Boekbespreking
Ds. J. Westerink, Haggai en Zacharia, profeten van het Huis van God, 216 pag., ƒ 25,90, uitgave Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 1992 (een Telosboek).
Van 29 augustus tot 18 december van het jaar 520 v. Chr. heeft Haggai geprofeteerd in Jeruzalem. Het eerste optreden van Zacharia valt in dezelfde periode. Beiden hebben in Gods naam het volk opgeroepen te bouwen aan het huis van God. Ze hebben die oproep geplaatst in het perspectief van de eindtijd en verbonden met de eis van een heilig leven. Het moet bovenal een zaak van het hàrt zijn. Vandaar bij Haggai de steeds herhaalde vermaning: Stelt uw hàrt op uw wegen. Daarom zetten de profetieën van Zacharia in met de vraag van de Heere: Keert weer tot Mij, zo zal Ik tot u weerkeren. Van de laatste profeet zijn vooral de acht nachtgezichten bekend. Met de volgende hoofdstukken is dat veel minder het geval. Ze zijn vaak ook moeilijk te begrijpen. Wie worden bedoeld met de drie herders uit Zacharia 11? Hoe moeten we ons aan het slot van dit Bijbelboek de verschijning van de HEERE voorstellen? Dan zullen Zijn voeten op de Olijfberg staan. Als gevolg daarvan zal de Olijfberg in tweeën gespleten worden. Daardoor ontstaat een vluchtweg voor de benarde inwoners van Jeruzalem.
Ds. Westerink verstat de kunst ook moeilijke Bijbelgedeelten op een voor iedereen verstaanbare wijze uit te leggen, of beter nog, na te vertellen. Hij trekt de lijnen door naar onze tijd. Ondanks het afbraakproces van het christendom in Europa blijft onze roeping: Bouwt het huis des Heeren! De schrijver laat ons vooral ook zien wat de prediking van Haggai en Zacharia betekent voor het geestelijk leven. Ik kan u – juist ook daarom – de lezing van dit boek van harte aanbevelen. Het lijkt me bovendien uitermate geschikt als handleiding voor een bijbelkring. Elk hoofdstuk is voorzien van een reeks discussievragen.
Aan het schrijven van dit boek – oorspronkelijk lezingen voor de radiorubriek 'De Bijbel open' van de Evangelische Omroep – is heel wat studie voorafgegaan. In tegenstelling tot de commentaar van professor A.S. van der Woude houdt de schrijver vast aan de éénheid van het boek Zacharia. Hij verwerpt de opvatting van wijlen professor Edelkoort dat Zacharia behoort tot het geslacht der epigonen. Ik vraag me af of professor Edelkoort niet zo ongeveer hetzelfde heeft bedoeld als wat de schrijver opmerkt over de wijze waarop de profeet Haggai zijn taak heeft volbracht: 'Niet als een groot theoloog, niet als een origineel denker, Haggai heeft bij wijze van spreken op de schouders van anderen gestaan' (13).
De uitgever heeft dit mooie boek voorzien van een fraaie omslag.
H.J. de Bie, Huizen
C. den Boer, De eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs VII-XI, deel 2, 239 blz., ƒ 32,50, uitgeverij Kok/Voorhoeve, Kampen in samenwerking met de E.O., Hilversum 1993.
Betrekkelijk kort na de verschijning van deel 1 ligt nu het tweede deel van de verklaring van 1 Korinthe van de hand van collega Den Boer voor ons, als schriftelijke neerslag van een door velen zeer gewaardeerd radioprogramma.
Den Boer slaagt er in om steeds weer zo te schrijven, dat heldere uitleg samen gaat met meditatieve en pastorale overwegingen. We hebben hier allerminst een 'droge' commentaar voor ons. Naast de meer filologische verklaringen blijft er behoefte aan dergelijke praktikale bijbelverklaringen.
Laat evenwel niemand denken, dat de schrijver alleen maar voor de vuist weg mediteert. De vele aantekeningen laten ook nu weer zien, dat de schrijver zorgvuldig geëxegetiseerd heeft.
In dit deel komen belangrijke onderwerpen aan bod, zoals de waardering van huwelijk en ongehuwde staat, de relatie van de sterken en de zwakken, de christelijke vrijheid en de pericopen over het Heilig Avondmaal.
Hier en daar lopen uitleg en toepassing elkaar wel eens voor de voeten, zoals in de verklaring van 1 Kor. 11 : 1vv. Eerlijk gezegd is het pleidooi voor de hoofdbedekking als symbool me niet duidelijk. Symbool waarvan? Waarom niet eerlijk toegegeven, dat de apostel hier op een tijdbetrokken wijze spreekt?
Het 'leert de natuur zelf niet' wordt voor mijn gevoel te sterk betrokken op een voor allen tijde geldend natuurlijk besef. Collega Den Boer mag van mij best pleiten voor stijl, maar ook hij kan weten, dat onder ons nogal eens op een wetticistische manier omgegaan wordt met deze verzen. Daartegen had in de toepassing ook best gewaarschuwd mogen worden naast wat nu op blz. 200v. gezegd wordt. Emancipatiedrift en wetticisme zijn beide een aantasting van de christelijke vrijheid.
In de bespreking van 1 Kor. 11 : 17vv. wordt m.i. vers 28 teveel uitgelegd vanuit de latere gedachtengangen over zelfbeproeving en onwaardig eten en drinken in het gereformeerd protestantisme.
Ik betwijfel ook of het 'onwaardiglijk' in vs. 27, 29 hier betekent: 'ootmoedig, in schuldverslagenheid, al de zaligheid zoekend buitend zichzelf in Hem'. Als toepassing kan het zo gezegd worden, als uitleg wordt hier m.i. iets ingelezen wat de tekst als zodanig niet zegt.
Deze opmerkingen moge voor de schrijver een bewijs vormen met hoeveel belangstelling en waardering ik kennis nam van zijn werk. Hartelijk aanbevolen.
A. Noordegraaf, Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's