
Soms wordt er in het pastoraat geklaagd, dat men aan de prediking weinig òf niets heeft. De oorzaak daarvan kon o.a. wel eens de zeer slechte voorbereiding op zaterdagavond zijn. En dan denk ik in dit verband niet alleen aan het feit dat men zich door de meest moderne communicatiemiddelen laat volgieten. Maar ook allerlei zogenaamde bezoekjes aan familie, vrienden en kennissen zijn niet altijd direkt geschikt om de volgende dag (zondag) de Heilige Geest in ons te laten werken. Deze prachtige uitdrukking 'de Heilige Geest in ons laten werken' is uit de Heidelbergse Catechismus. Voor dat werken van de Heilige Geest móet er dan wel ruimte zijn. Maar ook dit is waar: die ruimte moet door ons dan ook wel aan de Geest worden gegeven. Een goede voorbereiding is derhalve dringend nodig.
Dat geldt nog meer voor de predikant. Zijn bediening behoort te zijn een levende bediening. Terecht merkt W. Kremer op, dat de predikant geen postbode is. Laatstgenoemde bestelt de poststukken zonder dat hij weet wat die poststukken bevatten. Hij heeft daarmee ook niet te maken. Zijn taak is om de stukken aan huis af te leveren.
Maar zo is het niet met de verkondiging door een prediker. Wat hij doorgeeft, behoort door hemzelf heengegaan te zijn. Dat zal aan zijn prediking altijd warmte en glans geven. 't Wordt ook vaak door de gemeenteleden gehoord of de prediker zelf aan het leven met de Heere deel heeft.
De prediker behoort de Afzender van de Brief, de inhoud van de Brief en de geadresseerde van de Brief te kennen.
Toch kan het gebeuren dat de nauwe relatie tussen Woord en Geest verbroken wordt in de prediking. Ik denk nu aan een heel extreem geval, nl. dat er gesproken wordt over openbaringen van de Geest buiten het Woord om. Innerlijk licht en al wat er meer mag zijn wordt dan gesteld boven de openbaring door de Geest vanuit de Openbaring, d.i. Gods Woord. De ervaring wordt dan openbaring. Door dit alles moeten wij echter maar een hele dikke streep halen en dit alles wegdoen als van nul en generlei waarde zijnde. Wie ervaring boven de Openbaring stelt, dwaalt op een verschrikkelijke wijze en men doet anderen dwalen. Maar er is nog een manier waarop in de prediking van het Woord die nauwe relatie tussen Woord en Geest teloor kan gaan. Ik denk in dit verband aan een puur beschrijvende prediking of aan een verkondiging, waarin alleen maar gezegd wordt, hoe het niet is. Dit laatste is niet onbelangrijk, maar wie daarin blijft steken in de prediking, kon de Heilige Geest wel eens bedroeven. Dit is trouwens ook van toepassing als de Heere de weg wordt voorgeschreven die Hij met mensen moet gaan. De wegen kunnen zo heel verschillend zijn, hoewel men elkaar op kruispunten (ellende, verlossing en dankbaarheid) kan ontmoeten.
'k Wil met dit alles maar zeggen, dat ook wij als predikers de Heilige Geest wel eens kunnen weerstaan om in het midden van de gemeente te werken. Constant zelfonderzoek voor Gods aangezicht is nodig om van de Heere te vernemen of men in Zijn weg is en de gemeente inderdaad de volle raad Gods voorhoudt.
Hetzelfde kan gezegd worden
Omdat de Geest is de Geest van het Woord, komt het in de Schrift voor, dat in het ene Bijbelboek een bepaalde zaak aan het Woord wordt toegeschreven, maar in een ander Bijbelboek aan de Geest.
Hetzelfde zien wij gebeuren in de Dordtse Leerregels. Op een rijke manier wordt er gesproken over de Heilige Geest en Zijn werk: 'Hij opent het hart, dat gesloten is; Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is. In de wil stort Hij nieuwe hoedanigheden; en maakt, dat die wil, die dood was, levend wordt; die boos was goed wordt, die niet wilde, nu metterdaad wil; die weerspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en sterkt die wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen'.
Wanneer men het bovenstaande zo leest, zou men kunnen denken dat er van enige relatie tussen Woord en Geest geen sprake meer is. Men vergist zich. Want hetzelfde kan volgens de Dordtse Leerregels ook van het Woord Gods worden gezegd. Om die reden wordt er in artikel 17 gewezen op het Evangelie, waardoor de Heilige Geest dit alles werkt.
Van het werk des Geestes buiten het Woord om is dus geen sprake. Met name in onze tijd kan dit niet nadrukkelijk genoeg gezegd worden. Niet alleen de ether, maar ook het leven van velen is zwanger van ervaring zonder dat men iets hoort van de Openbaring. Zo'n spiritualiteit heeft geen enkele waarde. Ten diepste is men bezig te zuigen op een godsdienstige fopspeen van de allerslechtste soort.
Afrondend stel ik: zowel in de Schrift als in de belijdenisgeschriften (onder andere in de Dordtse Leerregels) wordt van het Woord hetzelfde gezegd als van de Geest en omgekeerd, hoewel de onderscheiding tussen die twee blijven bestaan en zij dus in géén geval in elkaar opgaan.
Gebrek aan waardering
Helaas moet worden opgemerkt – hoewel wij beter kunnen weten – dat ook onder ons de onderscheiding tussen Woord en Geest zo dikwijls tot een scheiding wordt. Hoe vaak wordt het niet op huisbezoek gehoord: als de Heilige Geest mij toch eens dit òf dàt deed 'gevoelen'. Meestal dan buiten het Woord om! Men zal verstaan dat door deze scheiding de eerbied voor het Woord verdwenen is.
Maar hier komt nog iets bij. In de brieven van Paulus kan men meer dan eens lezen, hoe men behoort te leven. Niet alleen heel persoonlijk, maar ook in het huwelijk, in de samenleving, in de gemeente. De apostel zegt hierover heel concrete dingen. Als een ieder er zich werkelijk aan hield, zou veel er anders uitzien.
Toch waarderen sommige mensen deze praktische gedeelten uit de brieven van Paulus niet zo erg. 't Is een heiliging van het leven, die hun niet zo ligt. Vervalt men daarmee niet in wetticisme?
Wat wordt daarbij over het hoofd gezien? Men vergeet dat waartoe de apostel aanspoort, getuigenissen en aansporingen van de Heilige Geest zijn, waardoor de Heilige Geest in het hart werkt datgene, waartoe Hij ons aanspoort.
In dit verband maak ik nog een opmerking, die niet helemaal losstaat van het bovenstaande. Laten wij voorzichtig zijn met onderscheid in de Schrift zelf aan te brengen. Heel de Schrift is door de Heilige Geest geïnspireerd. Wij doen er niet goed aan door bepaalde zaken, die ons niet aanstaan of waarvan wij denken dat die ons in het heden niets meer hebben te zeggen, te schrappen. Laten wij in de goede zin van het Woord maar 'fundamentalist' zijn. Dat wil zeggen: wij houden ons aan het gehele Woord. De Heilige Geest mogen wij geen oneer aandoen door bepaalde zaken weg te laten of te schrappen. Wordt dit door ons wel gedaan, zo tonen wij daarmee een gebrek aan waardering aan het gehele Woord.
Wedergeboorte zonder het Woord?
Is er sprake van wedergeboorte zonder het Woord? Ds. W.L. Tukker wijst in 'De orde van het heil' erop, dat God soms genade schenkt aan jong geboren kinderen, zelfs aan mensen vóór hun geboorte. Te denken valt aan Johannes de Doper, die opsprong in de schoot van zijn moeder als de groetenis van de moeder des Heeren tot zijn moeder kwam. De genade van God bezat déze Johannes van de moederschoot af aan. Ook kan ik Jeremia noemen. Hij heeft zijn roeping van zijn moederschoot af aan gehad.
't Moet gezegd worden dat de Geest van God vrij is om bij de geboorte, zelfs vóór de geboorte genade mee te delen. Zowel bij Johannes de Doper als bij Jeremia is het niet de prediking van het Woord, maar het rechtstreekse handelen van God het middel tot wedergeboorte. Toch gaat het meestentijds niet zo, hoewel ik niet uitsluit dat er al heel wat kan zijn, wanneer een kind in de moederschoot groeit. Ik zou echter mijzelf tegenspreken als ik stel dat dit Gods gewone weg is. Dat is die niet! Wellicht moet gesproken worden over een extra-ordinaire, d.i. buitengewone weg.
Neen, het middel dat de Heilige Geest gebruikt voor de wedergeboorte is het Woord. De Heilige Geest paart Zich aan het Woord, dat Woord dat Hem lief is, dat Hij zelfheeft ingegeven aan de heilige mannen Gods, dat Woord gaat Hij hanteren. Dat kan gebeuren, wanneer men thuis het Woord leest en onderzoekt. 't Kan ook gebeuren als de Woordverkondiging plaatsvindt en men zijn plaats in de kerk heeft ingenomen. Omdat de kerk de werkplaats is van de Heilige Geest, moet men ook maar nooit zijn plaats leeg laten.
De Geest werkt middellijk, d.i. door het Woord. Trouwens, wanneer Petrus in 1 Petrus 1 : 23 de kinderen Gods aanspreekt, zegt hij tot hen: 'Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergangelijk, maar uit onvergangelijk zaad, door het eeuwigblijvende Woord van God'. Ook op andere plaatsen horen wij meer dan genoegzaam spreken over het Woord Gods als het zaad der wedergeboorte.
'k Heb met dit alles willen aantonen, dat wij niet naar geestelijk leven buiten het Woord om moeten staan. Dat voert ons van de rechte weg.
(Wordt vervolgd)
G.S.A. de Knegt, Barneveld
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's