Boekbespreking
Nuber, U. (1993), De miskende ziekte – Depressie. Ambo, Baarn, 128 blz.
Dit boek is een vertaling van een Duitse uitgave die in 1991 verscheen van de hand van de psychologe Ursula Nuber. Niet alleen in Nederland verschijnen regelmatig boeken over depressiviteit en vergelijkbare onderwerpen. Mij is onduidelijk, waarom de uitgever speciaal dit boek in Nederland op de markt heeft gebracht. Het argument kan niet zijn dat er nog maar weinig voorhanden is. Ik heb dit boek vooral gelezen met de vraag in mijn achterhoofd: wat zal het toevoegen aan hetgeen we al hebben? Me dunkt dat dat erg weinig is. Is mijn vraag soms verkeerd? Dat kan. Als ik me de vergelijking met het kaartspel veroorloven mag, het is natuurlijk zo dat de kaarten hetzelfde blijven, maar door ze te schudden komen ze telkens anders te liggen. Zo is het met dit boek. De kaarten liggen er wat anders bij. Op die manier springt het hoofdstuk 'Waarom vrouwen vaker depressief zijn dan mannen' eruit. Een aparte behandeling van deze vraag is gerechtvaardigd, ook om een aantal misverstanden uit de weg te ruimen. Ook het laatste hoofdstuk 'Depressie – Een ervaring die bij het leven hoort?' komt qua thematiek extra naar voren. Het gaat daar over de vraag of het niet zo zou kunnen zijn dat depressieve mensen een realistischer beeld van de wereld hebben dan niet-depressieven.
Uit onderzoek – ook in Nederland – blijkt dat depressieve mensen hun mogelijkheden en capaciteiten 'eerlijker' inschatten dan niet-depressieven. Hoe moeten we dat beoordelen? Op deze en daarmee samenhangende vragen gaat de schrijfster kort in.
Toch meen ik dat de afbakening en verheldenng van termen en begrippen tekort komt. Het eerste deel (Wat is depressie?) biedt relevante informatie. Het tweede deel (Wat is er aan te doen?) geeft ondanks de aanpassing aan de Nederlandse situatie te weinig helderheid en duidelijkheid. Het derde deel (De patiënt en de anderen) geeft allerlei aandachtspunten en informatie, maar is uiteindelijk weinig concreet in vergelijking met reeds beschikbare boeken.
De problematiek rond levensbeschouwelijke en godsdienstige thema's en depressiviteit ontbreekt vrijwel volledig.
Wie op een andere wijze gerangschikt over hetzelfde onderwerp nog een boek ter hand wil nemen, kan hier zeker terecht. Mijn eerste keuze of advies zou het echter niet zijn.
P.J. Verhagen, psychiater
H.A. Alma, Geloven in de leefwereld van jongeren, 320 bIz., prijs ƒ 49,50, uitgeverij Kok, Kampen 1993.
Dit boek is het resultaat van een onderzoek dat de Vakgroep Praktische Theologie aan de V.U. te Amsterdam heeft verricht naar de plaats van het christelijke in de belevingswereld van jongeren, in opdracht van de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland (1986). Het hoofddoel van deze studie wordt als volgt verwoord: 'Zodanig inzicht verkrijgen in de leefwereld van jongeren en de plaats die "geloven" in hun verschillende levensdomeinen inneemt, dat daarmee een bijdrage geleverd kan worden aan het beter handelen van de kerk in haar relatie met jongeren'.
Het gaat daarbij om jongeren tussen de 15 en 20 jaar. Na een theoretisch kader uitgezet te hebben, volgt de uitvoering van het onderzoek door middel van empirisch onderzoek. Behalve een enquête worden zeven jongeren geïnterviewd. Dit zijn bijzonder boeiende en leerzame gesprekken geworden. Op deze wijze komt vooral de leefwereld van de jongeren in het vizier. Daar ging het de onderzoekers om. Vier jongeren blijken negatieve gevoelens te hebben ten aanzien van kerk en geloof de drie anderen staan er positief tegenover.
In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de relatie tussen existentiële ervaringen en het christelijk referentiekader en aan zingevende oriëntatie in het geïndividualiseerde samenleving.
In de conclusies vormt het volgende citaat een cruciaal gegeven: 'Onze voornaamste conclusie is dat het christelijk referentiekader bij de meerderheid van de onderzochte jongeren nog aanwezig is, maar dat het een geïsoleerde plaats inneemt in hun leefwereld. Het is sterk verbonden met de thuissituatie en met de kerk en heeft in die levensdomeinen een grote mate van vanzelfsprekendheid. Andere levensdomeinen (school, vrijetijdsbesteding, werk, peergroup) zijn momenteel echter belangrijker voor het realiseren van hun doelstellingen en staan centraler in hun leefwereld. Deze levensdomeinen bieden vrijwel geen identificatiemogelijkheden op het gebied van geloven en leveren ook anderszins nauwelijks een onafhankelijke bijdrage aan de geloofsopvoeding' (p. 251). Voor de kerk ligt hier een taak: 'de uitdaging is de christelijke traditie weer te geven in taal en belevingen die passen bij het moderne westerse denken en voelen, zodat de mensen weer het verband kunnen leggen tussen geloven en hun eigen ervaringen' (p. 242). Ook is het belangrijk dat de kerk grotere zichtbaarheid aan het geloof en de kerk geeft in de samenleving en een grotere bijdrage geeft aan de geloofsopvoeding (p. 248).
Het geheel is een leerzame studie geworden, waar ieder die met geloof (kerk) en jongeren te maken heeft winst kan doen. Het is hier niet de plaats om kritische vragen te stellen. Daarom beperk ik me tot een opmerking. Het gaat me om de vraag naar de beoordeling van de geschetste ontwikkelingen op het gebied van kerk en jongeren. Het is toch een schokkend resultaat dat het christelijk referentiekader nauwelijks een rol speelt in het dagelijks leven van veel jongeren van de kerk. Dat is toch niet minder dan een immense geestelijke crisis. Ben je er dan om op grond van louter empirisch onderzoek beleidsvoorstellen te doen, hoe belangrijk dit onderzoek op zich is. Hoe zijn we toch in zo'n geestelijke malaise terechtgekomen? Dat is toch een ander uiterst belangrijk onderzoeksveld. Eerlijk gezegd vind ik dat dit boek zelf blijk geeft van de kloof tussen zingevend referentiekader en ervaringen (in dit geval empirische gegevens). Wat zegt de Schrift er nu van? Als die vraag niet relevant is, lijkt mij dat alles wat we aan voorstellen op tafel leggen een slag in de lucht is. De grote vraag is hoe jongeren – en ouderen – de fundamentele bijbelse kernzaken weer gaan ervaren. Behalve dit empirisch onderzoek is de vraag wezenlijk hoe ouders, leidinggevenden en anderen echte inspirerende identificatiefiguren kunnen worden.
W. Verboom, Hierden/Harderwijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1993
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1993
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's