Een 'eersteling' om niet te vergeten
Met betrekking tot de belangstelling voor Israël in de na-oorlogse jaren, geldt van de Nederlandse Hervormde Kerk dat zij niet alleen vele kerken hier te lande, maar ook over de grenzen, ver vooruit is geweest. Als de rijpe vrucht van bezinning die al vóór 1940 in gang was gezet en in de jaren van de lijdensweg zonder weerga voor het joodse volk werd voortgezet, had de Nederlandse Hervormde Kerk als eerste een kerkorde waarin gesproken wordt over de roeping van de kerk tot Israël. Dat er in de Nederlandse situatie niets teveel is gezegd als we deze lof de vaderlandse kerk toeschrijven, blijkt hieruit dat er kerken, o.a. van de Afscheiding, zijn waar deze bezinning recent op gang kwam of nog moet komen. We zien niet over het hoofd dat genoemde lof veel van haar glans verloor door recente kerkordewijziging op dit punt.
In deze vernieuwde belangstelling voor Israël hebben Messias-belijdende joden nauwelijks gedeeld. Als eerstelingen van de oogst die God ook uit Israël zal binnenhalen, zijn zij vaak 'vergeten eerstelingen'. Sommigen kennen wij ten dele. Zoals Christiaan Salomon Duytsch die zijn leven beschrijft in 'De wonderlijke leiding Gods'. Gunstige uitzondering is Isaäc da Costa, bekend van zijn 'Bezwaren tegen den geest der eeuw'. Ook hij dreigt vergeten te worden als wij niet meer van hem weten. Dr. J. Haitsma heeft dat gevaar bezworen en in de serie 'Vergeten eerstelingen' een deel gewijd aan Isaäc da Costa. Bij lezing daarvan trof ons o.m. hoezeer Da Costa een profetisch inzicht in de geest van zijn tijd èn de gevolgen daarvan had. Dat is reden om ook hier aan deze enigszins vergeten eersteling aandacht te schenken.
Da Costa (geboren in Amsterdam in 1798) behoorde tot een joodse familie die sinds de 17e eeuw in ons land woonde. Hij groeide op in een tijd van ingrijpende politieke veranderingen in de wereld (Napoleons opkomst en val) en in Nederland (de republiek werd koninkrijk). Dieper grepen de veranderingen in die zich minder opvallend voltrokken op geestelijk gebied. De ideeën van de Verlichting werkten door. Menselijke rede verdrong Goddelijke openbaring. Deze stille revolutie sloop ook de kerk binnen waar de kracht van de gereformeerde leer verslapt was. Gevolg was een tolerantie die allerlei dwalingen vrije toegang gaf
Ook Da Costa ontkwam niet aan de tijdgeest, zo blijkt o.a. uit gedichten, geschreven in zijn studententijd. Toch straalde toen al licht van boven in zijn hart, zag hij later. Hij nam deel aan een privatissimum en daar, zegt hij jaren nadien in een gedicht, voelde hij 'De eerste trekking mijns harten tot den God van Abraham'. Zijn bekering volgt rond 1820. In 1822 laat hij zich samen met zijn vrouw en zijn vriend Abraham Capadose dopen. In 1823 ziet zijn geschrift 'Bezwaren tegen den geest der eeuw' het licht. Da Costa is een kind van zijn tijd als hij pleit voor het goed recht van de slavernij omdat de vloek van Cham is verbonden met de zegen dat de neger als slaaf veiligheid en welvaart geniet die veel vrijen missen. Gegeven het ontbreken van sociale wetgeving kunnen we ons bij 't laatste iets indenken. Maar wie als kind 'De hut van oom Tom' las, neemt 't eerste niet over. Desondanks spreekt Da Costa profetisch als hij zijn èn onze tijd analyseert. Scherp en ver heeft hij gezien. Zonder pardon striemt hij de kwaal van toen èn nu als hij de macht van de rede boven het Woord van God aan de kaak stelt. Samen met een verdraagzaamheid uit onverschilligheid voor de Waarheid of uit laffe toegevendheid, waardoor de kanker van het ongeloof voortvreet. En plukken wij niet de wrange vruchten van een wetenschap waarvan Da Costa zo'n 170 jaar geleden zei dat ze dient om Gods openbaring en bestaan te bestrijden? Wonderlijk, dat wat 170 jaar geleden gezegd is, vandaag voluit waar blijkt in kerk, school, wetenschap, kortom in de hele samenleving. Het zou nu gezegd kunnen zijn.
Ook tegen het klimaat (gestalten van de geest der eeuw) waarin te Groningen en Leiden theologie werd beoefend, ageerde Da Costa. Eerst had hij enige verwachting van de Groninger richting met haar ethisch karakter (niet de leer, maar de Heer), dat anders dan het dorre Rationalisme aan het leven raakte. Maar: wie is die Heer? Nader onderzoek leert dat de Groningers in Hem zien een menselijk, op God gelijkend wezen, zonder enige betrekking tot God. Bedoelen de apostelen zo'n Heere als zij Christus God noemen (Joh. 1 : 1) en Thomas belijdt: mijn Heere en mijn God? Dàn verraadt zich de Israëliet in Da Costa: Laat Groningen bewijzen dat enig Israëliet tot enig wezen buiten Jehovah gezegd zou hebben: mijn God. En als Paulus van Christus uitroept (Rom. 9 : 5) 'God, in eeuwigheid boven alles te prijzen' moet Groningen maar bewijzen dat een godvrezende Farizeeërszoon enig schepsel in hemel of op aarde kan eren met deze doxologie die alleen Jehovah past.
Da Costa's reaktie richting Leiden gold m.n. de oud-testamenticus J.H. Scholten, door hem 'de machthebber, de ziel van de Faculteit' genoemd, die de 'Napoleontische hebbelijkheid (heeft) om aan zijn studenten… zijn dogma (de historische Bijbelkritiek, vdK) even klaar als gebiedend voor te schrijven'. Het gaat Da Costa aan het hart dat in Leiden jonge mannen worden opgeleid om 'de levensdogmen van Evangelie en Hervorming weg te exegetiseren'. Voor zulke Bijbelvernielers opent de kerk, die krachtens haar Reglementen aan elke officiële dwaalleer slaafs gebonden is, haar deuren. Dit grijpt hem zo aan, dat hij de Nederlandse Hervormde Kerk verzoekt om a.s. dienaren des Woords te ontslaan van de verplichting aan een theologische faculteit te worden opgeleid. Zodat gemeenten, die daaraan behoefte hebben, langs eigen wegen jonge mannen kunnen opleiden overeenkomstig Gods Woord. Da Costa, die op het verzoek nooit antwoord ontving, heeft zelf met enkele medestanders een seminarie gesticht dat geen predikanten, maar wel een aantal decennia zendelingen en evangelisten heeft opgeleid.
Dit betekent niet dat Da Costa alleen maar naar het verleden kijkt. Hij wil ook vooruit zien. Dat blijkt als hij zijn naam niet geeft aan het Adres van de zeven Haagse heren, door Groen opgesteld, waarin wordt verlangd dat de kern van het Evangelie door de Nederlandse Hervormde Kerk wordt gehandhaafd. Als middel daartoe diene de handhaving van de drie formulieren. Da Costa deelt de bezwaren van het Adres volledig, maar ondertekent niet. Hij meent: dan zou hij het beginsel huldigen dat de Hervormde Kerk op zeker punt van haar ontwikkeling is blijven steken. Hij zegt ronduit: de opstellers van onze belijdenisgeschriften hebben aan de leer der laatste dingen weinig of geen gewicht gehecht. Da Costa erkent voluit dat belijden tot het wezen van de christelijke kerk behoort. Maar er is groot verschil tussen belijden èn ondertekenen van confessies. Voor de opwekking van de gemeenten, die verwacht mag worden van Gods Geest, is het enige middel het Woord van God. Op de vraag wat gedaan moet worden voor het behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk (daar ging het de Haagse heren om) zegt Da Costa dat de vraag van waarheid en dwaling niet enkel een rechtskundige is. Het pleit voor de waarheid en voor het behoud van de kerk is niet gewonnen door een handtekening onder de confessie. Je bent immers niet geholpen als de schuldenaar niet kan betalen, hoe rechtmatig de vordering is. Beter is hem te leren orde op zaken te stellen zodat hij aan zijn verplichtingen kan voldoen. Da Costa weet dat de bezwaarden een kleine minderheid in de kerk zijn. Moeten ze er dan maar uit gaan? Daar zijn wij nog lang niet aan toe, antwoordt hij. Wij moeten nu binnen de kerk getuigen en mogen nog niet wanhopen aan haar herstel.
Hoe heeft deze bekeerde jood gedacht over Israëls toekomst? Zomaar enkele gedachten: 'Indien de oordelen van God gedrukt hebben en nog drukken op het volk dat zijn Messias verworpen heeft, in een geenszins denkbeeldige maar alleszins tastbaar letterlijke, allerwezenlijkste historische zin; wie geeft ons het recht om van de letterlijke opvatting af te wijken zodra het geldt de wederaanneming en wederherstelling van datzelfde volk Israël?' Een andere uitspraak: 'En dit is het woord dat Hij aan de gemeente gegeven heeft tot een laatste verzegeling van Schrift en openbaring: Ik, Jezus, Ik ben de Wortel en het Geslacht van David. En zie! Ik kom haastelijk…' Was 't u opgevallen dat het Nieuwe Testament zo 'joods' eindigt? Wist u trouwens dat de uitdrukking 'Op de bodem aller vragen ligt des werelds zondenschuld' een regel uit één van de vele gedichten van Da Costa is? Inderdaad: Da Costa is doctor in de letteren en rechten, maar in wezen een theoloog, zij het zonder titel.
P. van der Kraan, Bleskensgraaf
N.a.v. dr. J. Haitsma, Isaäc da Costa (serie 'Vergeten eerstelingen'). Groen en Zoon, Leiden, 1993, 160 blz., ƒ 29,95.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's