De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

9 minuten leestijd

'De groote toekomsten de vrouw', zo luidt de titel van een in 1920 uitgegeven 'nagelaten lezing' (uitgave drukkerij Libertas, Rotterdam) van de befaamde ds. J.C. Sikkel, in leven dienaar des Woords bij de Gereformeerde Kerk van Amsterdam. De lezing werd gehouden i.v.m. de toen op gang gekomen emancipatie van de vrouw en vooral ook het vrouwenkiesrecht.
De lezer, die ons de brochure toezond, sprak niet ten onrechte van de 'profetische geest'. De zaken die toen aan de orde waren hebben ook nu nog hun echo. Hier volgen, fragmentarisch enkele kenmerkende passages (in aangepaste spelling), die kenmerkend zijn voor deze aandachttrekkende brochure. Ter kennisneming van wat toen omging geven we één en ander door. Voor goed verstaan leze men de brochure geheel.

De toekomst
• 'Fijne oren, heldere ogen, gevoelige harten, echt levende mensen, nemen niet slechts de smart en wanhoopskreten waar van een stervende mensheid, maar ze voelen en beluisteren daarin ook met diepe ontroering de geboorteweeën van een nieuwe tijd, van een nieuw wereldleven. Hier moge een Rachel in haar baren sterven, ze baart in haar sterven een kind der smarte, maar een kind, dat leeft en leven zal. In de bliksems en donderslagen breekt met kracht een nieuwe toekomst baan (…).'

' De emancipatie
• 'Dat een nieuw vrouwenleven zich reeds lang baan breekt in onze mensenmaatschappij, ziet en weet ieder. Zelfs de oosterse vrouw legt de sluier af en komt in het publieke leven naar voren. In de meer geavanceerde westerse wereld, van waaruit de zuigkracht der wereldbeweging werkt, is de sluier al vergeten – en de vrijheidsbeweging voor de vrouwen in de menselijke gemeenschap groeit snel met elke opkomende jongere generatie. De vrouwen en meisjes bewegen zich almeer even vrij als de mannen, en met de mannen. Zij hebben daarbij hun rok voetvrij gemaakt: en ze emanciperen zich in hun zeden. Ze reizen, ze fietsen, ze tuffen, ze vliegen, ze roken. Ze spelen met hun kleed; ze maken almeer publiek zichtbaar hals en schouder en rug en borst, en arm en been. Ze gaan liefst zonder hoed. Ze neigen ook tot mannengewaad en zelfs tot korte haren. Ze willen en moeten, van jongs-op al, zich vrij bewegen, overal, met het mannengeslacht, op voet van gelijkheid. Gelijk op alle scholen en studiën, gelijk in vrije conversatie, samen in alle sport, tot in de publieke gemengde baden toe. Ze dingen en ze dringen mee in de mannelijke bedrijven, in fabrieken en kantoren, in allerlei ambtenaarsfuncties. Ze winnen hun eigen brood en ze maken zich meer onafhankelijk, door hun arbeid uit de hulskring in de maatschappelijke kring over te brengen: en daar dringen ze door tot in de levensleiding. Ze halen acten en ze onderwijzen.
Ze studeren, promoveren en doceren. Ze zingen niet slechts, maar ze geven zich voor toneel en opera, ze zeggen zich publiek uit en ze beelden zich uit, heel hun ziel en heel hun vormenrijkdom en in de publieke dans tot gehele naaktheid toe. Ze schilderen, ze dichten, ze schrijven, ze ontsluiten zich daarin, en ze raken heel het leven daarbij aan met de toverstaf van hun vrouwengevoel, van hun vrouwenhart. (…)'

Gelijk geschapen!
• 'De vrouw is met de man en evengelijk als hij naar Gods beeld geschapen: zij is naar Gods scheppingsbedoelen één met de man, maar deze eenheidsordening geldt voor hem tegenover haar evenzeer; ja, deze eenheid moet zelfs van hem eerst uitgaan: de man moet de vrouw aanhangen. Zij is geschapen tot 'hulpe tegenover' hem, d.i. naast hem, zijn evenwichtige, ene, die bij hem past: niet om hem te dienen als minderwaardige, maar omdat het niet goed met hem als mens was, alleen, zonder deze andere: om hem te vervullen als gelijke andere, in alles anders dan hij, maar als volle mens hem gelijk, zijn vervulling en daarom zijn schat, in wie hij juist het rijke vindt, dat hij behoeft, en waardoor zij ook haar rijke vervulling vindt in hem. De heerschappij-ordening van de man over de vrouw is om der zonde wil na de zondeval gekomen, gelijk alle klemmende heerschappij-ordening van mens over mens. Maar ook die heerschappij-ordinantie brengt toch geen minderwaardigheid. Wel heeft deze goddelijke ordinantie enerzijds juist de schat in de vrouw bewaard èn doen uitkomen ook, maar anderzijds ook mee die schat verduisterd in dienstbaarheid, in beklemming en in grote smart voor haar – of ook die doen uitbarsten in haar ontaarding: in haar ontaarding barst de schat der vrouw uit in haar kracht, maar in schande en gruwel. (…)'

Vrouwen in de Bijbel
• 'En zo komen daarom dan ook de vrouwen uit in het leven des Heeren op aarde. Maria van Betanië, stortend over de Christus in zijn vernedering al haar nardus, – alle apostelen tot beschaming: en Maria Magdalena in haar trouw en dienst bij het geopende graf des Heeren: – en "de vrouw, die een zondares was". Zo komen ook met de gang van het Evangelie in de wereld de vrouwen uit in de apostolische brieven: "in Christus is niet man of vrouw", gelijk in Hem niet is "dienstbare of vrije". De vrouw wordt daarom ook in de Gemeente van Christus en in heel de Christelijke echte gemeenschap met de man in beginsel waarachtig vrijgemaakt. En die vrijmaking werkt door de algemene genadeheerschappij van de Christus in heel de mensheidsgemeenschap door.'

'Ontsluiting'
• 'Zo komt in en sinds de uitstorting van de Heilige Geest door de verhoogde Christus met de ingang van het Evangelie en van heel het Woord Gods in de wereld, de wereldeenheid noodzakelijk nader met elke volgende wereldrevolutie. Zo worden slaven vrije mensen. Zo komen vrije volken eindelijk op en tot gemeenschap. Zo wordt overheidsoverheersing ingeperkt door volksvertegenwoordiging. Zo wijkt thans almeer, schrede na schrede, standenscheiding voor sociale gemeenschap: en de natiënindeling wijkt terug en moet terugwijken voor de mensheidseenheid. Zo wordt kring na kring vrijgemaakt en opgeheven, en wat vaneengescheiden leefde wordt – gelijk steeds de Profetie erom zuchtte en riep – door band na band saamgestrengeld.
En zo volgt nu ook, en moet volgen, ten laatste dan, maar ten zekerste, door de algemene en door de bijzondere genade Gods, het volle uitkomen der vrouwen, der vrouw in de wereld. In de mensheidsgemeenschap, in haar cultuur, in haar grote levensontsluiting en levenseenheid, zal de vrouw zich ontsluiten in al haar kracht, in al haar gaven, in heel haar mens-zijn mèt de mannen. Natuurlijk, – en vreselijk! – daarmee zal de vrouw zich ook ontsluiten in heel haar afval van God, in heel haar ontaarding en ontbloting, in heel haar ongerechtigheid, in heel haar macht ten verderve. Maar de vrouw zal daarmee ook in de mensheidsgemeenschap met de mannen ten volle ten goede uitkomen, bijzonder in de christelijke gemeenschap, in de gemeente des Heren. (…)'

Zichzelf blijven
• 'Het nieuwe maatschappelijke vrouwenleven mag en kan het wezen der vrouw, haar vrouw-zijn niet veranderen noch aantasten! Daarom is de aanvankelijke droom der vrouw om de gelijke te zijn van de man, man te zijn als hij in de wereld, een grote dwaasheid, – die de vrouw zelf spoedig teniet zal doen. Zij is een andere dan de man, en dit is haar waarde en haar eer – alle oneer ontbreekt hieraan! Zij moet en zal zichzelf zijn in de wereldontsluiting, in het maatschappelijk gemeenschapsleven. En zij kan en zal juist dáárdoor dat maatschappelijk leven machtig beïnvloeden en verrijken, het beroeren, maar ook zegenen.
De vrouw is in haar schepping en daarmee in heel haar wezen, op de maatschappij aangelegd. Zij is de "huipe tegenover" de man, d.i.: zij is zijn evenwichtige vervulling, zijn maat In de gehele eenheid van man en vrouw is de eerste maatschappij, de meest waarachtige maatschappij, dat is de gemeenschapsharmonie der elkaar vervullende krachten. Zo is de vrouw in haar wezen maatschappelijk. Maar zij komt daarom, ook sinds de zondeval en onder Gods genade, als vrouw het schoonst en dierbaarst maatschappelijk uit in de echte innigste liefdegemeenschap en zieleenheid met de man van haar hart, en dan zo in de echt, in het gezin, in het moederschap. Het huiselijk leven blijft de schoonste en innigste vorm van maatschappelijk leven. In de tegenstelling tegen de geest der verleiding, die thans in de vrouwenemancipatie doorwerkt, zal de christenvrouw, die zich aan den Heere naar zijn Woord en daarmee aan het mannenleven en aan heel het mensenleven wijden wil, dit echte edele heilige vrouwelijke maatschappelijke heilig hebben te bewaren en te bewaken. Dit beginsel zal de vrouwenvorming in de vreze Gods moeten blijven kweken en leiden in de meisjes. (…)
De trouw der vrouw aan het mensenleven zal allereerst moeten zijn en blijven zelftrouw der vrouw, trouw aan haar hart en dáármee trouw aan de man van haar hart als haar éne eigene naar Gods ordinantie, trouw aan huis en haard dan ook, en zó trouw aan het mannenleven en het mensenleven – opdat het beste en echtste in het leven niet verga.'

Stemrecht
• 'De ontwikkeling van maatschappij en volk en wereld vordert almeer ieder op voor het geheel en het geheel voor ieder Daarom is ook het stemrecht algemeen geworden. Dit gaat nu ook de vrouwen aan. Zeker, gezinsstemrecht zou enkel door gezinshoofden, maar dan ook door vrouwelijke gezinshoofden, zijn uit te oefenen; doch dan kwam dit stemrecht toch óók toe aan alle volwassen zelfstandig levende vrouwen buiten echt, zowel als aan de volwassen mannen buiten echt Nu het een persoonlijk stemrecht werd, komt dit stemrecht ook aan gehuwde zowel als aan ongehuwde vrouwen toe; en zij allen zijn daarmee verplicht, dit stemrecht ook tot Gods eer uit te oefenen – opdat de mensengemeenschap niet overgeleverd worde aan hen, die God verzaken. De echtelijk verbonden vrouwen kunnen en zullen in de uitoefening van hun stemrecht zeker allereerst met hun eigen mannen raadplegen, en ook de ongehuwden zullen het voorlichtende oordeel der mannen niet versmaden; maar voorts zullen hierin toch alle vrouwen naar eigen oordeel en verantwoordelijkheid in gehele vrijheid hebben te handelen: geestelijke overheersing der vrouw is onchristelijk. En wat haar verkiezing in Raden en Staten aangaat, daarin zullen de vrouwen zich niet opdringen en allerminst partij maken tegen de mannen. Het ware dwaasheid, hier mannen te verdringen, enkel om er deze of die vrouw te plaatsen. Maar de tijd kan en zal komen, dat ook hier het leven roept om vrouwenraad; en om die vrouwen, die hiertoe door de Heere kennelijk begaafd, toegerust en geleid zijn. Dan roepe en leide hier de man de vrouw binnen en deze van God geroepen vrouw geve zich! (…)'

J. van der Graaf

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1993

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1993

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's