Het bezoek in de gemeente (2)
Een vorig maal hadden we het over het grote nut van het bezoek in de gemeente. Natuurlijk – we overschatten het profijt daarvan niet, maar het geeft zeker veel winst. Wij leren mensen zien. En dat is al een groot voordeel. Mensen zien – is dat nu zo iets bijzonders? Ja zeker, want echt zien van mensen, dat gebeurt maar weinig. Doorgaans gaan wij langs elkaar heen. Hele stromen van mensen passeren elkaar dagelijks, vooral in de stad. Stelt u zich eens op bij de uitgang van het Centraal Station in Amsterdam in uw verbeelding en let eens op die zeeën van mensen die daar af- en aangaan. Op den duur wordt u moe van de gezichten. Dit werkt afstompend, slopend. Maar wij bedoelen iets anders, wat beperkter. Zie eens naar mensen, die winkelen. Naar mensen, die aan het werk zijn. Let eens op voorbijgangers. Dat vraagt attentie, beschouwing, studie zelfs. En dat kan nu alleen maar vrucht geven als het niet massaal-collectief gebeurt, maar individueel. In beperkte mate.
Voor een predikant is het altijd goed om in een kleine gemeente te beginnen. Daar is nog een levenstotaliteit oftewel een levens gemeenschap. Een Duits professor vindt dat een geografische gemeenschap de ideale ondergrond is voor een gemeente van Christus. Hij is van oordeel dat een woongemeenschap en een leefgemeenschap de beste garanties biedt voor het ontstaan van een geloofsgemeenschap. Hij kan daar wel eens gelijk aan hebben, want alle andere gemeenschappen zijn te los en te grillig. Desalniettemin, de praktijk leert, dat het ideaal niet altijd haalbaar is. Maar ter zake – een kleine gemeente biedt de mogelijkheid allen te leren kennen en allen gedurig op te zoeken. Boven duizend zielen gaat dat al niet meer. In een dorp ken je die boer op zijn grote hofstee met zijn ietwat liberale levensinstelling. Daar weet je van die wat magere juffrouw met haar vele katten. En, ieder weet van de vrouw van de bakker met haar gouden hart en milde hand. Daar weet je ook van de procuratiehouder, die zo ontzettend precies is, dat hij uitgerekend vijf minuten voor de dienst in de kerkbank komt. Trouwens, wie weet op een dorp niet van dat ene gezin, waar het altijd wat eigenaardig riekt. Maar niet alleen de mensen leer je op een dorp kennen, ook de dieren. Dat is de hond van de timmerman, zeggen ze daar; dat zijn de koeien van die en die. Daar weten ze ook wie van jagen houdt en wie een echte duivenliefhebber is.
Wanneer je dan in een grotere gemeente komt, heb je een zeker oriëntatiepunt ontvangen en kun je met een enkele blik de toestand van menig gezin beoordelen. De kleine gemeente oefende ons in de beoordeling van een groter levensgeheel. Wij moeten groeien in mensenkennis en in levenskennis en bij het ouder worden blijkt maar al te vaak dat ook in grotere complexen toch nog dorpse toestanden heersen. Die gedachte intussen vonden wij bevestigd in de levensherinneringen van een Zwitserse grotestadspredikant, die fraai vertelde van dorpse idyllen in… Zurich!
Het blijkt ook vaak, dat in een dorpsgemeente meer kennis uit het Woord aanwezig is. Natuurlijk, het dorp bewaart ook veel kleinmenselijke eigenaardigheden. Maar toch heeft het ons getroffen, hoe 'dorpelijke' mensen doorgaans meer weten dan gezeten burgers. Ik weet wel, deze visie gaat lang niet altijd op. De nauwe betrokkenheid op elkaar van dorpsbewoners kan bevorderen, dat het individuele leven in denken zich weinig ontplooit. Maar anderzijds, de stadsgemeente heeft zoveel aan vorming, ontwikkeling en verstrooiing te bieden dat typen en karakteristieke persoonlijkheden daar niet zo veel voorkomen. Ruimte en stilte geven meer diepte aan het leven dan dag aan dag met elkaar in grote huizenblokken te verkeren. De overbevolking van de stad staat de persoonlijkheidsvorming in vele opzichten tegen. Wat wij hier opmerken zijn uiteraard algemeenheden. De ervaring leert dat ook in de stad originelen leven. Maar wij noteren alleen de doorgaande tendens.
Intussen, iedere gemeente kent ook zijn deftige mensen. Wat dat nu wel precies voor mensen zijn laat zich moeilijk beoordelen. 't Woord 'deftig' is een echt Hollands woord. 'Aanzienlijk' is weer wat anders. Wij voelen beter wat deftig is dan dat wij het nauwkeurig omschrijven kunnen. Maar het is wel een feit, dat deftige mensen over het algemeen niet tot de meelevende gemeenteleden behoren. Gehele villabuurten leveren dikwijls geen enkele kerkganger op. Hier schuilt ook vaak een modaliteitsprobleem. Komt men wat hoger op de maatschappelijke ladder, dan is men verplicht – zo is de gedachte – zich uit de volkse gemeente terug te trekken. Hier dreigt direct de onkerkelijkheid. Maar peilt men direct naar de oorsprong, dan stuit men op hoogmoed.
Er is een tijd geweest, dat in menige dorpsgemeente en in menige stad de ambten voorbeschikt waren aan bepaalde toonaangevende families. Dat behoefde niet altijd verkeerd te zijn. Maar het socialisme heeft in dit opzicht in stilte strijd geleverd met het liberalisme. Gehele geslachten hebben soms geen enkele inbreng meer in het gemeentelijke leven. Deze zaken zijn voor zover wij weten nooit eens voorwerp geweest van opzettelijke studie. En toch gevoelen wij, de levenstoon is veelszins veranderd. De deftige toon heeft plaatsgemaakt voor een lossere omgang. Toch zijn ze er nog, de families die voorheen heersten. Men vreest bij hen met de deur in huis te vallen, men vermoedt bij deze, en helaas dikwijls niet ten onrechte, minder sympathie op godsdienstig gebied. Daarom vermijden wij hen zo licht, terwijl enige meerdere hartelijkheid van onze zijde en een bescheiden, maar tevens ernstig vooropstellen van onze roeping, om ook met hen over de behoeften van hun ziel te spreken, niet ongezegend zou zijn.
Grote gemeenten hebben veel onkerkelijken. Ook kleine gemeenten weten er van mee te praten. En – menig onkerkelijk mens komt aan met het excuus, dat nog nooit een predikant het huis is binnengekomen. Wij moeten wel zeggen, dat zulk een verontschuldiging weinig degelijk is, als men hoort wat een moeite moet worden gedaan om binnen te komen. Als zodanig is het waar en goed, niet te veel waarde aan het verwijt te hechten: wij hebben nooit iemand van de kerk gezien. En toch, een gezette ontmoeting levert zegen op. Het predikantsambt moest niet zo bezet zijn met vele bijzaken als nu. Een gemeente, die wordt bezocht, gaat trouwer naar de kerk. Onbekend maakt onbemind. Wat ons onbekend blijft, kunnen wij niet liefhebben en daarom gaat het wel, dat wij het ons toevertrouwde deel kennen en liefde toedragen. Wij schrijven dit, met de erkentenis dat wij in deze bewering nuchter moeten blijven.
Een enkele opmerking moet ook nog worden gemaakt. Het geregeld gemeentebezoek wordt vaak verhinderd door vele andere verplichtingen. Vooral wanneer er vele vergaderingen zijn en dergelijke. Wij leven momenteel in een razende vergadercultuur. Vele predikanten gaan niet meer op huisbezoek in een grote gemeente. Het kan ook vaak niet meer. Maar waarom niet een afspraak gemaakt met een ouderling om op een bepaalde dag van de week op een vaste tijd huisbezoek te doen? De gehele gemeente lukt niet meer, maar wat denkt u van huisbezoek aan aanhuisgebondenen? Aan bejaarden boven een bepaalde leeftijd? Wij hebben de keuze, het gemeenteregister ligt ten gebruike gereed. Samengaan scherpt óp, leert nauwkeuriger waarnemen, is ook officiëler. Trouwens, de vrees dat de tegenwoordigheid van een ouderling de gemeenteleden belemmert in vertrouwelijkheid is in grotere gemeenten een fictie. In kleinere gemeenten schept het grotere problemen. Maar ook dan hangt het veel af van de zwijgplicht en de gesprekstoon.
Een gemeente, die gezet bezocht wordt, komt ook trouwer ter kerk. Hoe groter gemeente, hoe minder trouw kerkbezoek. Dat is de algemene regel. Of het nu nog in alle gevallen opgaat? Het hangt ook af van de kwaliteit van de prediking, van de kerkelijke opvoeding der gemeente in de loop der geslachten. Wij hebben ook te denken aan de gemeenteopbouw in de visie van bepaalde, predikanten. Een reeks van factoren telt hierin zeker mee. Je kunt niet altijd zeggen, dat een kleine gemeente beter kerkt, omdat ze meer bezocht wordt. Zo vanzelfsprekend ligt het niet. Nu weten we wel, kerkelijk leven is nog geen geestelijk leven. Volle kerken zijn nog geen blijk van hartelijke belangstelling in het Evangelie, maar lege kerken zeer beslist ook niet. Al weten wij wel, dat schaars bezette kerken vooral in de namiddagdiensten altijd de afnemers bevatten, die het meer dan anderen te doen is om het Woord des Heeren. Het zou immer gelijk op moeten gaan. Volle kerken en volle begeerte. Zo is het nu eenmaal niet. Laten wij dan terzake op gedegen gronden oordelen na grondige kennisname. Ons blijft alleen de roeping om getrouw te zijn over. En brengen wij de gemeente het rijke Evangelie, er ligt een zegen in voor hen. die het horen.
A. van Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's