De Avondmaalsviering
Als wij over de viering van het Avondmaal gaan nadenken, geloven wij met tal van factoren in aanraking te zullen komen. Er zijn predikanten, die moeite hebben met de grote aantallen, die aanstromen en er zijn voorgangers, die lijden aan het grote Avondmaalsverzuim. Naar onze indruk is het zo, dat in de laatste jaren in een groot deel van de gemeenten, die tot de gereformeerde gezindte gerekend worden, het Avondmaalsbezoek is toegenomen. In tegenstelling tot een vorige periode, waarin de Avondmaalstafel bijna geheel verlaten stond. Eenvoudige mensen hadden gewoon niet de moed tot de tafel te naderen, uit vrees voor de kritiek, die op hen zou worden uitgeoefend door degenen die in de gemeente de toon aangaven. Het was soms ook zo, dat over de viering van het Avondmaal maar al te zeer een somber rouwfloers hing.
Wanneer wij in oprechtheid als predikant voor de gemeente het beste zoeken, zal het grove Avondmaalsverzuim een diep verdriet voor ons zijn. Zijn er dan zó weinigen, die zichzelf wegens hun zonden mishagen? Zo weinigen, die de verzekering des Heeren, dat Hij Zich voor hen overgaf in de dood, ootmoedig en dankbaar aannemen? Zijn er zo weinigen, die van Hem de kracht zoeken, om in nieuwheid des levens te wandelen? Zie, het kost dan moeite om met het oog op zulk een karige Avondmaalsviering niet moedeloos en bitter te worden. Er was bij de voorbereiding toch zo dringend gewezen op de zegen aan de Avondmaalsviering verbonden. Christus was toch zo nodigend voorgesteld in de prediking. Menig bezwaar was beantwoord en, naar wij dachten, uit de weg geruimd. Met aandrang was de gemeente opgewekt om het bevel des Heeren op te volgen. Maar 't hielp niet, de gemeente bleef weg van de tafel.
Kijk, dat is het ene uiterste. Maar in een ander uiterste vervalt men weer elders. Men staat er op aan zijn godsdienstige plicht te voldoen. U bemerkt aan de tafel personen op, die noch bij de voorbereiding aanwezig waren, noch waarschijnlijk aan de dankzegging deelnemen. Het Avondmaal is een tovermiddel daar geworden. Wat bemerkt u in die gemeente weinig van mishagen aan zichzelf, van levensbehoefte aan de Heere. Ook schijnen er nauwelijks sporen aanwezig van begeerte om zijn leven te beteren. Het komt ons alles even mechanisch voor. Maar men blijft niet weg. Wat de voorganger daarover zegt, wordt aangehoord met hetzelfde gezicht als al het andere. Je hoort daar nogal eens deze dooddoener voordragen: 'Als wij maar de helft deden van wat de dominee ons elke zondag voorhoudt, zou het er heel anders uitzien'. Men heeft er de gedachte bij, dat de dominee overvraagt. Daar kan wat op afgedongen worden. Een mens kan toch eenmaal niet alles. Zo precies komt het er toch niet op aan. In de Veluwe zouden ze zeggen: zo krèk komt het er toch niet op aan!
Wat moeten wij doen, wat kunnen wij hier doen? Wij zouden menen, laat ons niet aan de vruchten beginnen, maar aan de wortel van de boom. De Avondmaalsviering is de openbaring van wat er in de gemeente leeft. Het is heel gemakkelijk het gaandeweg in de gemeente zo ver te brengen dat er bijna niemand meer aan het Avondmaal komt. Evenzeer kost het weinig moeite om van een boompje al de onrijpe vruchten af te breken. Er zijn wel eens voorgangers geweest, die zo ijverden, dat zij een gemeente voor tientallen jaren bedierven door tegen de Avondmaalsviering te waarschuwen. Zij stelden er een eer in, dat er op het laatst bijna niemand meer aan deelnam. In sominige kringen wordt zulks super-rechtzinnig geacht.
Het is ook mogelijk, hoewel moeilijker, door kunstmatig op een meer gezet Avondmaalsbezoek aan te dringen, tijdelijk verbetering er in te brengen. Ook deze handelwijze is onder ons gevolgd. Men legt al maar op het Avondmaalvieren het accent. Voor en na komt dit sacrament in de prediking voor. Al spoedig komt men tot een overschatting van de tafel. Ja, hier en daar verbindt er de gemeente schier tovenarij aan. Als je maar aan het Avondmaal geweest bent, dan is het wel goed. Wij zien dan een toename van de deelnemenden aan het sacrament, maar je bemerkt zo weinig diepte. Er wordt schamper gesproken over hen, die afblijven, maar van de weeromstuit heerst er dan onder de gasten hoogmoed en zelfverzekerdheid. Ook is er zo weinig ernst in leer en leven. Wij hebben daar alleen broeibakvruchten, de boom zelf lijdt er onder.
Wat kan in beide gevallen nu verbetering aanbrengen? Wij menen, een hartelijke levendige Evangelieprediking. Een prediking die stoelt op het klare Woord des Heeren, maar die ook de toetssteen van de confessie kan verdragen. Juist op het punt van heersende dwalingen kan de belijdenis ons helpen de afglijdingen te onderkennen en verbeteringen aan te brengen. Wij worden dan bovendien bewaard voor het vervallen aan de heersende theologische modetendens. Er komt een klare lijn, een evenwicht temidden der uitersten. Er is een waarheid van alle tijden. Dan werken wij een werk op hope. Wij moeten dan de moed hebben om vermoedelijk niet al te populair te zijn voor een bepaalde tijd. Later blijkt nogal eens, dat het reiken naar de diepte meer uitwerking heeft, dan het oogsten van de lofuitingen der menigte. Laten wij niet aarzelen op de catechisatie en op de preekstoel heldere uitleg te geven. Gedegen onderricht is de enige medicijn. Wij moeten de uitdrukking 'onwaardig eten en drinken', waarvan Paulus spreekt, maar eens in het rechte licht van het verband plaatsen. Maar wij moeten dan ook maar waarschuwen tegen de onbekeerlijkheid, die liever wegblijft, dan zich recht te beproeven. Evenzeer is het onze roeping de onbekeerlijkheid aan de kaak te stellen, die zonder zelfbeproeving maar komt. Maar vooral, laat ons toch gedurig weer de boodschap brengen: 'Laat u met God verzoenen'. Als er harten geopend worden voor de liefde Gods in Christus, begint er ook verlangen te ontstaan naar de tafel des Heeren.
Keurmeesters zullen er altijd blijven. Hier geldt de wenk van Paulus: 'Het is mij voor het minste door ulieden geoordeeld te worden', dat woord van Paulus hebben wij tegenover hen met nadruk te handhaven. Laat hen zich dan maar voor een tijd grommende terugtrekken. Ze komen wel wéér, als zij in waarheid kinderen Gods zijn en bemerken dat het toch Gods werk was, dat wij deden. Zulke keurmeesters, ook wanneer zij in waarheid godvrezend zijn, hebben wel iets van hoge bomen in een bos. Onder deze bomen wil niets groeien. Zij verspreiden te veel schaduwen onderscheppen de regen, en als zij druppels doorlaten, dan zijn het geen zachte druppels meer, maar dikke harde druppels, die het jonge gewas pijn doen. Men doet het beste de jonge aanplant op enige afstand van hen te plaatsen.
De dode Avondmaalsviering vermindert als er leven komt. Het komt er op aan, ons niet aan mismoedigheid over te geven, maar te bidden om en te arbeiden aan de geestelijke groei van onze gemeente. Op Gods tijd zal ook de vrucht zich openbaren. Het kost vele predikanten moeite om het dwaalbegrip rondom het Avondmaal te bestrijden, zowel naar de ene als naar de andere kant. Wel is er de laatste jaren veel opgeklaard, maar of op de bodem nog niet veel woekert? Wij geloven van wel. Maar het blijft bij alle misstand dan toch de roeping om te doen wat voorhanden is! Dat vraagt wijsheid en evenwichtigheid. Er kan een bestrijding van dwalingen zijn, die ons in het minst niet raakt, omdat het een ijdel woordgevecht is, ver boven ons hoofd. Maar als de prediker afdaalt in de boze diepten van het mensenhart, zie, dan raakt het onszelf. Dan worden wij er in betrokken. Het is dan goed, ons door de Schrift en door de belijdenis te laten gezeggen.
Wij hebben te waken voor de ondiepte van een oppervlakkig Avondmaalsgebruik, maar evenzeer voor de schijndiepte van een zogenaamde Avondmaalsmijding. Bij beide beschouwingen blijft de oude mens rechtovereind staan. Nodig is om tevoren recht te beproeven. En, als die zelfbeproeving mij leert, dat ik een verloren zondaar ben, dan heb ik de verzekering juist nodig, dat de Heere zich voor mij, ook voor mij, overgaf in de dood. In ons Avondmaalsformulier wordt dan ook niet vermaand weg te blijven, zìj, die nog geen volkomen geloof hebben, noch zij die nog dagelijks met hun ongeloof hebben te strijden. Deze worden juist opgewekt om te komen. Neen, zij worden juist afgemaand die zich niet willen bekeren van hun ergernis gevende zonden. Niet om de hoogmoed te voeden van eigendunkelijke mensen heeft de Heere zijn Avondmaal ingezet. Het is gegeven om zwakke en verbrijzelde harten te genezen en te troosten. De geraakten en de gewonden in hun eigen schatting – zie, die wordt de toegang mild geopend.
A. van Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's