De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Volharding (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Volharding (2)

6 minuten leestijd

'O vrouw! groot is uw geloof.'Mattheüs 15 : 28b

Het feit, dat de Heere Jezus ondanks Zijn zwijgen de Kananese vrouw wel hoorde, kan ons troosten. Maar dat neemt niet weg dat de pijn van de geloofsbeproeving er toch is. Zelfs meer en meer. Want de vrouw ontvangt geen antwoord op haar vragen maar de discipelen wèl: 'Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls'. Dat is de tweede koude douche voor de vrouw. Christus is gezonden tot Israël, het uitverkoren volk Gods. En zij hoort daar niet bij. Wie hier goed luistert, bemerkt dat de deur eigenlijk voor haar dichtvalt. Ze is een heidin, en dat is onherroepelijk. Op geen enkele wijze zal ze dat ooit kunnen veranderen. Ze is niet uitverkoren, ze is een rechteloze, niet waardig hulp te ontvangen. 'Heel dichtbij, maar niet voor mij.' Zo moet die moeder zich gevoeld hebben. En gaat ze dan weg? Zo doen nogal wat mensen, ook binnen de kerk. Onwaardig? Niet uitverkoren?! Dan heeft het allemaal toch geen zin. Doet ze zò?! Weet u, ze kan niet weg!! Ze weet: het is waar wat Hij zegt; Ik ben een heidin en ik heb geen recht en tòch moet ze bij Hem zijn.
Hier is haast voelbaar de spanning tussen zonde en genade. Je bent zondaar, voluit. En hoe langer hoe meer dringt dat zich aan je op. Zondaar, schuldig voor God; je bent een rechteloze. Eigenlijk kun je – ziende op jezelf – nooit tot de Heere gaan. En toch kun je de Heere Jezus niet missen. Herkent u dat van die vrouw? Dat haast niet durven en toch te moeten komen, omdat het niet anders kan. Onwaardig, maar zonder Heiland niet verder te kunnen.
Weet u, haar onwaardigheid doet deze vrouw niet weggaan. Integendeel! Ze komt juist dichterbij. Eerst liep ze achter Jezus aan, maar nu valt ze voor Hem neer en aanbidt Hem zeggende: 'Heere help mij!' Haar gebed wordt korter. Naarmate de nood hoger wordt, worden haar woorden minder. Ondanks alle tegenwerpingen roept ze om hulp. Intussen merkt u toch ook wel dat ze niet gaat redeneren. Dat het oneerlijk is dat de Christus gezonden is tot het huis Israëls en niet tot de heidenen. En dat het zinloos is om nu nog door te vragen. Geen spòòr van zulke gedachten; ze zegt: 'Heere, help mij'. Wat een volharding. Zou ze een opening gehoord hebben in dat woordje 'verlòren schapen'?! Dat ook zij zo'n verlòrene is, al is ze dan geen Israëlitische. Hoe het zij; nu antwoordt Jezus.
Maar Zijn antwoord is de derde koude douche. 'Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en de hondekens voor te werpen.' Nog is dus de geloofsbeproeving van de vrouw niet ten einde. Weer is er het benadrukken van de scheiding joden-heidenen. En we moeten daarbij bedenken dat het woord 'hond' in die dagen vrij algemeen gebruikt werd om niet-joden, heidenen mee aan te duiden; honden zijn onrein. In de Bijbel staat: Buiten zijn de honden.
Dat beeld neemt Jezus nu even over. Brood is voor de kinderen en niet voor de honden. Markus geeft het weer met: 'Laat éérst de kinderen verzadigd worden'. Hoor, welk beeld de Heiland gebruikt. Hij zegt niet domweg: 'Jij heidense je bent een hond gelijk, onrein'. Nee, Jezus gebruikt het beeld van een huisgezin. Kinderen eten, maar in dat gezin, in dat huis zijn hondjes. Let op dat verkleinwoord! Want dat maakt verschil. Hier zijn huisdieren bedoeld en niet loslopende dieren buitenshuis. Honden die er dus eigenlijk nìet buiten staan.
'Ja, maar hond, of hondje, je kunt er nòg zo'n mooie draai aan geven, maar denk je dat ik mij zò laat beledigen?! Dàt neem ik niet om voor "hond" uitgemaakt te worden.'
Zo zou deze Kananese hebben kunnen reageren. Zo reageert een mens van nature. Het is beledigend, discriminerend om mensen zo te behandelen. Hond!; de associatie alleen al!
Ja, zo reageert de mens die alleen met zijn oren luistert. Maar deze Kananese vrouw luistert met haar hart. En ze hoort de opening: honden ín huis! Ze buigt voor de diskwalificatie; ze heeft geen rechten, ze pleit slechts op genàde. 'Ja, Heere', (hoort u dat, ze aanvaardt de benaming 'hondeke') 'dòch de hondekens eten ook van de brokjes, die er vallen van de tafel hunner heren.' Ze kan de Heere Jezus niet loslaten. Ze kan niet ophouden om dóór te vragen. Ze maakt gebruik van het beeld dat Jezus Zelf heeft aangegeven. Ze haakt vast aan Jezus' eigen woorden. Dàt is nu geloof vasthouden aan Zijn woorden. Luisteren, luisteren naar Zijn stem en horen, ontdekken, dat in Zijn woorden de deur opengaat. Voor zondaren! Voor mensen die het niet waard zijn; en toch mogen meedelen in genade. Al zijn het maar kruimeltjes. Brokjes, die vallen van de tafel. Onbedoeld misschien, en toch voedzaam.
Deze vrouw nam genoegen met de laagste plaats. Ze was bereid te leven van genadebrood. Bent ù daartoe bereid?! Want dàt is geloven. Dat is gaan naar het Heilig Avondmaal: genàdebrood eten. Niet verdiend en toch delen in de gave van God in Christus. Wie zonder de Heiland niet kan leven en sterven mag komen om genàdebrood.
Die vrouw uit Kanaän vroeg niet veel. Vol ootmoed was ze bereid om van afval te leven. Maar ook vol geloofsmoed vroeg ze door, hield ze de Heere vast. En daarin herken je de kenmerken van het ware geloof, van een 'groot geloof'. Ootmoed en geloofsmoed. Passen die twee eigenschappen bij u? Dat je enerzijds ootmoedig, zonder rechten, voor God mag naderen. Tegelijk geloofsmoedig; vertrouwend op Zijn Woord, tot de Heere gaande.
Toen (toen pàs, maar toen dan ook ruim en heerlijk!) antwoordde Jezus, en zeide tot haar: 'O vrouw, groot is uw geloof, u geschiede, gelijk gij wilt'. En haar dochter was genezen. Jezus hoort, Jezus antwoordt, tòch!
Ja eigenlijk, als je het goed leest, was het de Heere die deze vrouw opzocht en niet omgekeerd. In vers 21 lezen we dat de Heiland het joodse land verlaat en naar de landstreek van Tyrus en Sidon ging. In vers 29 lezen we dat Hij gelijk weer vertrok naar Gililea. Achteraf bezien werd deze hele reis alleen maar gemaakt om deze moeder te ontmoeten. Hoort u dat? Al die moeite van Christus om één heidense vrouw te helpen. Wat een liefde. Jezus zoch hààr, al voordat zij Hem zocht. Zo geldt het ook ons. Het is (en blijft) ècht waar: 'Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven!'

C.H. Bax, Emmeloord

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1993

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Volharding (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1993

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's