Wat valt er in de kerk te vieren?
Langzaam maar zeker zijn in het kerkelijk spraakgebruik de laatste tijd de woorden vieren en viering steeds sterker naar voren gekomen. Nu zijn deze woorden op zich gangbare begrippen binnen de christelijke gemeente. We vieren immers de sacramenten, hoewel we nadrukkelijker spreken over avondmaalsviering dan over doopviering. En ook de christelijke feestdagen hebben het karakter van viering: we vieren kerst en pasen en pinksteren, ook al wordt dat in de Schrift niet voorgeschreven. Viering is bij uitstek een christelijk gebeuren. Overigens komen de woorden vieren en viering op zich in de Schrift niet zo vaak voor. Wanneer we echter bedenken, dat vieren ook in rechtstreeks verband staat met de godsdienstige feesten in Israël, dan moet gezegd worden, dat de gedàchte van de viering, van de fééstviering veelvuldig in de Schrift te vinden is.
De profeet Nahum wekt Juda op, zodra het van Assyrië bevrijd zal zijn, de vierdagen te vieren (festivitates noemt Calvijn ze in het Latijn). 'Vier uw vierdagen o Juda en betaal uw geloften' (Nahum 1 : 15). In Juda waren de vierdagen nog niet, zoals in Israël, verworden, zegt Calvijn; er zal bevrijding komen en een rustige toestand ontstaan, 'zodat zij allen, vrij en zonder vrees voor vijanden, kunnen opgaan naar Jeruzalem en hun feestdagen vieren en de Heere dank brengen en vrolijk zijn voor Zijn Aangezicht…'
Intussen valt wèl te bedenken, dat vieren, feestvieren en gedenken zich voltrekken voor het Aangezicht des Heeren. 'Vrolijk zijn voor Zijn Aangezicht', zegt Calvijn. Dat overigens zulk een 'vrolijkheid' niet louter een zaak van het innerlijk was, leren de feesten van Israël tot op de dag van heden. Ook het hele lichaam doet mee, en bepaaldelijk niet alleen doordat mensen zich op de heup kloppen. De hele instrumentenkast – orgel, bazuin, luit en harp – wordt ook open getrokken. Als zodanig zijn onze feestvieringen ingetogener dan die onder het Oude Testament en zoals die vandaag nog joods-godsdienstig gebruik vormen.
Gezette tijden
Maar de vieringen vonden wel op gezètte tijden plaats, op dagen, die daarvoor waren ingericht. Zo zal het ook in de kerk met goede orde toegaan. We vieren op gezètte tijden de sacramenten en de christelijke feesten. In de reformatorische traditie is er wat dit betreft ook sprake van een zekere ingetogenheid. We vieren niet èlke wéék het avondmaal. Het element van sleur of gewoonte mag niet intreden. Het moet viering blíj́ven, waarnaar wordt uitgezien en waar naar toe wordt geleefd.
Altijd weer komen de vieringen ook uít of zijn ze gericht òp de verkondiging. Wat is viering van de sacramenten (waard) als deze niet hangt aan de prediking? Wat het avondmaal betreft is niet ten onrechte in de reformatorische traditie gekozen voor een voorbereiding en een nabetrachting, waarbinnen de viering ligt ingebed; en dan ook nog omrànkt door de prediking des Woords tijdens de viering zelve.
Sacramenten hangen aan het Woord en de bediening van het Woord. De rechte viering geschiedt dan ook bij het Woord, omdat daarin alléén God Zich openbaart. Met de hoge feesten is het al niet anders. Alle menselijke gedoe er omheen leidt vaak af van de werkelijke functie van de viering. We denken hier aan de veruitwendiging van kerst en pasen en aan de onttrekking van hemelvaart en pinksteren door velen aan de eredienst. Maar wat kan viering voor het aangezicht des Heeren anders zijn dan het gedenken van de grote daden Gods, in de weg van de verkondiging en in het zingen van de liederen en het aanheffen van de gebeden!
Verschuiving
In de aanhef van dit artikel sprak ik over het feit, dat er in toenemende mate binnen de kerken over vieringen gesproken wordt. Vergis ik me als ik zeg dat dit woord in korte tijd een hoge vlucht nam? Maar er is in dit verband dan juist ook sprake van wezenlijke verschuivingen ten opzichte van wat de Schrift onder vieringen verstaat.
In de concept kerkorde voor een eventuele 'gefuseerde' kerk wordt enerzijds belijnd onder woorden gebracht wat de kerk allemaal viert, namelijk: 'de dag des Heeren, de komst, de geboorte en de verschijning van Christus, zijn lijden, sterven en opstanding, zijn hemelvaart en de uitstorting van de Heilige Geest, alsook (in de lutherse traditie, v.d. G.) de dag van de Drieëenheid'. Maar het is toch bepaald ook doordacht en dus ook niet zonder reden, dat in het grondleggende artikel (I) over 'de kerk' het vieren vóór het spreken en het handelen staat, terwijl de verkondiging ontbreekt: 'de kerk belijdt telkens opnieuw in haar vieren, spreken en handelen Jezus Christus als Heer van de wereld en roept daarmee op tot vernieuwing van het leven in cultuur, staat en maatschappij.' Hier zou verwacht mogen worden dat verkòndiging voorop zou staan. Nu staat 'verkondiging' al wèl éérder in dit grondleggende artikel genoemd: 'levend uit Gods genade vervult de kerk de opdracht van haar Heer, Jezus Christus, om het Woord te horen en te verkondigen.' Maar híér ontbreekt dan weer de viering. En waar viering staat ontbreekt de verkondiging.
We zouden derhalve op z'n minst mogen vragen waarom viering en verkondiging ontkoppeld zijn. Heeft viering – zo moeten we vragen – hier niet vooral een functie naar buiten, naar de wereld toe? Dit zou duiden op een ontoelaatbare verschuiving en overaccentuering van de plaats, die de viering inneemt in de gemeente. Want viering geschiedt naar bijbels patroon immers voor Gods Aangezicht, daar waar de gemeente bijeen is rondom Woord en sacrament. Het zou niet onmogelijk zijn dat hier toch verkapt andere vieringen om de hoek komen kijken.
Stap verder
We spreken hier namelijk niet over theoretische zaken. In de praktijk van het kerkelijke leven geschiedt het méér en méér, dat viering los staat van de verkondiging. We kunnen hier denken aan allerlei kerkelijke conferenties – landelijk of internationaal, kerkelijk of interkerkelijk – waar viering van het avondmaal een plaats heeft. Dat daarbij nooit sprake is van voorbereiding en dat vaak ook het avondmaal op zichzèlf wordt gevierd, zonder verkondiging vooraf, geeft aan één en ander een twijfelachtig karakter.
Maar verder zien we, dat ook telkens vieringen worden ingevoerd in het kader van een kerkelijk of oecumenisch beraad of van een thematische conferentie of een willekeurige kerkelijke bezinning. Het geheel wordt dan bijvoorbeeld afgesloten met een viering.
Viering behoort vandaag vooral tot het oecumenisch jargon. In dit verband kunnen we denken aan de slotviering op de Kerkendag, waarbij druiven werden gedeeld. Maar wat daar massaal gebeurde, vindt in toenemende mate ook op kleine(r) schaal plaats. Nog afgezien van het feit, dat één en ander vaak gepaard gaat met bepaalde symbolen of symbolische handelingen, die associaties met het avondmaal oproepen, moeten we ons afvragen of hier niet een enorme uitholling van het woord viering plaatsvindt. Eigenlijk is viering zo niet méér dan uitdrukking geven aan gevoelens van gemeenschapszin. Ten diepste is er sprake van een ontwijding en horizontalisering van het begrip viering.
Nu zijn er natuurlijk ook de gewone vieringen in het leven, een verjaardag of een jubileum, gewoon, gezellig. Men kan het overigens zelfs al tegen komen, dat vandaag gesproken wordt over het samen vieren van vakantie. Zo krijgt de gewone seculiere ontspanning al een vieringskarakter. Nu zullen ook de alledaagse vieringen, alsook de beleving van de vrije tijd in het persoonlijke leven een plaats hebben voor Gods Aangezicht. Ze hebben echter geen gewijd karakter. Maar dan moet er ook juist tegen worden gewaakt, dat dit woord in eenzelfde duiding wordt overgenomen voor bijeenkomsten, waar christenen voor een thematische bezinning bijeen zijn. Viering als kerkelijk onderonsje. Als intussen bovendien een gewone afsluiting met gebed niet kan, duiden zulke gestileerde vieringen van onze tijd alleen maar op geestelijke armoede.
Daarom is het ook een serieuze vraag wat de nu voorliggende kerkorde bedoelt als in deze stukken 'viering' als het ware los verkrijgbaar is.
Het wezenlijke
Blijft over de vraag naar de rechte viering. Want van de weeromstuit, in reactie tegen een al te opgesmukt of geseculariseerd vieren, mogen we niet doen alsof er in de gemeente van Christus niet(s) te vieren vàlt. Calvijn gebruikt bij Israëls vierdagen, als gezegd, het woord vrolijkheid. Het gaat dan echter altijd wel om de vreugde aangaande het héíl, maar dan ook om de vréúgde van het heil. Aan het begin van de joodse sabbat gaat men soms het veld in om die dag als een bruid te begroeten. Mag er dan ook met name niet vreugde zijn op de zondag vanwege de verrijzenis van Christus? En zal er zo ook niet vreugde in het geloof zijn om het heil van kruis en opstanding; vreugde ook om de heerschappij van de ten hemel gevaren Christus, Koning der kerk en Heere der wereld; vreugde tenslotte om en in de Heilige Geest met Pinksteren? En bij de doop mag er toch zijn de vreugde des heils, omdat de doop het bad der wedergeboorte is (H.C.); en bij het avondmaal vreugde, in de gemeenschap met Christus en Zijn volk, vanwege de gedachtenis aan het lijden en sterven van Christus?
Eén van de kenmerken van geloof is ook blijdschap. Die zal, naast schuldbesef, óók een plaats hebben in de rechte viering voor Gods Aangezicht. Daarom schort er ook iets aan onze vieringen wanneer er het element van de vreugde om het heil in Christus aan ontbreekt.
'En het zal geschieden wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: wat hebt ge daar voor een dienst?, zo zult ge zeggen: dit is de Heere een paasoffer' (Ex. 12 : 26, 27). Het paasfeest als feest van de uittocht is toch wel in het Israël van het Oude Verbond een hoofdfeest. En de kinderen mochten en zouden weten welk een vreugde in de viering daarvan gelegen was. En zo is het ook gevierd van geslacht tot geslacht, voor het Aangezicht des Heeren.
We mogen ons afvragen of de aantredende generatie vandaag zo ook de rechte vreugde van de vieringen, van de sacramenten en de hoge feesten, afziet aan de ouderen. Moeten we niet zeggen, dat de gemeente vaak ver onder de maat van de bijbelse viering leeft. Hetzij doordat vieringen tot onderonsjes worden, hetzij doordat de vreugde om het heil te weinig wordt beleefd en te weinig doorstraalt?
De moderne ontwikkeling ten aanzien van vieringen duidt echter bepaald niet op geestelijke hoogconjunctuur.
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's