Uit de Pers
'Bogermannen' gezocht
Soms blijken uitspraken van mensen vleugeltjes te hebben gekregen. Ze blijven rondfladderen en telkens weer dalen ze in een discussie neer. Er zouden allerlei voorbeelden van te geven zijn. Eén ervan is de uitspraak die prof. dr. A. Bronkhorst jaren geleden eens deed tot de hervormd-gereformeerden, toen er een discussie gevoerd werd over de rechtmatigheid van een evenredige verdeling van kerkelijke hoogleraarsposten aan de verschillende universiteiten. Evenredig gemeten naar de verschillende modaliteiten en stromingen binnen de Hervormde kerk. 'Waar zijn dan uw Bogermannen?', zo luidden zijn woorden. Hij bedoelde: u wilt wel zo graag een hoogleraar van uw denominatie benoemd zien en wij willen dat ook best, maar we kunnen uit uw kring geen gekwalificeerde personen vinden. Curieus overigens, dat deze naam genoemd werd. Johannes Bogerman (1576-1637) was de alom gerespecteerde voorzitter van de Dordtse Synode (1618-1619), die de befaamde woorden 'Ite, ite' dat wil zeggen 'Gaat heen, gaat heen' tot de Remonstranten sprak. In 1626 kreeg Bogerman de leiding van de werkgroep die de Statenvertaling voorbereidde. Hij was een man van grote geleerdheid, die taalkundig was geschoold in Franeker bij Drusius en theologisch aan buitenlandse universiteiten. Een uitgesproken gereformeerd man en een wetenschappelijk gevormd theoloog.
Op hem doelde prof. Bronkhorst met zijn 'Waar zijn uw Bogermannen?'.
Onlangs meende prof. dr. A. van de Beek er op de zomersynode van onze kerk goed aan te doen deze gevleugelde woorden nog maar weer eens op zijn geleerde lippen te nemen, toen het opnieuw om benoemingen ging van kerkelijke hoogleraren, waarbij uiteraard op de achtergrond de modaliteit van de te benoemen candidaten een rol speelde. Soms krijgen zulke uitspraken iets vervelends, al ben ik er van overtuigd dat prof. Van de Beek het zeker niet vervelend heeft bedoeld. Wij houden onder ons van een voortgaande ontdekking aan wie we zijn en in dat kader kan ik het plaatsen als mensen de gelegenheid te baat nemen nog maar weer eens een ontdekkend woord te spreken tot vooral de hervormd-gereformeerde vleugel van onze kerk. In 'Woord en Dienst' van 20 augustus reageert ds. C. van Vliet (Aalst Gld.) op prof. Van de Beeks verzuchting. Het komt er op neer dat Van Vliet deze vraag niet langer billijk vindt. Er is, vindt hij, in hervormd-gereformeerde kring toch wel wat veranderd op het punt van geschikte en daarom beschikbare candidaten, ook al acht hij het moeilijk om te bepalen of deze personen competent zijn om ook hoogleraar te worden.
Er zit volgens Van Vliet nog wel een andere vraag achter het geheel.
Een ondeugende, maar tegelijkertijd ook brandende vraag van mij luidt: zijn professorabele hervormd-gereformeerde theologen eigenlijk wel acceptabel? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat juist hier, zeker waar het binnen de kerkelijke opleidmg de vakgebieden van de ethiek en de dogmatiek betreft, de angel zit. Is er plaats en wordt er ruimte geboden op deze terreinen voor een klassiek gereformeerd geluid? Ik zou hier weleens een principiële uitspraak over willen horen, die ook vertaald wordt in daadwerkelijk beleid. Of moet ik het huidige beleid beschouwen als antwoord op deze vraag?
De vraag die ds. Van Vliet opwerpt is, denk ik, niet zonder grond. Welke 'Bogerman' wordt bedoeld? Die van de hoge wetenschappelijke kwaliteiten alleen, zonder zijn Dordts gereformeerde overtuiging? Of de 'Bogerman' compleet? Het zou niet vreemd zijn als juist bij dat laatste apsect van een eventuele 'Bogerman' vandaag toch de moeilijkheid ligt als het om een benoeming gaat. In 'Koers' van 20 augustus wordt prof. Graafland geïnterviewd. Hij zegt dan ergens het volgende over de gereformeerde theologie.
De gereformeerde theologie is anders niet zoveel bezig met die dialoog.
'Helaas niet. Gereformeerde theologie zit veel te veel in de hoek van de vergetelheid. Dat is ook het tragische lot van Theologia Reformata. De artikelen daarin worden als niet-wetenschappelijk beschouwd. Er is een grote kloof tussen de gereformeerde theologie en de gangbare tendensen in de theologie. Het is een moeilijke opdracht om gereformeerd te blijven en toch aan te sluiten bij de theologie van vandaag. Dat kan natuurlijk niet als je altijd kritiek hebt op anderen, maar alles van je eigen traditie goed vindt. Zelfkritiek moet. Dat is bijbels, èn het zorgt voor een vruchtbaar bezig zijn in het geheel van de kerk.'
En het viel me op in een gesprek dat het Reformatorisch Dagblad eind juni had met de nieuw benoemde hoogleraar praktische theologie aan de Rijksuniversiteit van Utrecht, dr. F.G. Immink, dat deze o.a. zei: 'Het is best mogelijk een gerespecteerd gereformeerd theoloog te zijn, alleen moet je die titel eerst wel verdienen. Je bent het niet bij voorbaat. Je begint met een achterstandspositie en je zult je waar moeten maken (…) De gereformeerde theologie is een minderheidstheologie…'
Verstand en hart
Wanneer is iemand geschikt om als hoogleraar anderen te onderwijzen en dan denken we hier uiteraard aan iemand die vooral a.s. dienaren van het Woord opleidt. Prof. Van de Beek constateert met het oog op de hervormd-gereformeerde kring o.a. het volgende en geeft vervolgens zijn visie op genoemde vraag.
Een hoogleraar die veel schrijft en internationaal furore maakt, maar niet in staat is goed college te geven, is een flink mank schaap! Bovendien mag men van een kerkelijk hoogleraar verwachten dat hij de kerk kent en omdat hij predikanten opleidt, ook dat werk van binnenuit kent. De vijf-jaar-grens die de kerkorde daarbij noemt, geldt inderdaad als minimum en de synode moet goede redenen hebben om daarvan af te wijken.
Nu kan niet iedereen alles. We mogen geen schapen met vijf poten eisen. Als het woord 'Bogerman' (al dan niet terecht) staat voor een uitnemend theoloog uit de gereformeerde traditie, iemand die met kop en schouders boven het gemiddelde uitsteekt, dan is daarmee niet bedoeld dat elke doctor in de theologie uit hervormd-gereformeerde kring, in tegenstelling tot mensen uit andere modaliteiten, aan die kwalificaties zou moeten voldoen. Niet iedereen hoeft een Severijn te zijn. Er is veel meer bedoeld: binnen de hervormd-gereformeerde richting moeten er genoeg mensen zijn die qua intellect en persoonlijkheid tot dit niveau zouden kunnen komen. Maar hoe komt het dat ze er niet zijn? (…)
Toch is het gebrek aan gepromoveerden niet alleen een algemeen structureel probleem. Het gebrek aan gekwalificeerden in dogmatiek en bijbelse theologie raakt vooral de hervormd-gereformeerden. Uiteraard lokt het historisch besef in deze kring tot historisch onderzoek. Maar men moet ook de moed hebben om de gereformeerde theologie verder te dragen. En dat betekent vooral dat het gereformeerde volk in de hervormde kerk mensen vertrouwt en stimuleert in het zoeken naar waarheid. Is die ruimte en stimulans wel voldoende aanwezig? En als die ontbreken, ontbreekt ook het klimaat waarin gereformeerde dogmatici kunnen gedijen. (…)
Ook al heeft iemand niet het niveau van 'Bogerman' of Severijn, dan kan hij nog best hoogleraar ofdocent worden. Niet iedereen hoeft alle kwaliteiten te bezitten. De meeste schapen hebben gewoon vier poten. In de regel is het het beste als die ongeveer even lang zijn. Anders loopt het zo slecht. Anders gezegd: het is goed als praktijkervaring, levenswijsheid, onderwijsvaardigheden en managementkwaliteiten min of meer in evenwicht zijn. Mocht het schaap een gebrekkige poot hebben en daartegenover een extra sterke, dan is dat soms ook nog op te vangen, als er maar andere schapen in de buurt zijn om het over te nemen. Een hoogleraar zonder managementkwaliteiten gaat wel, maar een heel team zonder praktisch inzicht lijkt me lastig.
Een ding kan echter nooit gemist worden: dat iemand wetenschappelijke kwaliteiten heeft. Het gaat tenslotte om wetenschappelijk onderwijs. Wie wetenschappelijk onder de maat is, is aan de universiteit niet een schaap met drie (of minder) poten, maar is een schaap zonder kop. En zo'n schaap komt niet ver.
Er is nog een 'ding' dat niet kan worden gemist: dat iemand persoonlijk betrokken is in het geloof dat hij doordenkt en onderwijst. Een schaap zonder hart brengt het ook niet ver.
Ik kan me heel goed vinden in veel wat prof. Van de Beek hier schrijft. Het mag ons in de kerk niet gaan om een 'Bondsbenoeming', maar om de benoeming van iemand die middenin de gereformeerde traditie staat om een aankomende generatie predikanten van binnen uit hierin te onderwijzen met verstand en hart. Het gaat bij een kerkelijke opleiding immers ook om de kerk, om haar te dienen en toe te rusten in de kennis van Christus.
In 'De Wekker' van 20 augustus stond een gesprek te lezen met prof. dr. H.G.L. Peels, sinds januari 1993 hoogleraar Oudtestamentische vakken. Bijbels Hebreeuws en Bijbelse Oudheidkunde aan de Theologische Universiteit van Apeldoorn. In dat gesprek komt ook de vraag aan de orde. die ons dit keer bezighoudt. We citeren eerst de vraag die D. Koole aan prof. Peels stelt, waarna diens uitvoerig antwoord te lezen valt.
Wat behoort naar uw oordeel tot de voorwaarden voor een hoogleraar/docent in de theologie om op effectieve wijze kennis over te dragen en goed inzicht te geven in de fundamentele stukken van het christelijk geloof? Dient men op de colleges puur wetenschappelijk bezig te zijn of mag er in de colleges ook iets meekomen en doorklinken van eigen inzicht en persoonlijke beleving van de dingen waarmee men bezig is? Mogen studenten op dit punt een hoogleraar om verantwoording vragen? Gebeurt dat wel eens? In dit verband is te denken aan wat de laatste generale synode van onze kerken heeft uitgesproken ten aanzien van de wenselijkheid bij de studie in Apeldoorn toch vooral ook de praktikale godgeleerdheid aandacht te geven.
'Uw vraag omvat tweeërlei, het profiel van de hoogleraar en de relatie tussen wetenschap en vroomheid. Wat het eerste betreft zou ik vier dingen willen noemen.
Als hoogleraar moet je om te beginnen goed weten waarover je het hebt. In concreto betekent dat a kennis van en inzicht in de Heilige Schrift, b kennis van de geschiedenis van de theologie, in het bijzonder van de reformatorische theologie en c kennis van de wetenschappelijke stand van zaken van vandaag.
Een tweede voorwaarde is dat men kritisch en evaluerend naar alle zijden bezig is, dat men vraagtekens goed weegt alvorens er uitroeptekens van te maken. Ik denk hier met name aan de bijbelwetenschap, aan nieuwe gezichtspunten en vragen die vroeger niet zijn onderkend. De gereformeerde theologische wetenschapper moet alles horen, registreren, evalueren, kritisch luisteren en dan een standpunt innemen. Hij moet de confrontatie durven aangaan met de moderne bijbelwetenschap en theologie bedrijven in rapport met wat vandaag op de theologische markt te koop is. In mijn gevoel is men binnen orthodoxe kringen wat te weinig met deze dingen bezig. Ik kom tot die conclusie op grond van het feit dat er binnen die kringen veel promoties op kerkhistorische onderwerpen zijn en maar zelden over oudtestamentische onderwerpen.
Als derde en vierde voorwaarde zou ik willen noemen het vermogen om kennis op effectieve wijze en met overtuiging op de studenten over te brengen. Daartoe zijn didactische gaven nodig. En hiermee zitten we dan helemaal in het tweede deel van uw vraag. Die kennisoverdracht moet plaatsvinden op een manier waarin voelbaar is dat het je geestelijk eigendom is, dat het door je heen is gegaan, ik zou zeggen een beetje op de wijze als in de preek. Anders gezegd: als je uit het hoofd spreekt, laat je het hart niet gesloten. In Johannes 20 staat aan het slot: 'deze dingen zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam'. De beleving hiervan mag in de colleges doorklinken en voelbaar zijn. Er mag en moet op dit punt interactie zijn tussen docent en student en ik vind het een grote genade als studenten, bijvoorbeeld in het afsluitende gebed, zich daarvoor dankbaar tonen.'
Een helder antwoord van deze pasbenoemde hoogleraar aan de Christelijke. Gereformeerde opleiding voor predikanten.
Intussen is het er voor hen die aan universiteiten doceren niet eenvoudiger op geworden om tussen de klippen van een door de overheid geforceerde tempostudie en van een wetenschappelijk verantwoord bezig zijn het schip van de opleiding op koers te houden. Het zogeheten rendementsdenken holt wetenschappelijke normen uit. Welk niveau hebben pas afgestudeerde predikanten als ze in de gemeente beginnen? Zijn ze echt toegerust om in onze zo gecompliceerde tijd en verscheiden samengestelde gemeenten werkelijk leiding te geven? Zorgen om wetenschappelijk niveau door prof. Van de Beek zijn legitiem. Daarnaast mag er in de kerk ook weleens meer aandacht worden geschonken aan de innerlijke toerusting en geschiktheid van personen om gemeenten te dienen. De voorbede van de gemeente dient ook daarom de opleiding te dragen, week in week uit.
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's