De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

14 minuten leestijd

Herademing
Een nieuw tijdschrift verscheen enkele weken geleden onder de titel Her-adem-ing. Het is een initiatief van een nieuwe stichting, de 'Stichting Oecumenische Spiritualiteit'. Door deze uitgave wil men de spiritualiteit bevorderen via kennis van de bronnen en een dialoog tussen stromingen. In de redactie zit o.a. dr. W.J. op 't Hof. Hij heeft zich bij dit tijdschrift gevoegd om 'de geestelijke rijkdom van de gereformeerde bevindelijke traditie grotere bekendheid te geven aan buitenstaanders die er meestal heel weinig van af weten', aldus een toelichting bij zijn naam in het redactioneel. Dit tijdschrift voor 'Spriritualiteit en Mystiek' speelt in op de breed levende behoefte aan ervaring, aan het zoeken naar zin en contact met God of het goddelijke. Spiritus = adem, geest, ziel, herleving. Woorden die op zichzelf nog niet alles zeggen. Immers, welke inhoud geven we er aan? Wat bedoelen en willen we ermee? Welke kant gaan we er mee uit? De huidige vraag om 'ervaring' is niet hetzelfde als wat in het gereformeerd bevindelijk leven met ervaring altijd is bedoeld. In Kontekstueel (8e jaargang nr. 1, september 1993) levert prof. dr. W. van 't Spijker ook een bijdrage aan een reeks artikelen die ingaan op genoemde behoefte onder mensen van deze tijd aan 'ervaring'. Christelijke ervaring', aldus prof. Van 't Spijker terecht is altijd 'Christuservaring'. Centraal staat in de Reformatie de gemeenschap met Christus.

Wanneer de hedendaagse roep om ervaring blijft staan bij de zucht naar een allerindividueelste emotie, is zij slechts uitdrukking van een modern levensgevoel, dat de bevrijding en de gehoorzaamheid niet weet te verenigen. Men neemt dan alleen het eerste lid van Luthers these: een christen is een vrij mens en niemands onderdaan. De tweede zijde is: een christen is door de liefde van Christus een knecht van allen en ieders onderdaan. De Christusmystiek bevrijdt tot dienst, waarvoor de Reformatie sterke uitdrukkingen hanteerde: een Christen wordt ook een christus, een gezondene, tot anderen terwille van de enige Naam. Geestelijke ervaring is de ervaring van Christus in heel het leven.

In zijn bijdrage gaat Van 't Spijker ook in op de secularisatie. De situatie van de 16e eeuw kan voor vandaag niet zonder meer nog model staan. 'De christelijke gemeente zal zich veeleer meer en meer herkennen in de situatie van de eerste christenen…' Terugkeer tot de kerk van de eerste eeuwen lijkt dringend gewenst. We moeten vandaag een heleboel zaken laten schieten uit de traditie en ons concentreren op het wezen van de zaak. Dat deed de Reformatie uiteindelijk zelf ook toen ze stelde: semper reformanda (we moeten steeds weer hervormd worden).

De realiteit lag zowel voor Luther als voor Calvijn in de ontmoeting van God en mens. Van God, die een mens moet rechtvaardigen, en van een mens, die gerechtvaardigd moet worden door God. Op het punt waar die twee elkaar ontmoeten, wordt de ware wijsheid geboren. Dat is, zegt Luther, geen kwestie van wijsbegeerte, medicijnen of rechten, maar van theologie. Dáár, en nergens anders, ontstaat de echte theologie. Luther, Calvijn, Zwingli en Bucer staan wat dit betreft allen gelijkelijk in de Augustiniaanse traditie. Augustinus was degene, die wist wat 'ervaring' betekende. Hij is wel de eerste moderne mens genoemd. Voor hem bestond er geen hoger verlangen dan de kennis van 'God en de ziel'. Men zou zeggen dat dit een ongehoorde versmalling betekende van alles wat kennis heet, een vorm van heilsegoïsme. Maar die term doet het vandaag al weer minder goed dan voor twintig jaren. Hoe zou er heil zijn, wanneer ik het niet ervaar. Hier is de reductie tot wat wezenlijk is tegelijk concentratie op hetgeen zich als uniek en creatief doet gelden. Echte wijsheid, ware vroomheid, wezenlijke kennis ontstaat daar waar God en mens elkaar ontmoeten.
Daar wordt de kennis van God geboren die tegelijk kennis van onszelf inhoudt. Op dit kruispunt van kennis is de Europese cultuur ontstaan. Wat ervan overbleef is gering, omdat de kennis van God werd ingeruild voor een ideologie. En omdat de kennis van de mens werd vervangen door een uitgesponnen anthropologie. Ontmoeting tussen God en mens was er niet meer bij. Daarom ontwrichtte een hele christelijke cultuur. Daarom zullen we weer bij het begin moeten beginnen, dat is bij Paulus, Augustinus en dan bij Luther en Calvijn om vervolgens langs de Verlichting heen in onze eigen tijd te ontdekken hoe breed dit initiatief uitpakt. Het gehele leven, de samenleving, de kerk, de staat en de maatschappij worden er bij betrokken. Want overal is God en overal is de mens aan het werk. Nieuwe ervaring ontstaat waar zij niet meer langs elkaar heenwerken.

De roep om ervaring is niet verkeerd, maar juist. Mits verbonden aan het Evangelie. 'Christelijke geloofservaring is vol hoop, de modus quo (= de manier waarop) van de zaligheid hier en nu', aldus prof. Van 't Spijker in een belangrijke doordenking van het hier aan de orde zijnde thema.

Herbronning
Over de Reformatie heen, uiteraard zonder deze inhoudelijke terzijde te stellen, terug naar de eerste eeuwen van de christelijke kerk. Daar waar het begonnen is, reductie door concentratie. In Wapenveld (jaargang 43 nr. 4, september 1993) schrijft Wim van den Dool een uitvoerige bijdrage over 'Benedictus, vader der monniken, gids voor onze tijd'. Hij begint zijn boeiend artikel met de regel: 'Voor een Nederlandse calvinist zijn er goede redenen om zich met Benedictus van Nursia bezig te houden. Er zijn historische banden, want een deel van de arbeid van Calvijn is te verstaan als het overbrengen van de vroomheid van de kloosters op heel de Kerk; dat geldt bijvoorbeeld voor het zingen van de psalmen en evenzeer voor de 'calvinistische' soberheid'. De praktische vroomheid van Benedictus is nu van groot belang voor ons. Van den Dool geeft dat in zijn verhaal uitvoerig aan. Een enkel citaat verduidelijkt dat.

Het eerste wat wij van de benedictijnen weer kunnen leren, is dat het christenleven geheel op God gericht is. Want als God niet iemand is die ons leven wat verfraait, en als godsdienst niet iets is wat een beetje glans aan het bestaan geeft, maar als God doel en zin van ons totale bestaan is, dan is het christelijke leven altijd een absolute toewijding aan God. Dat is het benedictijnse leven. De benedictijn ziet dit niet als iets bijzonders, niet als een verheven vorm van christen zijn, maar als zijn pogen zo goed mogelijk christen te zijn. Hij weet, dat er in de Kerk voor deze toewijding aan God altijd verschillende vormen zijn geweest; zijn levensvorm is die van de eerste gemeente van Jeruzalem. Hij wil het vuur van de eerste liefde brandende houden. Want dat is voor de benedictijn kloosterleven: een leven van brandende liefde voor de Here God.
Daarom leeft hij ook ascetisch: opdat het aardse niet overmatig zijn aandacht vraagt en hem zo aftrekt van God. (Is dat ook niet precies wat Calvijn bedoelde met zijn soberheid?)
Als dan inderdaad het christenleven absolute toewijding aan God bedoelt te zijn, moet een mens zoeken hoe hij in de véle aspecten van zijn bestaan God dienen kan. Want 24 uur per dag bidden, hebben de kluizenaars in de Egyptische woestijn wel gewild; maar ook zij hebben geleerd dat dat niet Gods wil was.
Wanneer wij echter, vervuld van het vuur der goddelijke liefde, in de menigvuldige bezigheden des levens slechts één doel, namelijk God, zoeken, ervaren we het leven dikwijls als een weerbarstige werkelijkheid waarin veel God weerspreekt en ook veel eenvoudig los schijnt te staan van God. Heeft geloof iets te maken met de snelheid waarmee ik me naar mijn werk begeef? En als mijn werk het bewaken van een in hoge mate geautomatiseerd produktieproces is, wat heeft mijn geloof daar dan mee te maken? Wat kan in deze situatie toewijding betekenen en hoe kan het vele in ons leven gericht worden op het 'éne nodige'? Lucas 10 : 42. Hoe kan het menigvuldige van het menselijk bestaan, in plaats van een verdeeldheid die zonde is, één zoeken naar de Ene zijn
Daarom moeten we niet slechts Christus willen navolgen, maar ook weten wat dat verandert aan ons bestaan. Voor de eerste gemeenten in de Griekse wereld heeft Paulus dit uitgewerkt in zijn vermaningen. En de kerkvaders zijn hem hierin nagevolgd in hùn confrontade met de antieke cultuur. Zij hebben de rijkdom van een leven naar het richtsnoer van het evangelie willen ontdekken. Zo streed Augustinus tegen het heidendom van de astrologie, tegen de moraal van de theaters en tegen de antieke filosofie, omdat hij wist dat het geloof existendeel, moreel en intellectueel méér waard was. Naast Augustinus is Benedictus van Nursia 'vader van Europa' geworden; hij was een meester in het op God richten van alle aspecten van het menselijk bestaan en het vinden van de juiste balans daarin.

Naast het dagelijks (tot achtmaal toe roepen klokken monniken tot gebed) bezig zijn in de dienst der gebeden, is er de 'lectio divina' (de goddelijke lezing letterlijk vertaald).

De geestelijke lezing is naast het koorgebed en de arbeid een van de dagelijkse bezigheden van de benedictijn. In de lecdo divina gaat het om een lezing van de Schrift zoals die door de kerkvaders beoefend werd in drie stappen: lectio, meditatio, oratio. De eerste stap is het hardop lezen van de tekst. De tweede is de meditatieve overweging, een herkauwen van de tekst om de woorden die men gelezen heeft te proeven. De derde stap, het gebed, is het eigenlijke doel van de lezing. De oratio is dat antwoord op het Woord Gods dat uit de diepte van het menselijk hart komt.
Wat er gelezen wordt is allereerst de Schrift in een lectio continua van één bijbelboek. Bij Benedictus vinden we een grote openheid om daarnaast ook andere boeken te lezen die het verstaan van de Schrift dienen: de kerkvaders en de monastieke literatuur.
Veel tijd van de dag bestemt Benedictus voor de lectio divina. Nauwkeurig bepaalt hij daarom de uren van de dag waarop de broeders 'vrij' moeten zijn voor de lezing. Want vrij zijn voor de geestelijke lezing is volgens Benedictus een van de voorwaarden voor het vrij zijn voor God, 'vacare Deo'. 'Vacare Deo', vrij zijn voor God, is een geliefde spreuk van de Benedictijnen.
Naast arbeid zoekt de monnik vooral in de stilte naar God.

Wie God zoekt, zoekt Hem in de stilte. Want dat is bij uitstek de plaats van gebed. Daarom heet de kloosterling 'monnik', 'monachos' van de stam 'monos', wat 'alleen' of 'één' betekent. De monnik zoekt het 'ene nodige' en daarom is hij 'eenling' of 'eenzaat'. Hij trekt zich terug uit de veelvuldige omgang met de mensen om in de stilte God te zoeken, zoals Jezus in de stilte zijn Vader zocht. Daarom bouwen de benedictijnen hun klooster op een stille plaats en schrijft Benedictus: 'Altijd moeten de monniken het stilzwijgen beoefenen' (RB. 42,1). Want stilte is nodig om tot innerlijke rust te komen, om de woorden van God werkelijk te horen. Wie zwijgt, kan luisteren en is nederig. 'Als ik niet stil ben, zal ik God niet horen, en als ik Hem niet hoor, zal ik Hem niet kennen. De stilte vraagt mij te waken, te wachten en te luisteren, zoals Maria bereid te zijn om het Woord te ontvangen. Als ik enige eerbied heb voor God, zal ik proberen tijd te vinden voor stilte, hoe kort ook. Als ik dat niet doe, heb ik niet veel hoop om met God die relatie van luisteren en antwoorden op te bouwen die me zal helpen mijn hele leven te doen wortelen in gebed.

We schreven al over de huidige roep om ervaring, over verlangen naar zin en contact met God. Ook daarop is bij Benedictus antwoord te vinden.

De mens is een wezen van verlangen. De diepe aandriften van het zoeken naar zin en betekenis en het verlangen naar geluk typeren de mens. Het verstand dat zoekt naar betekenis vindt haar vervulling in het kennen van waarheid; de grootste menselijke vreugde ligt in de ervaring van liefde. De volle waarheid en goedheid worden alleen in God gevonden. Wanneer wij eens God in Zijn schoonheid onmiddellijk zullen aanschouwen, 'zal dat aan ons die overweldigende verbazing en bewondering ontlokken die onze eeuwige lof van Zijn glorie zal zijn. De kennis van God zoals Hij is in zichzelf, de liefde die zal overvloeien wanneer wij dat zien en het lied van onze verwondering zullen dan noodzakelijkerwijs volgen. Dat is het doel van de mens.'
Datgene waartoe God de mens bestemd heeft, bepaalt ook de prioriteiten van zijn bestaan wanneer hij als pelgrim gaat door deze wereld. Want wij zijn gemaakt 'naar Hem toe'. Ons bestaan kent – onbewust wellicht – een openheid, een verlangen naar Hem dat door niets of niemand anders vervuld kan worden. Rusteloos in ons hart, totdat het rust vindt in Hem. 'Wat God ons ook belooft, zonder Hem heeft het geen waarde; als Hij niet Zichzelf aan mij beloofde zou God mijn verlangen niet stillen', zei Augustinus (Augustinus, sermo 158,7,7; vert. T.J. van Bavel, Verlangen bidt altijd – Bidden met Augustinus, Leuven, 1988, p. 55). Daarom zoekt de monnik God. En daarom is er in de Regel zo'n prominente plaats gegeven aan de lectio divina, aan het getijdengebed en aan het klooster als school voor de dienst van de Heer. Deze drie komen overeen met het doel van de mens om God te kennen. Hem te prijzen en Hem te dienen.

Van den Dool sluit zijn lange artikel met een gebed van de bekende Anselmus.

'Ik bid U, God, dat ik U kenne, U beminne en me in U verheuge. Al kan ik dat in dit leven niet ten volle, laat mij dan ten minste dagelijks vorderen, totdat de volheid bereikt is. Laat Uw kennis in mij toenemen en ginds volmaakt zijn, laat Uw liefde groeien en ginds volmaakt zijn, zodat zij hier vreugde vinde door de hoop, en ginds volmaakt weze door de werkelijkheid.
Heer, Gij beveelt door Uw Zoon, ja, raadt aan om te vragen, en Gij belooft dat wij ontvangen, opdat mijn vreugde vol zij… Waarachtige God, ik vraag, laat mij ontvangen, opdat mijn vreugde vol zij… Moge mijn ziel ernaar hongeren, mijn vlees dorsten, heel mijn wezen verlangen, tot ik de vreugde van de Heer binnen ga. Gij, die drieëne en één God zijt, gezegend in de eeuwen. Amen.'

Zijn indringende pleidooi voor een hernieuwde innerlijkheid kunnen we slechts onderstrepen. 'Het verval van de innerlijkheid in de orthodoxie duidt ook op een onderhuidse secularisatie'. Contemplatie (vrome, geestelijke overdenking) en concentratie horen nog altijd tot het wezen van het christelijk leven, aldus Wim van den Dool in zijn opmerkelijke bijdrage over Benedictus van Nursia.

Augustinus als mysticus
Dat is de titel van een bijdrage van dr. J. van Oort aan het al genoemde nieuwe tijdschrift Herademing (1993, 1e aflevering). De ruimte voor deze rubriek is te beperkt om uitvoerig ook uit dit artikel te citeren. Dr. Van Oort schrijft aan het slot van zijn verhaal dat er ook bij Augustinus een weten van Godservaring en Godsgemis te lezen valt. Hij citeert een prachtige passage uit boek X van de Confessiones (de Belijdenissen) waarin Augustinus tot God zegt: Sero te amavi: veel te laat heb ik U liefgekregen.

Laat heb ik U lief gekregen,
o Schoonheid, zo oud en zo nieuw,
laat heb ik U lief gekregen!

En zie. Gij waart binnen
en ik was buiten
en dáár zocht ik U;
en ik, wanstaltig als ik was,
stortte mij op de schone dingen die Gij gemaakt hebt.

Gij waart met mij, maar ik was niet bij U!

Die dingen hielden mij ver van U,
die niet zouden zijn,
Wanneer ze' niet waren in U.

Maar geroepen hebt Gij
en geschreeuwd
en mijn doofheid doorbroken;
gestraald hebt Gij
en geschitterd
en mijn blindheid verjaagd;
gegeurd hebt Gij
en gesnoven heb ik
en nu snak ik naar U;
ik heb geproefd
en nu honger ik
en dorst ik.

Gij hebt mij aangeraakt
en ik ben ontvlamd tot Uw vrede.

Werkelijk schoon zegt Augustinus dit en men kan het beschouwen als een van de mooiste passages van de wereldliteratuur. Zó wordt God ervaren en zó is er het verlangen naar God. En geen wonder dat deze en dergelijke passages uit de Confessiones in latere eeuwen zijn opgenomen en verwerkt en dat juist de mysticus Augustinus direct via de Confessiones, maar wellicht veel meer nog door min of meer vrije bewerkingen daarvan van enorme invloed is geweest.

Een werkelijke Godsontmoeting wordt hier beschreven. God laat Zich kennen en wordt daarom door mensen gekend. Godservaring toen en heden. Dat leren we als we bij de bronnen van ons christelijk geloof terugkomen. Tot leven komen bij de Levensbron. Maar ook steeds weer op adem komen bij de Bron. Daar gaat het uiteindelijk om. Van eeuw tot eeuw.

J. Maasland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's