De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

­ Woord èn Geest (5)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

­ Woord èn Geest (5)

9 minuten leestijd

Een vorig keer toonde ik aan dat wedergeboorte en bekering op een extra-ordinaire (heel bijzondere) wijze kan plaatsvinden. Toch zijn het in de Schrift slechts incidenten. Ik noemde als voorbeelden Jeremia en Johannes de Doper.
't Gaat niet aan om bij deze enkele voorvallen ook nog te denken aan Handelingen 16 : 14, waar wij onder andere van Lydia lezen: 'welker hart de Heere heeft geopend dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd'.
Soms wordt deze tekst zó uitgelegd alsof eerst het hart van Lydia zou zijn geopend en zij vervolgens het Woord Gods aannam. Van dit alles staat in deze tekst volstrekt niets te lezen. Het is veeleer aan te nemen dat de Heere haar hart opende door middel van de prediking van Paulus. Heel nauw was de Geest aan het Woord verbonden en omgekeerd.
Die nauwe verbinding moeten wij ook zo laten! Dat wil zeggen: wij móeten het Woord volstrekt niet losmaken van de Geest. Dit laatste wordt meer gedaan dan wij wel denken. Het gevolg is dat het Woord een geheel aparte zelfstandigheid krijgt. Maar wat gebeurt er dan? Niets anders dan dat het Woord krachteloos wordt gemaakt. Op dit gevaar moet men bedacht zijn. Aan de andere kant moet men er voor beducht zijn om àlle accent op de Geest te leggen. Ongetwijfeld zal dit leiden tot een gebrek aan eerbied voor het Woord waarvan de Heilige Geest de Auteur is.

De zekerheid van het geloof
Het bij elkaar houden van het Woord en de Geest is van uitermate groot belang voor de zekerheid van het geloof.
Laat ik eerst zeggen wat onder de zekerheid van het geloof wordt verstaan. Daaronder moet verstaan worden: Christus is van mij, ik ben van Christus. 't Is ook nog anders te zeggen. Wij letten dan met name op wat Christus onder andere verworven heeft op het kruis van Golgatha, nl. de vergeving der zonden. 't Zal juist zijn dat de Zaligmaker nog meer verworven heeft. Toch blijf ik bij de vergeving van de zonden even stilstaan. Waarom doe ik dit? Ik doe dit om deze reden, omdat de zekerheid van het geloof aangaande de vergeving van de zonden in de Schrift een normale zaak is. De zekerheid is eigen aan het geloof.
Helaas is het in het verleden wel voorgekomen, maar wordt het ook in het heden wel gehoord alsof de zekerheid des geloofs iets heel bijzonders is. Soms gaat men zelfs zover dat men zegt dat iemand die zekerheid niet behoeft te bezitten, want dat zij behoort tot het welwezen van het geloof en niet tot het wezen.
't Is mij bekend van een enkele vertegenwoordiger uit de Nadere Reformatie, dat deze zaak inderdaad als zodanig is opgevat. Toch zeg ik: laten wij uitermate voorzichtig zijn en hen daarin niet volgen.
Want als Christus en als de vergeving van de zonden niet tot het wezen van het geloof behoort en daarmee tot de zekerheid van het geloof, wat maakt dan het wezen uit? Wat is dan de zekerheid van het geloof? Is dan onze armoede onze rijkdom? Ik heb slechts twee woorden voor wie dit mocht denken: wees voorzichtig! Nooit ofte nimmer kan onze armoede onze rijkdom zijn. Hoe diep men ook zijn armoe peilt en de Heilige Geest deze laat zien vanuit het Woord, maar de rijkdom is het niet. De rijkdom is Christus, Christus alleen. En de zekerheid van het geloof is Christus, Christus alleen. Men mag ook zeggen: de vergeving van de zonden en die alleen.
Op duidelijke manier wordt er in de Schrift gesproken over de zekerheid van het geloof aangaande de vergeving van de zonden.
Ik noem twee voorbeelden. Als eerste denk ik aan David in Psalm 32. In dit lied hoor ik hem onder andere zeggen: 'en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde (5c).
Een tweede voorbeeld haal ik uit het Nieuwe Testament. Ik denk aan de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar (Lukas 18). Van laatstgenoemde zegt Jezus: 'Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis' (14a). De tollenaar wist het heel zeker: de Heere heeft mij de zonden vergeven. Noch hij, noch David heeft eraan getwijfeld. De zekerheid des geloofs dienaangaande was hun deel.
Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn dat met name in de prediking de zekerheid van het geloof als een normale Bijbelse zaak aan de gemeente moet worden voorgehouden. Daarmee wil ik niet zeggen dat men daarmee zo hoog van de toren gaat blazen dat de gebrokenen van hart en de verslagen van geest het nog benauwder krijgen.
De zekerheid van het geloof is een zaak die ons geschonken wordt. De Heilige Geest doet ons in- en vanuit het Woord Christus omhelzen en in Zijn verzoenend lijden en sterven de vergeving der zonden ontvangen. Zo is het bij David gegaan, zo is het bij de tollenaar gegaan, zo gaat het bij ons.
Evenmin als David en de tollenaar het licht in zich hebben ontstoken, zo min doen wij dit. Dat heeft de Heere in hun leven gedaan en dat doet Hij bij ons. Maar omdat Hij dit doet, mogen alle gebrokenen van hart bemoedigd worden. De Heere zal Zijn werk in hen voleinden. Hij zal ze de zekerheid des geloofs schenken. Want ik hoor de Psalm zeggen: 'Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren'.

'k Heb met dit alles willen zeggen dat géén verslagene van geest in een hoek wordt gedrukt als de zekerheid van het geloof hem als een normale Bijbelse zaak wordt voorgehouden. Hem wordt daarentegen voorgehouden dat men kan ontvangen wat men nog altijd mist. Want de Heere is groot van goedertierenheid!

Geestelijke armoe
Her en der wordt er geklaagd over geestelijke armoede. Over de verborgen omgang met de HEERE – zo wordt gezegd – wordt weinig vernomen.
'k Moet eerlijk zijn en zeggen, dat in alle kerken en gemeenten veel geestelijke armoede wordt aangetroffen. Alleen… met te klagen daarover zijn wij er natuurlijk niet. 't Kan een teken van rechtzinnigheid schijnen, maar veel verder komen wij er niet mee.
Beter is het onszelf te onderzoeken en ons voor God te verootmoedigen. Ook is het goed te bedenken dat de schuld van geestelijke armoede niet bij de Heere ligt. De Heere is niet veranderd. Ook ligt het niet aan de Heilige Geest alsof Hij niet meer zou kunnen òf willen werken door en vanuit het Woord. De Heilige Geest is bij machte, maar zijn wij wel machteloos in die zin dat wij de Heilige Geest met het Woord in ons laten werken? Wanneer wij zelf nog zoveel kunnen, maken wij in bepaalde zin de Heilige Geest machteloos. Op de eerste Pinksterdag werkte de Heilige Geest met het Woord in de harten van mensen die het niet alleen niet meer wisten, maar die ook zichzelf niet konden helpen. Helpende genade was ze daarom vreemd.
Een réveil, een opwekking inzake het geestelijk leven geeft de Heere. Aan wie? Aan allen die erom verlegen zijn en het alleen van Hem verwachten.

Niet hoe weinig
Laat ik voorop stellen dat de maat van de genade door de Heere wordt toegedeeld. Hoeveel òf hoe weinig hééft Hij in Zijn raad bepaald. Eigenlijk moet ik voorzichtig zijn met te zeggen: hoe weinig. Alles uit het volbrachte werk van Christus – al is het een kruimeltje genade – is veel. Het heeft het hartebloed van de Borg gekost. Dat is niet weinig, doch veel.
Toch moeten wij wel bedachtzaam zijn op dàt 'hoe weinig', alsof er niet meer bij de Heere zou zijn. Als de vraag: met hoe weinig kan ik toe? uiteindelijk de regel van ons leven gaat vormen, zinken wij hoe langer hoe dieper in de modder weg. Er komt een verachteren in de genade; een twijfelen aan de onvoorwaardelijkheid van Gods beloften. Ook wordt getwijfeld aan de rijkdom van Gods genade. De Heere zelf wordt van schrielheid beticht.
Men zal verstaan dat dit alles bepaald niet is naar het Woord. Door dit alles komt de zekerheid van het geloof onder druk te staan. Want wie twijfelt aan Gods goedheid om genade voor genade uit te delen, voor hem zal de zekerheid des geloofs een aangevochten zaak zijn/worden.
Meer en meer zal de zekerheid des geloofs in ons worden gevonden, naarmate wij steeds meer bedelen bij de Bron die overvloeiende van genade is.

Geen hoogmoed
Het concilie van Trente heeft allen van hoogmoed beticht en over hen een vervloeking uitgesproken, die menen verzekerd te zijn en te kunnen zijn van de vergeving van hun zonden en van hun eeuwige zaligheid. De zekerheid van het geloof was volgens dit concilie ten enemale onmogelijk.
Hoe komt het dat de contra-reformatie de reformatie van hoogmoed beschuldigt? Dit hangt hiermee samen, dat in de rooms-katholieke kerk de Heilige Geest is weggedrongen van de plaats die de Schrift hem toekent. De kerk zelf wilde deze plaats innemen. Dat krijgt men dus als men de Heilige Geest van het Woord gaat losmaken en daarvoor iets òf iemand anders gaat stellen.
Het getuigt echter in geen geval van hoogmoed en is geheel en al in overeenstemming met de Schrift als er wordt gesteld, dat de zekerheid van het geloof wordt gewrocht door de Heilige Geest. Hij werkt door het heilig Evangelie het geloof in ons hart, maar Hij werkt er tevens de zekerheid van het geloof.
Met grote nadruk stel ik nogmaals dat het werk van de Heilige Geest inzake de via salutis (de weg van het heil) niet buiten het Woord, buiten het Evangelie om gaat.
Het geloof veronderstelt altijd het Evangelie. Op een heel schone manier wordt dit steeds door de Heidelbergse Catechismus beleden als er staat geschreven dat de Heilige Geest het geloof in het hart werkt door de verkondiging van het Evangelie.

Verkeerde weg
Men kan twee wegen inslaan, die beide een mens doen dwalen. De ene weg is een weg van de Geest zonder het Woord, de andere weg is die van het Woord zonder de Geest.
De eerste weg is die van het spiritualisme. Het Evangelie is hier vrijwel uitgeschakeld. Buiten het Woord om ontvangt men direkt (rechtstreeks) een boodschap uit de hemel, dat de zonden vergeven zijn. Tegen zo'n 'bijzondere verlichting' zegt het Woord: neen! In alle liefde, maar ook in alle ernst zal dit van de hand gewezen móeten worden. Pastoraal vraagt dit veel wijsheid en tact, maar als men het gemeentelid laat voortgaan op die weg, doet men hem dwalen en moet men de mogelijkheid niet uitsluiten, dat men hem uiteindelijk in Belials nare streken laat ronddwalen.
Maar er is nog een andere manier waarop men op de verkeerde weg kan zitten, nl. doordat er plotseling een enkel woord uit het Woord in de ziel valt. Een invallende gedachte! Hoe hiermee om te gaan?
(Wordt vervolgd)

G.S.A. de Knegt, Barneveld

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1993

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

­ Woord èn Geest (5)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juli 1993

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's