Welgelukzalig de man die niet wandelt…
Psalm 1 : 1 en 2
'Welgelukzalig' is in de mond van de Heere Jezus Christus het eerste woord van de Wet op het Koninkrijk der hemelen, zoals we de Bergrede noemen. En in Psalm 1 is het het eerste woord van het Psalmboek: de lofprijzing op hem die zijn behagen heeft in de Wet des Heeren. Wanneer we Mattheüs 5 en Psalm 1 trachten in elkaars licht en in elkaars verlengde te lezen, dan komen we tot de conclusie dat 'welgelukzalig' een gave van God is. Want het is een gave van God om zalig te worden, het is genade en het is niet uit ons. Tegelijk is 'welgelukzalig' een werk op aarde, een handel en wandel, de praktijk van een mensenleven. Het Hebreeuwse woord 'welgelukzalig' heeft alles met een woordje te maken dat pad betekent. Een pad is de verbijzondering van weg. Christus is de Weg, de Wet is een weg, maar in en op die weg heb ik mijn pad, mij door God toegewezen, en waarvoor ik verantwoordelijk ben. In dat onuitsprekelijke wonder, dat de Statenvertalers met het driedubbeldikke woord 'wei-gelukzalig' uitdrukken, dat meervoud van zaligheid, worden God en mens met elkaar verenigd: Zijn genade en mijn pad. En de overvloed van die boom in de volgende verzen, geplant aan waterbeken, bewijst dat deze eenheid een volmaakte harmonie teweegbrengt.
Opmerkelijk genoeg zegt dan onze tekst dat 'welgelukzalig' een heel duidelijk nee betekent, zoals het straks ook een minstens zo duidelijk ja inhoudt. Het is een niet-wandelen in de raadslag van de openbare zondaars, het is een niet-stilstaan op de weg van degenen die hun doel missen, en het is een niet-zitten in de stoel van de spotters. Dat deze drie op elkaar volgen, betekent voor ons dat er een climax in de zonde zit, dat je welgelukzalig bent als je er door Gods genade in Christus niets mee te maken hebt en dat die genade je voor zowel het een als het ander zal behoeden. Wij klagen vaak, dat er in het genadeleven zo weinig vordering zit. Misschien schrikken we heilzaam, als we horen dat er bij de vijand wèl vordering en voortgang is.
Maar nu de andere kant. Welgelukzalig hij die ja zegt en doet. De tegenstelling wordt in het Hebreeuws veel sterker uitgedrukt dan uit ons 'maar' blijkt. Er staat: maar integendeel! Welke gemeenschap heeft tenslotte Christus met belial? Dat 'ja', dat verkiezende 'ja', dat 'ja' waarin de liefde van God openbaar wordt, betreft het welbehagen in Gods Thora, in Zijn onderwijzing voor het leven en in Zijn weg van het leven. Tegenover het donker van openbare zondaars en mensen die hun doel missen en spotters staat niet het voornemen van hen die beter zijn of denken beter te zijn. Maar het is de tegenstelling tussen wie opstapelend zondigen enerzijds en hen die door God geleid en onderwezen worden anderzijds. Daaraan beleef ik mijn heilig plezier, omdat de Heere er Zijn heilig plezier aan beleeft. 'God is recht, dus zal Hij door onderwijzing hen die dwalen, brengen in het rechte spoor'. Het is erg gevaarlijk om in Psalm 1 twee 'soorten mensen' te lezen.
Die lust in des Heeren Wet, die verbazing dat God mij onderwijst hoe ik zal leven en wat mijn leven is, blijkt uit de heilige concentratie op die Thora, op die Wet, op die onderwijzing. 'Hij overdenkt Zijn wet dag en nacht'. Dat overdenken heeft niet zoveel met peinzen en stil nadenken te maken. Het Hebreeuwse woord betekent zachtjes murmelen, half hardop lezen. 'Stil' Bijbellezen en 'stil' gebed hebben minstens zoveel nadelen als voordelen.
Christus vond Nathanaël onder de vijgeboom. Dat was de plaats waar Israël dat de Messias verwachtte, de woorden der profeten 'murmelde'. Ziet Hij ons daar ook? Ons hoofd, ons hart, onze mond spreken ene taal. Waarom? Omdat we het niet hebben kunnen, wanneer we afgeleid worden van dat heilig en intens onderzoek naar het pad van zaligheid en welgevallen, dat afgelezen wordt uit de mond des Heeren.
Onze tijd lijkt niet aan gebrek aan orthodoxie. We worden 'rechtser' en we worden 'zwaarder', zo vertellen anderen ons. Hoe komt het dan, dat er merkbaar althans zo weinig leeft? Omdat zalig pas u en ik zijn, indien we doen wat we weten en waarin God ons onderwijst. 'Welgelukzalig' zijn ze die de praktijk der Godzaligheid kennen en beoefenen. En mocht u denken: Dat is niets voor mij, dat is veel te hoog en te wijds en te ver voor mij, lees dan nog eens de Zaligsprekingen in Mattheüs 5. Daar spreekt Christus zalig die arm zijn aan de Geest, die vervolgd worden om de gerechtigheid enzovoort. Het wonder van zaligheid is voor missers en tobbers die op God hopen.
C.A. Tukker, Epe
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's