Globaal bekeken
De heer A.J. Klei bracht in een alleraardigst boekje 'Ontbijten met droog brood' (Ten Have, Baarn) een aantal passages bijeen 'uit weleerwaarde levensboeken'. Uit de 'Memoires – Onvergetelijke bladzijden uit mijn levensboek' van wijlen prof. G. Wisse (chr. geref.) citeert hij het volgende, met enige regels ter inleiding en ter uitleiding:
'Wisse Is nooit erg lang in één plaats dominee geweest, hij trok van de ene gemeente naar de andere. Als jong predikant stond hij onder andere in Leiden en daar maakte hij kennis met de wijsgeer professor Bolland:
En nu nog iets over de "Nederlandse Redemeester", gelijk hij zichzelf noemde, prof. G.J.P.J. Bolland, onder het Ministerie van Houten benoemd tot Hoogleraar in de faculteit der Wijsbegeerte. Bolland was destijds leraar aan een staatsinrichting In Indië. Zijn benoeming baarde opzien. Ik weet nog als de dag van gisteren (ik was nog student) hoe Kuyper een driesterretje in zijn "Standaard" schreef: Leiden aan het zinken. Bolland was geen "Dr.", dat was zeldzaam, dat zo iemand benoemd werd. Bolland was uiterst vrijzinnig, over alle vrijzinnigheid heen, vrijzinnig zodanig, dat alle vrijzinnigheid en rechtzinnigheid werd opgeheven tot en in het Absolute; de Hegeliaanse Redelijkheid.
Zij die met de wijsbegeerte vertrouwd zijn weten wat dit zegt. (…)
Hoe die kennismaking is ontstaan? Wel, reeds van mijn jongere (studenten) jaren af had ik veel zin voor wijsgerig denken en wijsgerige scholing.
In Leiden woonde Bolland slechts een paar huizen van de pastorie af.
Toen we enkele weken in Leiden woonden, trok ik de stoute schoenen aan op een avond, en waagde ik het, een onderhoud te verzoeken, hetwelk mij ogenblikkelijk werd toegestaan. De ontvangst kon niet hartelijker en welwillender geweest zijn. We zullen hier niet alles verhalen, wat deze ontmoeting inhield. Volstaan we met het volgende. Op mijn vraag, of er gelegenheid was mij verder op gebied der wijsbegeerte te bekwamen onder zijn leiding was het antwoord: ik zou u dit ontraden, want Ik neem u uw geloof af, en dat zou voor u jammer zijn, want naar ik hoor hebt ge hier een goede opgang, en dan liep vanzelf je kerk leeg, en dat is het niet waard. Ik antwoordde: is dat uw bezwaar en niets anders, dan is dit voor mij niet een bezwaar; want óf hetgeen ik voor geloof aanzie zou ik werkelijk verliezen, maar dan ware gebleken, dat dit geen geloof is geweest; óf het is wél waarachtig geloof (gelijk ik meen) maar dan kunt u het mij niet afnemen. Hiervoor zwichtte hij en bood mij aan te zijnen huize privaatlessen te komen nemen; en dat zou beslist gratis wezen. De volgende morgen begonnen wij enz., enz.
Inderdaad Bolland is meermalen bij mij ter kerke geweest, dan kwam hij met mevrouw Bolland en hun zoon. Natuurlijk baarde dit groot opzien in Leiden. Zelfs kwam Bolland op een zondagavond eens op het "gezelschap" ná de avonddienst. We sloten dan altijd met psalmgezang en gebed. Wel zei er een, dan moest de professor eens een versje opgeven, en hij deed het: psalm 27 : 7. Wat moeten we van al deze dingen zeggen? Ik vrees dat het alles geen vruchten voor de eeuwigheid heeft afgeworpen, hoewel we ten slotte niet over het inwendigste van de ziel kunnen oordelen. Ik geloof dat deze man met al zijn wijsheid en geleerdheid diep in zijn ziel zich bij tijden arm en onvoldaan vond, maar niet arm en misser genoeg om de kracht Gods en de wijsheid Gods in Christus te omhelzen.
Een paar jaren later kwam ook deze reus te vallen. Mijn vrouw en ik hebben hem nog bezocht in het ziekenhuis "Wallon" te Leiden, in het laatst van zijn leven. Ach wat was dat smartelijk. Ik mocht hem nog wijzen op de énige Zaligmaker en op de wijsheid die van Boven is, maar hij stond niet toe dat ik met hem in 't gebed ging; de wijze, zeide hij, bidt niet. Wenend verlieten we hem.
Ik heb veel van hem geleerd. Hij behoort tot de drie, die in het bijzonder, zover ik zelf moge beoordelen, een stempel op mij hebben gezet: Bavinck (Kampen) Kuyper (Amsterdam) Bolland (Leiden).
Ik zou willen opmerken dat Wisse in het voorgaande iets te somber was over de vruchten van zijn prediking. Bolland nam zijn kroost wel eens mee naar de kerk, dan had mevrouw Bolland er een paar uur geen omkijken naar. Dit heeft ertoe geleid dat een Bolland jr. tot de gereformeerde kerk toetrad – en de Amsterdamse uitgever en boekverkoper Ton Bolland, een rechtstreekse nazaat van de bekeerde Bolland en dus ook van de wijsgeer, gaat nog elke zondag naar de kerk – naar een streng soort gereformeerde kerk zelf.'
In De Gezinsgids troffen we 'Psalm 42 in de berijming van Abraham Trommius' (1695):
Als een hert gejaegt ô Heere,
't Versche water graech begeert:
Alsoo dorst mijn ziel oock seere
Nae u, mijn Godt hoochge-eert;
En spreeckt by haer met geklach,
Wanneer komt, ô Heer, den dach,
Dat ick doch by u sal wesen,
En uw' aenschyn sien gepresen;
Myne tranen en mijn klachten
Zijn mijn spys die my steeds voedt;
Als men my vraegt met verachten,
Waer is nu uw' Godt soo goet;
lck smelt als ick denck daer aen,
Hoe ick voormaels plach te gaen
Met een hoop volcks hier te lande,
Om u, Heer, te doen off rande.
Waerom wilt ghy u soo quellen,
En beroert zijn, ô ziel mijn?
Wilt uw' hoop gantsch op Godt stellen,
Want hy noch gedanckt sal zijn
Van u, als sijn aenschyn klaer
Wech sal nemen mijn kruys swaer
Dies, ô Godt, van my niet wycket,
Want mijn hert my gantsch beswyket.
lck ben uwes steeds gedachtich,
Oock aen des Jordanen kant,
En uwer goet-daden krachtich
Selfs in Hermon 't koude lant,
En aen 't kleyn geberchte bloot,
Daer den eenen afgront groot
D' ander toeroept, daer tempeesten
My bestormen 't allermeesten.
Al de groote water-stroomen
Zijn, Heer, over my gegaen,
En My over 't hooft gekomen:
Maer ghy hebt my bygestaen.
's Daegs troost my uw' goedicheyt.
En 's nachts uw' lanckmoedicheyt;
Dies sal ick u, Heer, belyden,
Mijn ziel hoedt ghy t'allen tyden.
lck spreek, O mijn Godt almachtich,
Hoe vergeet ghy my so gaer!
Waerom moet ick wesen klachtich,
En benauwt in veel gevaer?
lck gevoel haer bitter smaet,
Die tot in mijn beenen gaet,
Als sy stout, tot uw' oneere,
Seggen, Waer is nu de Heere?
Waerom wilt ghy u so quellen,
En beroert zijn, ô ziel mijn?
Wilt uw' hoop gantsch op Godt stellen,
Want hy noch gedanckt sal zijn
Van u; hy is (so elck siet)
Mijn Godt, die my jonste biedt:
Dies mijn ziel, wilt u verblyden,
Mijn Godt is hy selfs in 't lyden.
Abraham Trommius (1695)
In 'Rondom het Woord' (hervormde gemeente van Putten) stond een gedicht van ds. J. van het Goor, Vertrekpunt, 'gedachten aan de razzia bij het horen van de avondklok in Putten':
Een zware klepel klept
een klare klank.
Men ziet ze gaan
– de mannen –
tegen wil en dank.
Hun klompen klepp'ren
op de stenen straat;
hoe goed gekleed
gaan velen in hun doodsgewaad.
De strakke stoet trekt
zwijgend voort;
Er klinken woorden
– uit de diepte –
die geen ander hoort.
Een angst had elk
van hen bevangen.
Nochtans een rust
– er was een nieuw verlangen.
De nacht brak aan,
zij wierp haar diepe duister.
Het dorp lag neer
– verslagen –
gebonden in de kluister.
Gebonden in die banden
brak zich het wonder baan.
God vouwde veler handen
– men riep de HEERE aan.
Wat diepe sporen trok
dit vrees'lijk lot!
Je mist ze nog
– de mannen –
ook in het huis van God.
Vertrokken uit dit Godshuis,
bracht velen dit
– nu nader –
aan de troon van God
– de Vader;
en and'ren eeuwig thuis.
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's