Het bezoek in de gemeente (1)
Er bestaat geen boek over de pastorale theologie, of het beklemtoont hoe nuttig en noodzakelijk het voortdurend bezoeken van de gemeenteleden is. Nu hebben wij in de loop der jaren al meer de indruk gekregen, dat deze boeken wel theoretisch voortreffelijk zijn, maar in de praktijk vaak teleurstellen. Goed, ze geven wijze adviezen in zielkundige en godsdienstige problemen, maar ze kunnen niet reiken in de concrete situatie van de predikant en zijn gemeente. Ze kunnen dan ook niet meer dan oriënteren. Ze laten ons vaak volledig in de steek wat streekgewoonten betreft, regionale eigenaardigheden en persoonlijke grilligheden van de gemeente. Eén manco hebben ze ook: ze zwijgen in alle talen over de grootte van de gemeente, die door één predikant bewerkt kan worden. Daaromtrent heersen rondweg catastrofale ideeën. Ook in onze gezindte kost het weinig moeite gemeenten te noemen, die al zo'n twee, drie, vierduizend zielen tellen en nog steeds door één predikant moeten worden bearbeid. De school telt meer leerlingen, het personeel der gemeentesecretarie is vermenigvuldigd intussen bleef één predikantsplaats, één predikant, alsof de goede man zich zou kunnen vermeerderen.
Hier heersen openlijk wantoestanden. Ik weet wel, dat richtingsmoeilijkheden hier een rol in spelen. Persoonlijke jaloezie. Het voert hier te ver, om deze kwestie nader te bespreken. Niet weinig is ook de grote onkerkelijkheid een oorzaak. Maar wij laten dat alles nu maar eens rusten. De oude gereformeerde kerk ging uit van het normale gemiddelde. Eén predikant op duizend zielen. Wordt dat aantal overschreden, dan kan de pastor het bezoekwerk niet meer aan. Of de studie in de breedste zin des woords verslapt, of de pastor wordt een vliegwiel in het pastoraat. Hij kan nooit meer eens in de diepte peilen. Hij ijlt immer voort van huis tot huis of van vergadering tot vergadering. Het pastoraat holt de prediking uit. Door gebrek aan bezinning op de prediking strooit men algemeenheden over de gemeente heen, omdat de dienaar des Woords de gemeenteleden eenvoudig niet meer kàn kennen. De hoeveelheid schaadt de hoedanigheid.
Wat ik hier zeggen wil is, dat het een gunst is voor de predikant, als hij zijn hoorders kent, als hij niet alleen maar sommigen, maar allen van tijd tot tijd bezoekt en met hen over hun belangen spreekt. Wij bedoelen daarmee niet zuiver en absoluut hun eeuwige belangen. Dat óók en wel voortdurend. Maar de mens zetelt in de wereld. Leeft het leven van de wereld en de omgeving mee. Er wordt wel eens uit de hoogte neergezien op gesprekken over koetjes en kalfjes. Maar toch hebben deze voor de predikant dikwijls een groot nut. Men kan door zulk een gesprek vaak beter op de hoogte komen van de behoeften van een gemeente dan door een opzettelijk geestelijk gesprek. Zulk een geestelijk gesprek beweegt zich allicht bij deze op leerstellig, bij een ander op ietwat mystiek gebied, dat niet zelden geheel buiten het dagelijks en het zedelijk leven omloopt. De visie daarentegen, die iemand heeft op het dagelijks leven met zijn zorgen en uitreddingen, met zijn leed en vreugde; de wijze waarop iemand zich beweegt in zijn handel en bedrijf, temidden van buren en relaties en vrienden, kenmerkt het inwendig bestaan van een mens meestal evengoed, zo niet beter dan zijn dogmatische inzichten. Deze berusten vaak alleen op overlevering. Het zijn bevindingen en beschouwingen, van welke het niet zo gemakkelijk is te onderscheiden, in hoeverre ze inderdaad in de diepte zijn gegroeid of alleen maar puur door gewoonte zijn overgenomen van een al lang bestaande publieke opinie. De levenservaring toch leert, dat in iedere gemeente van die platgetreden paden zijn; van die versleten gordijnen, om zo te zeggen, voor de ramen hangen, die in de verste verte niets meer met het bloedwarme leven te maken hebben. Ze zijn groen van ouderdom geworden, fossiele gesteenten soms, die maar blijven vegeteren. Maar het leven is er al lang uit geweken. Terzake dus, het gewone dagelijkse leven met zijn lusten en lasten geeft ons, in de reactie van de gemeenteleden daarop, vaak scherper aan hoe zij innerlijk gelegerd zijn dan uitgerafelde en doods geworden waarheden. Het is daarom goed te luisteren naar de dingen achter de façade; te peilen naar de ondergrond der dingen.
Je kunt bijvoorbeeld orthodoxe waarheden horen uit de mond van gemeenteleden, maar je bemerkt ineens uit het gesprek over alledaagse dingen wat een stoïcijns kilheid ze openbaren. Je kunt bevindelijke zaken horen, maar de woninginrichting vertoont een wulps materialisme. Het gaat erom de geest te proeven, waaruit men leeft. En daarom behoeft, ook bij het gesprek over de dingen van het dagelijkse leven, ons de gelegenheid niet te ontgaan om een woord te plaatsen, dat naar hoger heenwijst. Soms een vraag te stellen, die tot nadenken noopt. Wij behoeven daarvoor geen plechtig gezicht te zetten. De deelneming in de uitwendige omstandigheden opent vaak de deur van het hart voor het woord van vermaning of vertroosting, dat wij hebben te brengen. De Geest van Christus scherpt ons òp om met soepele gang, al geleidelijk van het gewone leven naar het eeuwige leven over te gaan!
Het spreekt geheel vanzelf, dat een vluchtig verblijf in de gemeente doorgaans dan ook weinig in de diepte vermag te graven. Een langere periode in de gemeente leert ons dingen te doorgronden, die wij eens ternauwernood bevroedden. Samenhangen komen openbaar, familietrekken kleuren geestelijke opvattingen. Wanneer wij aan de ene kant ons oor te luisteren leggen aan de stem van de Heilige Schrift en aan de andere kant het bonte leven aandachtig beschouwen, gaat telkenmale een vonk overspringen. Wij zien hoe wij lijnen uit het Woord kunnen scheeftrekken. Wij bemerken ook hoe wij bepaalde dogmatische waarheden kunnen eenzijdig vertolken. Men komt vaak tot de conclusie, dat de gemeentetheologie uitermate taai is en de overdracht van een puur bijbelse prediking kan tegenstaan. Het is altijd nog een zeldzaamheid, wanneer een Schriftuurlijke prediking een gemeente in de vrijheid van Christus leidt.
Zorgvuldige waarneming, grondige diagnose is noodzakelijk om de juiste therapie te kunnen geven. Daartoe behoort wel een geoefende visie. Intussen dreigt daarbij een gevaar. Wij moeten vermijden, dat wij bij enkele gemeenteleden gedurig komen, terwijl wij bij andere slechts een enkel maal ons laten zien. Al hebben wij ons geen verwaarlozing van die anderen te verwijten, zij beschouwen het toch als zodanig. Zij gaan naar redenen zoeken, waarom zij bij die anderen moeten achterstaan en gewoonlijk worden dan juist niet de onschuldigste motieven gezocht; tot allerlei vaak lasterlijke praatjes wordt op die wijze aanleiding gegeven. En zelfs al geschiedt dit niet, de in het oog lopende voorkeur, die wij aan het ene gezin boven het andere geven, laat lichtelijk een angel van bitterheid na, welke niet bevorderlijk is voor onze gezegende arbeid in de gemeente.
Een ander gevaar is ook, dat men te hard van stapel is gelopen in het geven van vriendschap. Dat ligt zeer voor de hand. Er is een gulle tegemoetkoming geweest. Wij werden als predikant open en vrij ontvangen. Er kwamen open harten, goede gesprekken. Het was om zo te zeggen een oase. Maar ongemerkt was men te vlot. Een tikkeltje reserve ware beter geweest. Bij nadere kennismaking viel men elkaar niet mee. Er ontstaat een verwijdering. Men wilde ons wel onthalen, maar men nam ons Woord niet met goedmoedigheid aan, als er iets te berispen was. Dan juichen de anderen, maar de eersten gevoelen zich zeer gekrenkt. Maar ook zonder dat blijft de spreuk van Salomo behartenswaardig: 'Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde en u hate.' Meer dan wij denken komt dit voor. Vooral onze tijd koestert een overmaat aan bezoekcultuur. Nu zeggen wij niets van een gezonde gemeenschapszin. Maar het kan kakelen worden, een ronddraaien om elkaar heen, dat geen enkele waarde van wederzijdse opbouw meer heeft. Dikwijls hebben wij dat in de gemeente ontdekt. Urenlang bij elkaar klitten, een overvragen van elkaar.
Niet te lang te blijven, niet al te dikwijls bezoeken, niet te komen op het uur van de maaltijd, ons niet te bemoeien met hun familieaangelegenheden, waardoor wij ons ongepast aanstellen – het vraagt een gevoel van kiesheid om deze dingen aan te voelen. Het geldt reeds voor het verkeer van gemeenteleden onderling, hoeveel te meer dan voor het pastorale bezoek. Er zijn uitzonderingen van zeldzame openheid; diepe liefde en trouw. Die mogen wij dankbaar noteren. Daar staan we samen voor het aangezicht Gods. Maar – wees maar eerlijk – hoe zelden zijn zulke bezoeken? Ze zijn een geschenk van Boven. Het is Bethanië.
Door de grote vergaderzucht van deze tijd komt vaak het gewone werk in het gedrang. Het zou goed zijn, op dit punt correctie toe te passen. Dat zal ongetwijfeld moeilijk – gaan een kerkelijke gewoonte groeit langzaam. Maar om een gewoonte af te schaffen, dat vraagt een titanenwerk. Wij bedoelen geenszins revolutionaire beginselen te propageren. Maar hier en daar een weinig nuchterheid te vragen, dat is ons streven. Het valt ons wel eens op, wanneer wij bezoeken doen, hoeveel er bezocht wordt op visite, hoeveel er nog naar de radio wordt geluisterd en naar de televisie gekeken. Maar weet u, het is een zeldzaamheid als iemand alleen zit te lezen en nog zeldzamer als je iemand aantreft in de lectuur van de Heilige Schrift verdiept! Let u maar eens op. U doet dezelfde ondervinding op. Misschien wel bij uzelf allereerst. Juist dat is een veeg teken.
A. van Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's