Boekbespreking
J.S. Reinders, De bescherming van het ongeboren leven. Morele en godsdienstwijsgerige overwegingen bij experimenten met menselijke embryo's, Ten Have, Baarn, 1993, ƒ 34,50, 222 blz.
De auteur behandelt de vraag of met menselijke embryo's geëxperimenteerd mag worden. Hij doet dit in een brede samenhang. De verschillende standpunten die tot ja of neen leiden hebben elk hun eigen rechtvaardigingsgrond. Het boeiende van dit boek is dat de daarachterliggende ethische argumentaties worden gewogen, gewaardeerd, weerlegd of geprezen. Als zodanig is dit bijna een leerboek in ethische theorieën, respectievelijk argumentaties.
De auteur neemt een tussenstandpunt in, van waaruit hij een aantal uitgesproken eenzijdige posities kan kritiseren.
Het ongeboren leven heeft een bepaalde bestemming. Deze bestemming beeld Gods te worden is een door God geschapen mogelijkheid, waarvoor gekozen moet worden (blz. 189). Dit vermogen tot personaliteit is nog geen persoon-zijn; zelfs geen potentieel persoon-zijn (alsof zij dat persoon-zijn nu reeds konden uitoefenen). Personaliteit krijgt gestalte in de wisselwerking tussen het ik en zijn medemensen in een gedeelde wereld. Het vermogen om in de toekomst tot een persoon uit te groeien, is de hoedanigheid die de morele status van beschermwaardigheid rechtvaardigt (blz. 190). Desondanks zegt de schrijver op blz. 199 dat we de embryo's geen onrecht aandoen als we ze als gebruiksvoorwerp behandelen. We staan bij experimenten ook niet toe, dat menselijke personen gedood worden, want ze zijn nog geen menselijke personen!
Toch is een onbeperkt experimenteren moreel laakbaar. We schaden dan de mogelijkheid dat embryo's tot personen uitgroeien. Hier zit voor mij de kern, het precaire en zwakke in het standpunt van de schrijver. Het is een standpunt van nog niet, maar tegelijk ook niet van radicaal neen. Tussen ja en neen. Daarom kan er binnen grenzen die door ethische commissies gesteld worden, geëxperimenteerd worden. Er is een grote beperking, maar niettemin ruimte. Er is een mogelijkheid. De wetgever moet de ruimte niet afbakenen. Dat moeten ethische commissies doen. Mijns inziens wordt daarmee de mogelijkheid van verschuivingen en verruimingen (aan de hand van zich ontwikkelende medische inzichten) ingebouwd.
De schrijver verdedigt, wat ik wil noemen, een flexibel standpunt. Dat heeft iets aantrekkelijks. Toch is het voor mij onbevredigend. Het is een standpunt van neen, tenzij.
Dat tenzij lijkt mij steeds groter plaats op te eisen.
Ik heb respect voor de scherpzinnigheid in de betoogtrant en de argumentatie; en ook voor de brede informatie, die de lezer krijgt met betrekking tot ethische standpunten.
W.H. Velema
Rudi te Velde red., 'Thomas over goed en kwaad', 183 blz. ing., Ambo Baarn 1993, annalen van het Thijmgenootschap jrg. 81 afl. 1, prijs ƒ 32,50.
Dit boek is ontstaan uit de samenwerking van een reeks wijsgeren, die regelmatig met elkaar teksten van Thomas van Aquino lezen. Het bevat een toelichting bij de vertaalde tekst, namelijk een stuk uit de zgn. Summa tegen de heidenen. Twee der medewerkers hebben de tekst uit het Latijn vertaald. Dan volgen een aantal beschouwingen over de tekst, en deze beschouwingen maken het grootste deel van het boek uit. Het is een keurige en handzame uitgave. De kwaliteit van het papier had beter gekund.
Waardering verdient de uitgave, omdat de grote vragen van God, de geschapen werkelijkheid en het kwaad er duidelijk en herhaaldelijk in aan de orde komen. Kritiek kan men hebben op de wanverhouding tussen 37 blz. tekst van Thomas en 67 blz. inleiding en 117 blz. beschouwing of kommentaar. Zonder bezwaar had de tekst uit de Theologische Summa 1/1 quaestio 48 toegevoegd kunnen zijn, waardoor dan tevens de interessante discussie was ontstaan, of het kwaad voor Thomas filosofisch iets anders betekende dan theologisch.
Wat de vertaling betreft, had ik graag, net als bij de vertaling van het traktaat over zijn en wezen door Allers in de Fischeruitgave, de Latijnse tekst erbij afgedrukt gehad. Nu mogen we raden naar wat privatio en privatie in feite is (een dubbelzinnige term in het klassieke en ook in het Middeleeuwse Latijn), naar wat Thomas onder actus verstaat, en naar wat zijndheid voorstelt en waar het de vertaling van is. De vertaling blz. 109 van privatio door Te Velde heft m.i. dit euvel niet op.
Het valt op dat de 'beschouwers' er kennelijk geen van alle rekening mee gehouden hebben dat Thomas over de Griekse teksten in vertaling beschikte. Wat dit ten aanzien van Aristoteles voor consequenties kan hebben, zullen zij weten. Maar ten aanzien van het platonische begrippenapparaat bestaan er vragen te over. Een ervan is of Augustinus voor Thomas een goede gids is geweest in deze aparte wereld en of wat de Grieken bedoelden, precies door de kerkvader is begrepen en weergegeven.
We kunnen dankbaar zijn voor de publicering van deze tekst. De beschouwingen zijn niet zonder overlappingen. Wat betreft de term evolutie blz. 93, het verschil tussen Thomas en Kant inzake de metafysica blz. 158, en de relatie tussen zijnsfilosofie en de wording van de mens blz. 173 zijn er vragen te stellen. De wijze waarop Berger – en hij is de enige niet in deze bundel, die dat doet – Auschwitz ten tonele voert om het kwaad in relatie tot God te maximaliseren, acht ik inferieur.
C.A. Tukker, Epe
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 augustus 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's