Globaal bekeken
Een predikant zond ons enkele intussen vergeelde kranteknipsels van vóór de oorlog (waarschijnlijk uit De Standaard), waarin een niet nader bekende één en ander schrijft over Pietje Baltus, kennelijk ter gelegenheid van het feit, dat deze vrouw, die zo grote invloed had op Abraham Kuyper 25 jaar daarvoor was overleden (maart 1914):
'Op den 17den van deze maand is het 25 jaar geleden, dat Pieternella Baltus overleed. Zij was een eenvoudige vrouw, zonder veel ontwikkeling, maar het was haar glorie, dat zij in haar Godvreezendheid mede een middel mocht zijn om den machtigen dr. A. Kuyper van opvatting te doen veranderen, zoodat zijn vrijzinnige beschouwingen plaats moesten maken voor een rechtzinnige belijdenis.
Als dr. Kuyper – het was in het jaar 1873 – in zijn "Confidentie" de redenen opsomt, die zijn inzichten wijzigden, noemt hij daarbij ook den omgang met een bepaalde groep van personen uit zijn eerste gemeente. Bij deze menschen, zoo voelde hij, zat de sleur niet. "Hier had men nog wat rijker voorraad voor het gesprek dan over "'mooi weer'" en over "'dat die ziek was'" en '"die zijn knecht was weggezonden'". Hier was belangstelling in een geestelijke orde van zaken. Bovendien, er was kennis. Ik kon mij met mijn poovere Bijbelkennis, die ik aan de Academie opdeed, niet met deze eenvoudige lieden meten. En niet alleen Bijbelkennis was er, maar ook kennis van een goedgeordende wereldbeschouwing, zij 't ook naar oud-gereformeerden trant." En bij onderzoek en studie bleek hem, dat deze eenvoudige landlieden uit Beesd – dit was Kuypers eerste standplaats – geheel hetzelfde leerden wat eeuwen geleden de kerkhervormer Calvijn had voorgestaan.
Onder deze menschen nam Pieternella Baltus een vooraanstaande plaats in. Zij was op 6 December 1830 geboren uit ouders, die zelf vreemd waren aan de beteekenis van Christus voor het leven en zij groeide op temidden van een omgeving, die het haar met haar inzichten in de leiding Gods niet gemakkelijk maakte. Weldra ook kon zij zich niet vereenigen met de wijze, waarop in de kerk te Beesd gepreekt werd, en zoo behoorde zij tot een afzonderlijke groep, toen dr. Kuyper op 9 Augustus 1863 zijn intrede deed in haar geboorte- en woonplaats.
Bij Pietje Baltus op bezoek
Niet lang duurde het, of de nieuwe predikant richtte zijn schreden ook tot hen, die eerst "een klein aantal malcontenten" genoemd werden. Zelf schreef hij daarover later: "Ik werd er verre van innemend ontvangen. Men had wel van de buitenwacht gehoord, dat mijn orthodoxie nog in de geboorte stak, en minder den mensch, dan den waardigheidsbekleeder van een hun niet genegen kerk in mij ziende, zette men zich tegen mij in verweer". Wat Pieternella Baltus betreft, over haar zijn bij haar dood door iemand, die zich aandient als "een vriend", een serie belangwekkende gegevens verzameld en hierin vonden we ook een en ander over den invloed, door dit vrouwtje op dr. Kuyper uitgeoefend: "Een buurvrouw vertelde haar: '"Pietje'", want zoo werd ze algemeen genoemd, '"de dominé is in de buurt en zal wel gauw bij u komen'". Toen zei Pietje: "'Ik heb niets met hem te maken'", want ze had gehoord, dat ds. Kuypers leer, evenals die van zijn voorgangers was. Doch nauwelijks heeft ze de woorden geuit of ze wordt er krachtig bij bepaald, dat ook ds. Kuyper een ziel meedraagt voor de eeuwigheid. Toen hij dan ook bij haar binnentrad, was de afkeer voor hem verbroken en werd hij door haar met liefde ontvangen. Haar werd twee uren gegund, waarin zij dan ook kon vertellen over de Hope, die in haar was, en dat de dominee daar ook een deelgenoot van moest worden, wilde hij niet eeuwig verloren gaan. De Heere gaf Pietje zulk een medelijden voor hem in haar ziel, dat zij den Heere als een waterstroom mocht aanloopen. Ze vertelde me: "'Ik kon hem niet loslaten, voordat de Heere hem van mijn ziel kwam over te nemen en zij de vreugde mocht genieten, dat de Heere hem voor Zijn rekening genomen had'"."
En zoo kon het gebeuren, dat de eenvoudige dochter van een eenvoudigen molenaar op den watermolen van den graaf van Byland, den zeer begaafden theoloog Kuyper, die zich reeds in zijn studententijd door zijn groote kwaliteiten had onderscheiden, in het hart greep.
Op 3 November 1867 nam een andere ds. Kuyper van het dorp Beesd afscheid om naar Utrecht te gaan, dan de predikant, die ruim vier jaar vroeger in de Betuwe zijn intrede had gedaan.
Pietje Baltus is haar woonplaats trouw gebleven en in Beesd was het ook, dat zij in Maart 1914 overleed. Eenigen tijd tevoren was zij nadat zij lang een gebrekkigen broer had verpleegd, in het Gesticht voor ouden van dagen in haar geboortedorp opgenomen, en daar was het ook, dat zij de oogen sloot. Zij was, zooals het eens werd uitgedrukt, "een machtig instrument in de hand haars Gods", en het is zeker niet ten onrechte, dat haar de eeretitel werd toegekend van te zijn "de geestelijke moeder van dr. A. Kuyper".
We besluiten met een aanhaling uit een prachtig artikel van prof. dr. W.J. Aalders over dr. Kuyper in "Onze Eeuw" van 1921: "Ik heb het oude vrouwtje nog gekend, dat destijds op dr Kuyper zoo groeten invloed heeft geoefend. Zij wist te vertellen, hoe zij hem bij het eerste huisbezoek had vermaand en bij het heengaan de hand geweigerd, omdat zij hem niet als leeraar kon groeten. Maar hij had niet opgehouden een handdruk te vragen en tenslotte had zij hem dan, niet als leeraar, maar als mensch, de hand gereikt. Het beteekende daar destijds iets, als arbeidersdochter den predikant zóó te bejegenen. Maar hij was teruggekomen en sedert hoe langer hoe meer onder den invloed van het gereformeerde gevoelen der '"steile afhankelijkheid'" gekomen. Zij, om in het taaleigen der mystiek te spreken, eene doorbekeerde en beproefde ziel, keurde dr. Kuypers latere kerkelijke en vooral politieke evoluties af, maar de oprechtheid van zijn bekeering leed bij haar geen zweem van twijfel".'
In een prachtige uitgave van het N.B.G. 'De Tempel van Jeruzalem' ('beeldvorming door de eeuwen heen') troffen we een 'beschrijving des tempels' van de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus in 'De joodse oorlog', in een vertaling van Ed. W.A. Terwogt, Dordrecht 1873.
'1. De tempel was, gelijk ik gezegd heb, op den rug van een sterk bevestigden heuvel gebouwd. Aanvankelijk was de ruimte op zijnen top ternauwernood voor het eigenlijke tempelgebouw en het altaar toereikend geweest, daar de heuvel aan alle zijden steil en afbellend was. Nadat echter de koning Salomo, dezelfde, die den tempel stichtte, het Oostelijke deel met een muur omgeven had, werd op den daarin gebrachten grond een zuilengang gebouwd; aan de andere zijden stond de tempel nog vrij.
4. Tot het tempelgebouw zelf, in het midden van de gewijde ruimte gelegen en heiligdom geheeten, voerden twaalf treden. Het front van het gebouw was even hoog als breed, namelijk honderd el; van achteren was het echter veertig el smaller; want aan den voorkant bevonden zich twee vleugels die aan weerskanten buiten het eigenlijke hoofdgebouw twintig el uitstaken. De eerste poort des tempels, zeventig el hoog en vijf-en-twintig el breed, had geene deuren; zij was een zinnebeeld van den overal zichtbaren en open hemel. Haar vóórzijde was overal verguld en door haar opening zag men het gansche front van de binnenste tempelafdeeling, welke tevens de grootste was. Van binnen om de poort zag men alles van goud stralen. Daar de binnenste tempelruimte in twee afdeelingen gesplitst was, stond alleen het voorste gedeelte open, welks hoogte door niets afgebroken negentig el bedroeg, terwijl het in de lengte vijftig en in de breedte omtrent twintig el was. De poort, welke tot deze afdeeling toegang verleende, was zooals gezegd geheel verguld evenals de gansche haar omgevende wand; boven haar hingen gouden wijngaardranken van welke druiven afhingen van de grootte eens mans. Van de twee afdeelingen des tempels nu was de tweede lager dan de voorste. Deze had gouden deuren van vijf-en-vijftig el hoog en zestien el breed, voor die deuren hing een evenlang Babylonisch voorhangsel, bont gestikt uit hyacinth, byssus, scharlaken en purper, verwonderlijk schoon geweven met bezienswaardige vermenging der stoffen. Het moest een beeld van het heelal voorstellen. Het scharlaken moest het vuur, de byssus de aarde, het hyacinth de lucht, het purper de zee beduiden, twee der vier stoffen door hare kleur, byssus en purper door hunnen oorsprong, daar de eersten door de aarde de laatsten door de zee voortgebracht worden. Het stikwerk beeldde den ganschen hemel af met uitzondering van den dierenriem.
5. Na binnengetreden te zijn kwam men in het lagere deel des tempels. Dit gebouw was zestig ellen hoog, even lang en twintig el breed. In de lengte was het weder in tweeën gedeeld: het eerste deel (het Heilige; W.A.T.), welks lengte veertig el bedroeg, bevatte drie bewonderenswaardige, wereldberoemde kunstwerken: den kandelaar, de tafel en het reukvat. De zeven lampen, die van den luchter als zooveel armen uitgingen, beduidden de zeven planeten, de twaalf brooden op de tafel, den dierenriem en het jaar; het reukvat, dat met de dertien reukwerken uit de zee, uit de onbewoonde woestijn en uit de bewoonde aarde gevuld was, beduidde dat alles van God komt en ten dienste van God is. Het binnenste deel des tempels was twintig el lang en van de andere ruimte weder door een voorhangsel gescheiden. In deze geheele ruimte nu bevond zich niets en hij mocht ook door niemand betreden, geschonden of gezien worden. Zij heette Allerheiligste. Aan de zijden van het lagere gedeelte des tempels bevonden zich vele in elkander loopende woningen van drie verdiepingen, aan weerskanten van de poort uit van een toegang voorzien. Het hoogere gedeelte des tempels had zulke bijgebouwen niet meer, daar het smaller en daarentegen bijna veertig el hooger was. Ook was het eenvoudiger dan het lagere gedeelte. Rekent men nu bij de zestig ellen van den grond af de genoemde veertig, dan verkrijgt men een gezamenlijke hoogte van honderd el.
6. De uitwendige aanblik des tempels bood alles aan wat ziel en oogen in verbazing brengen kon. Aan alle zijden met stevige gouden platen bekleed, wierp hij in de eerste stralen der morgenzon een glans af als van vuur en verblindde de oogen evenals de zonnestralen. Voor vreemdelingen, die naar Jeruzalem kwamen, had hij in de verte het aanzien van een met sneeuw bedekten berg; want waar hij niet verguld was, was hij blinkend wit. Op zijn spits waren scherpe gouden spiesen aangebracht, opdat hij niet door vogels, die zich daarop mochten neerzetten, zou verontreinigd worden. Van de steenen, waarvan hij gebouwd was, hadden eenigen een lengte van vijf-en-veertig, een hoogte van vijf en een breedte van zes el. Vóór den tempel stond het altaar, dat vijftien el hoog, vijftig el lang en vijftig el breed was. Het had de gedaante van een vierhoek en aan zijne hoeken hoornvormige uitstekken; aan de zuidzijde kon men het langs een zacht oploopende helling bereiken. Het was zonder een ijzeren werktuig gebouwd en was nooit door eenig ijzer aangeraakt. Rondom den tempel en het altaar liep een sierlijk bewerkte afscheiding gebouwd van fraaien steen omstreeks een el hoog, welke het volk van de priesters afscheidde.'
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's