Globaal bekeken
Dezer dagen verscheen een prachtige autobiografie van ds. C.J. Hoekendijk (1873-1948), 'Bladen uit mijn levensboek' (uitgave Boekencentrum, 's-Gravenhage), bewerkt door dr. Th. van den End. Hier volgt wat deze evangelische voorman schrijft over zijn moeder:
'Zestien kinderen gaf God haar, doch ikzelf heb er nooit meer dan zes gekend. Al de anderen waren kort of langer na de geboorte door God weer uit het leven weggenomen. Moeder had dus tien van haar kinderen en vader reeds ten grave gedragen, en dat had op haar leven een heel scherp getekend eeuwigheidsmerk gezet.
Moeder was vroom. Nee, zij was niet zo'n altijd zingende halleluja-christin, doch haar vroomheid lag meer in de diepte. Ik zeg dat moeder vroom was, maar zelf zou zij dat nooit hebben durven getuigen. Zij kwam nooit verder dan zich een zoekende ziel te noemen, die heel haar leven bad, dat het de Here nog eens behagen mocht om zich in haar te openbaren. Ik twijfel er echter geen ogenblik aan, dat ik haar straks zal wederzien voor de troon van God.
Ja, moeder heeft haar heil wel echt in die diepte gezicht. Geen dominee was haar zwaar en geen predikant was haar ernstig genoeg. Zij reisde zo'n beetje alle gezelschappen af, waar "het volk" vergaderd was en daar zette hij haar hongerige ziel open, voor wat de bevindelijke broeders en zusters van de weg der zaligheid wisten te zeggen. Heel vaak werd er ook bij ons thuis zulk een gezelschap gehouden en de oudjes, die daarop een bevindelijk woordje wisten en durfden te spreken, werden door moeder als halve heiligen vereerd. En als moeder hun wat toestoppen kon dan zou zij dat niet laten, want het scheen op die gezelschappen weleens alsof de vroomsten ook de armsten waren.
Veel jubelende blijdschap gaf dat nalopen van die zware dominee's en dat bezoeken van die gezelschappen aan moeder echter niet. Zij was een echte putbewoonster, die wel wist te spreken van de diepte van ellende, doch niet van de Tabors van verkwikkingen. Toen de plaat van Bunyan over de brede en smalle weg, die als premieplaat bij een scheurkalender was verschenen, een plaats had gevonden in onze huiskamer, stond ik daar eens ernstig naar te kijken en had niet gemerkt dat moeder achter mij was komen staan. Opeens zei zij: "Hé Kees, wijs jij nu eens aan waar jij op dien weg bent". Ik zag moeder toen diep in haar lieve ogen en zei heel galant: "Straks moeder, na u". Toen wees zij naar dat vrouwtje dat op het bankje voor de enge poort zat te wenen en zeide: "Ik vrees dat ik dat ben". Doch toen zij dat gezegd had, holde zij weg en begon te schreien.
Nooit is moeder eens tot het blijde getuigenis gekomen, dat zij haar heil en zaligheid werkelijk in Jezus Christus gevonden had. Doch ik geloof, dat het zo was, moeder was als iemand die naar zijn bril zoekt en die niet weet, dat hij hem op zijn neus heeft staan. Moeder zocht naar het heil, dat zij reeds bezat, want moeder deed onbewust naar het woord van Jacobus en toonde haar geloof uit haar werken, en dat is toch zeker wel het ware.'
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's