De samenhang van daad en lot
Wijs naar het Woord (4)
Vergelding in het Oude Testament?
Bestaat er in het Oude Testament zoiets als een dogma van de vergelding? Onder deze titel schreef de Duitse oudtestamenticus Klaus Koch een artikel dat veel stof deed opwaaien. Het verscheen in 1955. Zijn betoog komt in het kort hierop neer. Met name in de wijsheidsliteratuur van het Oude Testament vinden wij een groot aantal teksten waaruit duidelijk blijkt dat er een zekere samenhang bestaat tussen daad en lot. De rechtvaardigen gaat het goed in dit leven, maar met de goddelozen loopt het verkeerd af. Het punt waar alles om draait is dit. Volgens Koch hebben we hier te maken met een proces dat zich automatisch voltrekt. Van deze samenhang kun je zeggen: zo is het leven. Gòd komt er niet aan te pas. Gerhard von Rad heeft zich bij deze opvatting aangesloten. De wijsheidsliteratuur tekent het op elkaar ingrijpen van daad en lot als een binnen-wereldlijk gebeuren. Er zijn tal van teksten aan te voeren waarin – evenals in het boek Esther – de naam van God niet wordt genoemd. Het leven is te vergelijken met een zichzelf reinigend meer. Evenals in de natuur bestaat er ook in de mensenwereld een soort ecologisch evenwicht tussen goed en kwaad.
De teksten die in deze discussie een belangrijke plaats innemen, treffen we vooral aan in Spreuken 11. We kiezen als uitgangspunt vers 5:
De gerechtigheid van de oprechte maakt zijn weg recht;
maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
Inderdaad, God komt hier niet ter sprake. Het lijkt wel of dit proces buiten Hem omgaat. Daar zijn nog heel wat andere voorbeelden van te geven:
Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen;
maar met de ootmoedigen is wijsheid.
De oprechtheid der oprechten leidt hen;
maar de verkeerdheden der trouwelozen verstoort hen, Spr. 11 : 2v.
Een goedertieren mens doet zijn ziel wel;
maar die wreed is, beroert zijn vlees.
De goddeloze doet een vals werk;
maar voor hem, die gerechtigheid zaait, is trouw loon.
Alzo is de gerechtigheid ten leven,
gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt, Spr. 11 : 17-19.
Ziet, de rechtvaardige wordt vergolden op de aarde,
hoeveel te meer de goddeloze en zondaar! Spr. 11 : 31.
Een eerste reactie
Zoals we reeds gezien hebben, gaat er van de schepping onderwijzing uit. Aan haar ligt een ordening ten grondslag die liefde uitstraalt. Want Gòd is liefde. Zoals de Kanttekenaren van onze Statenvertaling zeggen, gaat het daarbij om de eerste en tweede tafel van Gods wet. Deze ordening bepaalt dus ook onze sociale houding. Deze twee theologische hoofdlijnen in de bijbelse wijsheid hebben we in de vorige artikelen al besproken. Daaruit volgt nu de derde hoofdlijn. Want juist in het al of niet gehoorzaam zijn aan de tora die vanuit de schepping naar ons toekomt, treedt de samenhang aan het licht tussen daad en lot. Daarin herkennen wij een zekere parallellie met de tora van de Sinaï. Wie zich houdt aan de onderwijzing, mag zegen verwachten. Wie dat willens en wetens weigert, wacht de vloek. Dat is de algemene regel. Daar zijn ook uitzonderingen op. Dat is de vierde hoofdlijn. Dan gaat het over Gods leiding met ons leven. Maar ditmaal richten we onze aandacht op de algemene regel:
De goddeloze heeft vele smarten,
maar die op de HEERE vertrouwt,
die zal de goedertierenheid omringen, Ps. 32 : 10.
Een verborgenheid
Het lijkt wel of deze algemene regel door iedereen kan worden geverifieerd. Gerhard von Rad meent dat de bijbelse wijsheid in dit opzicht is geseculariseerd. Ook in onze taal kennen wij spreekwoorden die de onlosmakelijke samenhang aangeven tussen daad en lot:
Wie goed doet, goed ontmoet.
Die eens steelt, is altijd een dief.
Boontje komt om zijn loontje.
('Boontje' is de verbastering van het Latijnse 'bonus' = 'goed'.)
Toch is de bijbelse wijsheid van een andere orde. Ze is een geheimenis. Alleen de 'oprechten' waar Spr. 11 : 5 over spreekt, zullen haar verstaan. Is onze verhouding tot God zuiver? Is het grondpatroon van de schepping óók het uitgangspunt van ons leven? Corresponderen die twee niet met elkaar, dan vallen wij als mensen uit de toon en verbreken wij de harmonie in de wereld. Maar dat is het nu juist. Het grondpatroon van de schepping is de liefde. Maar wij hebben gekozen voor een ander schema: de háát. Daardoor wordt ons leven óók geplaatst in een ander káder, namelijk dat van de goddeloosheid. En dat is fataal. Weer verwijzen we naar de zoëven geciteerde tekst uit Spr. 11: 'de goddeloze valt door zijn goddeloosheid'. Er is niet eens een wèg meer. In onze goddeloosheid stáán we al op de rand van de àfgrond…
Zó gezien hebben we hier niet te maken met een automatisch verlopend proces, dat ieder weldenkend mens kan constateren op grond van haar of zijn levenservaringen. Hier is in werking het oordeel van God over onze zonde. Ook in dit opzicht sluit het boek der Spreuken weer nauw aan bij de eerste hoofdstukken van Genesis. Het is de geschiedenis van schepping èn zondeval, van schuld èn straf In de samenhang van daad en lot openbaart zich de toorn van God. Maar ook Zijn genade. Dat blijkt uit de vergelijking van Christus met Adam in Romeinen 5. Alleen in het geloof leren wij dit geheimenis verstaan. Dat bedoelt ook Paulus wanneer hij aan de gemeente van Korinthe schrijft: Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing; opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heere, 1 Kor. 2 : 30v.
Ons leven in het kader van schuld en dood
Er is een samenhang tussen schuld en dood. In Romeinen 5 wordt dat duidelijk aangegeven: door één mens is de zonde de wereld ingekomen, en door de zonde de dood; en alzo is de dood tot alle mensen doorgegaan, vs. 12m. Van automiatisme is in deze samenhang geen sprake. Dat zou leiden tot fatalisme. Ons lot wordt dan ons nóódlot. Dat kan ons neerslachtig maken, of onverschillig. Maar ondertussen schuiven we alle verantwoordelijkheid van ons af. Dat alles in de wereld en ook in ons persoonlijk leven gaat zoals het gaat, is een kwestie van overmacht. Je kunt er niets aan doen. Maar God zegt: je had er wèl iets aan kunnen doen. De samenhang tussen schuld en dood berust op Zijn rechtvaardig oordeel. De overtreding van het gebod ten leven heeft geleid tot de dood. De HEERE God had het immers nadrukkelijk gezegd: Van alle boom van deze hof zult gij vrij eten, maar van de boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven. Gen. 2 : 16v.
Een nieuw begin in de vreze des HEEREN
In de vreze des HEEREN voltrekt zich aan de mens een fundamentele verandering. Uit het kader van schuld en dood wordt hij overgezet in het kader van genade en leven. Dat gaat niet zonder strijd:
De vreze des HEEREN is te haten het kwade, Spr. 8 : 13.
Wees niet wijs in uw ogen;
vrees de HEERE, en wijk van het kwade, Spr. 3 : 7.
De begeerte, die vervuld wordt, is zoet voor de ziel;
maar het is de zotten een gruwel van het kwade af te wijken, Spr. 13 : 19.
De wijze vreest, en wijkt van het kwade;
maar de zot is oplopend toornig en zorgeloos, Spr. 14 : 16.
Daarom wordt de wijsheid vaak omschreven als 'tucht'. In het 'onderwijzen' zit ook het element van 'terechtwijzen'. De leraar in het boek der Spreuken is een vader-figuur. Hij spreekt zijn leerling aan als 'mijn zoon'. Maar daarom hanteert hij ook de roede:
opdat gij wandelt op de weg der goeden,
en houdt de paden der rechtvaardigen, Spr. 2 : 20.
De leraar wordt aangesproken op zijn verantwoordelijkheid:
Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon;
maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging, Spr. 13 : 24.
Op de lippen van de verstandige wordt wijsheid gevonden; maar op de rug van de verstandeloze de roede, Spr. 10 : 13.
De dwaasheid is in het hart van de jongen gebonden;
de roede der tucht zal ze ver van hem wegdoen, Spr. 22 : 15.
Tot de leerling wordt gezegd:
Begeef uw hart tot de tucht,
en uw oren tot de redenen der wetenschap, Spr. 23 : 12.
Vervolgens tot de leraar:
Weer de tucht van de jongen niet;
als gij hem met de roede zult slaan,
zal hij niet sterven.
Gij zult hem met de roede slaan,
en zijn ziel van de hel redden, Spr. 23 : 13v.
Dan zegt de leraar tot de leerling:
Mijn zoon! zo uw hart wijs is,
mijn hart zal blijde zijn, ja ik.
En mijn nieren zullen van vreugde opspringen,
als uw lippen billijkheden zullen spreken.
Uw hart zij niet nijdig (= naijverig) over de zondaren;
maar wees te allen dage in de vreze des HEEREN.
Want zeker, er is een beloning;
en uw verwachting zal niet afgesneden worden, Spr. 23 : 15-18 .
Nog indringender is het beeld dat de Prediker ons geeft van de strijd om God te vrezen en Zijn geboden te houden. Daar is de leraar een herder-figuur. Hij maakt gebruik van de ossestok, die voorzien is van ijzeren punten. Wie denkt dan niet aan Jezus' woorden tot Saulus: Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan? Overigens wordt ook hier de leerling aangesproken met 'mijn zoon'. Dat wijst op een innige band, op warmte, op een hartelijke liefde, Pred. 12 : 11-14; Hand. 9 : 5.
In Romeinen 5 zien wij hoe dit nieuwe begin in de vreze des HEEREN tot stand gekomen is. Dat danken wij aan onze Heere Jezus Christus. Hij is de tweede Adam. Paulus vat het Evangelie als volgt samen: Zo dan, gelijk door één misdaad de schuld gekonien is over alle mensen tot verdoemenis, alzo komt door één rechtvaardigheid (dat is: door één rechtvaardige daad) de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens, vs. 18. Christus heeft door Zijn kruisdood en opstanding de samenhang tussen schuld en dood opgeheven. In plaats daarvan schenkt Hij ons nu de nieuwe samenhang van genade en leven. Ook hier is van automatisme geen sprake. Deze samenhang wordt ons geschonken als een belofte. Alleen in het geloof mogen we deze belofte ontvangen, erin delen en de Heere ervoor loven en prijzen.
De twee wegen
In de Wijsheidsboeken staan tegenover elkaar de twee wegen: de weg der rechtvaardigen en de weg der goddelozen:
De gerechtigheid van de oprechte maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid, Spr. 11 : 5.
Letten we op die tweede dag, dan moeten we zeggen, dat dit eigenlijk helemaal geen weg is. Het gaat snel bergafwaarts. Je houdt het niet. Daar val je in een ravijn. Beschrijving is hier prediking. We worden aangesproken: 'mijn zoon'. De maasjaal dient om te vergelijken. En dus te toetsen: op welke weg gaan u en ik? Die vraag klemt voor ons des te meer omdat wij leven in de eindtijd. Want er is inderdaad vergelding:
Die onrecht doet,
dat hij nog onrecht doe;
en die vuil is,
dat hij nog vuil worde;
en die rechtvaardig is,
dat hij nog gerechtvaardigd worde;
en die heilig is,
dat hij nog geheiligd worde, Openb. 22 : 11.
Twee wegen, twee leefkaders, in de eindtijd ook tweeërlei polarisatie, tweeërlei toekomst:
En zie. Ik kom haastig,
en Mijn loon is met Mij,
om een ieder te vergelden,
gelijk zijn werk zal zijn, Openb. 22 : 12.
Het is echt waar:
De weg des levens is voor de verstandige naar boven;
opdat hij afwijke van de hel, beneden, Spr. 15 : 24.
H.J. de Bie, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's