De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

10 minuten leestijd

Poëzie en dood
Onlangs was het 125 jaar geleden dat Jacqueline E. van der Waals werd geboren: 26 juni 1868 in Den Haag. In Woordwerk jaargang 11 nr. 42 wijdde Henk van der Ent een uitvoerig essay aan haar werk onder de titel Het beamen van de werkelijkheid – Over de levensmoed van Jacqueline van der Waals. Al eerder schreef Van der Ent samen met drs. J. Kramer-Vreugdenhil een uitvoerige studie over leven en werk van deze dichteres (Nijkerk, 1982). In een deel van haar werk staat de dood heel centraal. Henk van der Ent gaat in op het Godsbeeld dat Jacqueline van der Waals aangeeft te hebben.

Het gedicht 'Overgave' beschrijft, dat het verstand te kort schiet om het kwaad te verklaren en te begrijpen. Ze is ervan overtuigd, dat het in de ogen van God een doel heeft.

Dit antwoord heb ik gevonden,
Toen ik vroeg naar het doel van het kwaad:
'De mensch kan niet doorgronden,
Wat enkel God verstaat.'

Dus geef ik mij Heer aan U over,
Ik vraag en ik twijfel niet meer,
Slechts blindelings wil ik gelooven
In Jezus mijn Heiland en Heer.

Laten we eerlijk zijn: Nel Benschop doet het beter. Ik citeer dit slot slechts om te tonen hoe sterk het aspect van de overgave, blindelings, reeds in haar debuut aanwezig is.
Dit Godsbeeld, dat we ook tegenkomen in 'Wat de toekomst brengen moge', ontbreekt in geen enkele bundel. Men heeft getracht een excuus te vinden voor de inhoud van dit lied, en dus voor dit Godsbeeld, eerst door te zeggen dat Jacqueline een zwakke gezondheid bezat en toen dit ontkracht was, door uit de lucht te plukken dat ze dit lied geschreven heeft toen ze wist dat ze aan een dodelijke ziekte leed. Dit is onjuist, ze publiceerde het in 1920. In haar Roman Noortje Velt komen letterlijk dezelfde gedachten voor. ('Neem mijn hand in Uwe handen, God, breng me, geleid me, waarheen ik gaan moet. Ik ben nu niet bang meer voor verdriet, ik ben alleen maar bang, me weer te vergissen.') Gedurende haar gehele bestaan vinden we uitingen die wijzen op het geloof in God die een bedoeling met het kwaad heeft. Haar Godsbeeld is dat van een wijze God die in Zijn wijsheid de wereld regeert. Andere Godsbeelden, nooit hiermee in strijd, zijn daarover geschoven.

Afsterving van al het aardse staat bij haar centraal. Invloed van Kierkegaard acht ze dat zelf te zijn. 'Om christen te worden moet men aan zichzelf afsterven en afsterven is een vrijwillige daad (…). Afsterven is vrijwillig het aardse opgeven.' Henk van der Ent vervolgt dan:

Niet om haar Godsbeeld gaat het ons, maar om de hieruit voortvloeiende belijdenis dat de mens het willen moet opgeven, omdat God wijzer is. Ze verlangt zelfs naar de dood van de wil. Is het mogelijk poëzie die getuigt van zo'n passieve instelling te waarderen? Tot mijn ergernis: wat mij betreft wel. Schitterend vind ik dit gedicht met mystieke trekken uit haar debuut
Verzen:

Nu ligt mijn leven als een stille plas,
Een vlak, blauw water op een groote hei,
Dat rustig opziet uit een lijst van gras
En riet: een hemelspiegel klaar en blij.

Mijn willen en mijn wenschen stierf in mij,
En wat bevreesd, en wat onrustig was,
Ging met mijn laatste diepe smart voorbij,
Waarvan ik kalm en oud en wijs genas.

Mijn ziel ligt als het vlakke water stil,
Dat zelf niets zijn en niets bereiken wil,
Maar, wat het ziet, eenvoudig wedergeven.
Ook ik wil niets in eigen oogen zijn,
Maar als een hemelspiegel klaar en rein,
Den wil van God vervullen in mijn leven.

In dit sonnet bevinden zich elementen die sterker in Nieuwe verzen en Iris naar voren komen Het lijkt wel of ze een programma voor haar latere poëzie geschreven heeft. Het sterven van willen en wensen, het inkeren tot de volkomen rust, het opgeven van smart en onrust, het niets zijn en niets bereiken zijn motieven die voortdurend voorkomen. Het laten sterven van wil en wens is het belangrijkst. De mens moet God opgeven om God te ontmoeten. Hij moet niet najagen en met lege handen komen. Maakt u geen zorgen voor de dag van morgen, schrijft ze in 'Zorgen' en in 'Zoo wie klage'… (Iris): 'Wie kan mij, die in dit leven 't streven zelf heb opgegeven (…) tegenstreven?'
In 'Een oud liedje herdicht' belijdt ze dat ze traag is om zich te richten naar 's hemels eeuwige lusten en dat baart haar droefenis. Niet najagen, niet grijpen, met lege handen komen, niets willen, daar gaat het om. In 'De zoetste liefde op aard…' komen we driemaal het stoïcijnse 'het zij' tegen. Zoo niet… jammer dan. Ze berust erin. Verbijsterende berusting komt voor in 'Avondstemming': 'Zou ik mij bekommeren om leed, dat ik niet verhelpen, afwenden kan? – dat God in Zijn hand heeft?'
En verder: 'Als eenmaal het lijden komt, ook over mij, zoo moge ik gereed zijn, het te aanvaarden. Zoo moge ik de kracht hebben, het te dragen, lichtelijk te dragen, met de glimlach, waarmede ik het lijden van anderen draag.'
Deze bede is tot haar eigen verwondering verhoord. Wanneer ze maagkanker heeft, en het ernst is, weet ze die glimlach om haar mond te toveren en ze betrekt er nota bene 'Gods glimlach' bij.

Niet ieder zal deze volstrekt passieve instelling meer kunnen meemaken oog in oog met eigen of anderer leed vandaag. Ook wat dat betreft is de beleving van velen veranderd. Toch ontroert in sommige opzichten deze tere poëzie nog altijd ons hart. Zeker als we tenslotte nog het volgende bekende gedicht citeren.

Die mijns harten vrede zijt,
En de eenig ware ruste,
Reine bron van klare lusten,
Zuivre zon van zaligheid –
Laat mij willen en niet willen,
Wat Gij wilt en niet en wilt,
Blijde gaande door het stille
Leven in uw vree verstild.
Buiten U is niets dan strijd,
Niets dan moeiten, niets dan zorgen –
Laat mij, in Uw rust geborgen,
Slapen gaan in eeuwigheid.

Poëzie en zee
In vacantietijd zoeken velen de zon en zee op. De zee roept soms diepe gevoelens op bij mensen. In het Hervormd Weekblad van 24 juni 1993 geeft ds. B.H. Weegink (Katwijk aan Zee) iets van zijn gevoelens weer die hij had bij een strandwandeling.

Je ervaart weinig behoefte tot spreken en raakt verstild in de geur en een zee van gedachten; de elementen werken in op een mens. Rollende golven en over elkander schuivende schelpen schonen per beweging schepselmatig de geest. Dan wordt het luisteren, schrijven Hans Bouma en Evelyne Dessens in een boekje 'Gewoon een wonder':
Luisteren
naar de zee
die je zomaar
in vertrouwen neemt
je laten volstromen
met haar verhalen
wegdromen
op de golven
van haar lied
ademloos luisteren
naar de zee
nooit
nam iemand je zo mee
nooit bracht iemand je zo
thuis.
Wie een looptocht doet, is letteriijk bezig zijn zaken op een rijtje te zetten. In gesprek met zichzelf. Veel afleiding kom je onderweg niet tegen. De mensen, die naar het strand gaan, blijven op een kluitje. Voor de rest een vrijend paartje, een hond en een solitaire wandelaar. En de zon die zo nu en dan achter de wolken duikt. Dat onderweg-zijn heeft me overigens altijd wel aangesproken. Maar met het hoogwater wist het vaste spoor Al meer moet het nat ontweken en komt er zand dat nu eens rul, dan weer zompig is. In beide gevallen verzink je en de tred versloft tot een moeizaam verplaatsen van eigen gewicht. Voeten der hinden zijn daar niet meer.
Meestentijds is Scheveningen al op verre afstand te ontwaren maar ditmaal verhulde nevel de direkte aanblik. Misschien schuilt daarin een diepe gedachte: als wij niet zien, verwachten we met volharding. Want hoe zullen we hopen op hetgeen reeds voor ogen is? Geloof kent nog niet het aanschouwen, het kan wachten en heeft een lange adem. Toen we de palen van de pier haast konden tellen dachten we dat we het doel al hadden bereikt. In overmoed neem je een voorschotje op de aankomst, maar uiteindelijk val je jezelf toch een stuk tegen. Vergrijpen heet dat. En misschien ligt daar wel de meest kritieke kilometer, met het gevaar van verlies. Op het dode punt kan er afgehaakt: zijn we er dan nog niet? Hoe lang is het wel en had ik er ooit aan moeten beginnen! Die lopen en moede, wandelen en mat worden hebben kracht en sterkte nodig van Hem die de Schepper van de einden der aarde is.
O, er borrelden nog wel meer geestelijke gedachten. Van de zandkorrels die zijn geteld en de dropp'len der baren. En van de zonde die door God genadig gedumpt wordt in de diepte van de zee, 't zal het milieubehoud voor de ziel van de mensen wezen. Achter je zie je dorp en duinenrij allengs verglijden en het pad dat onder jouw zolen is afgedrukt. Toen kwam dat gedicht, dat anoniem bleef en zo'n geweldige ingang vond. Van 'een droom, die geen bedrog is'. U kent het wel van de kaart met dat geribde zand waarin de stappen van twee wandelaars overgaan op het spoor ven Eén.
Ik stopte en keek achter mij
en zag mijn levensloop
in tijden van geluk en vreugd
van diepe smart en hoop
maar als ik goed het spoor bekeek
zag ik langs heel de baan
daar waar het juist het moeilijkst was
maar één paar stappen staan…
Ik zei toen:
'Here, waarom dan toch
juist toen 'k U nodig had
juist toen ik zelf geen uitkomst zag
op 't zwaarste deel van 't pad…'
Vol liefde keek de Here mij aan
en antwoordde op mijn vragen:
'Mijn lieve kind
toen 't moeilijk was
toen heb Ik jou gedragen…'
Zeer zalige gedachten, aan opwaartse wegen. Die lopen worden niet moede, die wandelen niet mat. Op arendsvleugelen zal Hij z'n aan tijd en plaats geklemde schepselen dragen, en als een herder in zijn schoot en arm de lammeren, zachtkens nog wel, aan waat'ren der rust.

In Scheveningen klommen we op de pier. Er viel regen terwijl de dag ging dalen. Enny IJskes-Kooger schrijft in 'Een fluit van riet' een vers waarin ze haar zicht op zee aan het afbouwen is:
Maar de zon reist te snel; als een gouden oog
verdwijnt ze nu achter de rand.
Het pad is verdwenen, mijn droom wiekt omhoog,
ik sta weer alleen op het strand.
Als ik eenmaal zal staan aan de glazen zee
met de gouden stad in 't verschiet,
laat mij aan Uw hand gaan, ga Gij met mij mee
want alleen Here, kom ik er niet.
De bus terug – zondagsdienst: wachten, overstappen – duurde haast net zo lang als met de benen heen. Als de godgeleerdheid 'theologia viatorum' ('van de weggangers') is, dan wordt haar kennis door de wandelaars op de heenreis opgedaan.

Poëzie lezen in vacantietijd kan helpen de ziel te zuiveren van in drukke werkdagen aangekoekte misvormingen en frustraties. Om poëzie te lezen en trachten te verstaan hebben we rust nodig. Die van een strandwandeling of van een bergbeklimming of van het zitten onder de vijgeboom of appelboom. Aan te bevelen voor rusteloze zielen.
J. Maasland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1993

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1993

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's