De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

5 minuten leestijd

R. van Woudenberg, Filosofische gedachten over Godsgeloof, uitgave Kok, Kampen, 1993, 150 pag., ƒ 34,50.
Dr. Van Woudenberg is als onderzoeker voor de prestigieuze Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen werkzaam aan de faculteit der Wijsbegeerte van de V.U. Legde hij nog maar kort geleden een verrassend actuele 'inleiding tot een christelijke filosofie' in de lijn van de zgn. Wijsbegeerte der Wetsidee op tafel, in dit boekje presenteert hij zich opnieuw als iemand die de traditie van de reformatorische wijsbegeerte op creatieve wijze wil voortzetten. Het betreft hier de samenvoeging van een aantal lezingen die Van Woudenberg de afgelopen jaren gehouden heeft. Deze publicatie vormt dan ook in mindere mate een eenheid dan de vorige.
In een inleidend hoofdstuk registreert de schrijver het geestelijk klimaat van onze cultuur, en roept hij ertoe op de verschillende filosofische tendensen die zich hierin voordoen (o.a. relativisme, postmodernisme, technicisme en holisme) vanuit een 'herkenbaar christelijk Godsgeloof' te benaderen. De aard van dat Godsgeloof wordt in de rest van het boek nader ontvouwd. In vier hoofdstukken onderzoekt Van Woudenberg achtereenvolgens het werkelijkheidskarakter, de persoonsbetrokkenheid, het ervaringskarakter en de zekerheid van dit geloof. Hij richt zich daarbij steeds weer tegen andere fronten: de projectietheorie van Feuerbach, Freud en Marx, het New Age-denken van Fritjof Capra e.a., het pleidooi voor alternatieve ervaringswijzen van Otto Duintjer, maar ook het theologieconcept van H.M. Kuitert.
In het laatste hoofdstuk bespreekt Van Woudenberg werk van Amerikaanse christen-filosofen als Plantinga en Wolterstorff. Daarbij is hij niet geheel accuraat. Plantinga c.s. betogen niet zozeer dat het geloof in Gods bestaan een onmiddellijke zekerheid biedt die geen nadere onderbouwing behoeft, maar veeleer het geloof in Gods concrete daden ('God roept mij'; 'God vergeeft mijn schuld' etc). Het geloof in Gods bestaan vormt een afgeleide van deze onmiddellijke zekerheden, die bijv. tot stand komen tijdens het lezen van de Bijbel. Het is intussen te hopen dat Van Woudenberg zijn kennismaking met deze bloeiende Amerikaanse school verder voortzet: een kruisbestuiving tussen de WdW en de school van Plantinga zou naar beide kanten wel eens heel vruchtbaar kunnen zijn.
Thetisch gezien is de rode draad door dit boekje de overtuiging dat het christelijk geloof zich kenmerkt door een antwoord-structuur: het bestaat in een responderen op Gods openbaring in de Schrift. Niet filosofische argumentatie of religieuze ervaring, maar de Bijbel heeft voor Van Woudenberg dan ook het laatste woord. Dat is verfrissend. Degenen die ten aanzien van de Wijsbegeerte der Wetsidee in het verleden de vrees uitspraken, dat menselijk denken het eenvoudige Schriftwoord dreigt te overwoekeren kunnen in dit geval gerust zijn. Van Woudenberg beroept zich nauwelijks op Dooyeweerd of Vollenhoven of op filosofische argumentaties, wel echter op Calvijn en Bavinck, en ook rechtstreeks op de Schrift. Tegelijk maakt het directe Schriftberoep juist in de wijsbegeerte natuurlijk ook kwetsbaar. Zal het niet, zoals met zoveel apologetiek het geval is, vooral hen overtuigen die toch al overtuigd waren?
Al met al is dit intussen een aanbevelingswaardig boekje. Het is geschreven in een aantrekkelijke stijl, die soms aan de Angelsaksische filosofie doet denken (bijv. bij de analyse van het begrip 'zekerheid'). Die stijl kenmerkt zich door weinig jargon, en is dus ook voor de niet wijsgerig geschoolde lezer toegankelijk. Het boek bevat bovendien een authendeke verantwoording van een bijbels-gereformeerde positie, niet maar naar binnen toe, maar op de Areopagus van de huidige academische wereld. Voor zo'n moedige publicatie komt de schrijver dan ook veel dank toe.
G. van den Brink, Nijkerk

Gerrit Manenschijn, Mijn linkerhand is goed genoeg. Over medische ethiek, theologie, politiek en economie. Ten Have – Baarn, 1993, 246 blz., ƒ 34,50.
De auteur is hoogleraar in Kampen en heeft al heel wat publicaties op zijn naam staan. Dit boek is een bundeling van opstellen, die voor een belangrijk deel al eerder zijn gepubliceerd (vooral in Trouw en in Socialisme en Democratie). Er staan ook enkele niet eerder gepubliceerde hoofdstukken in.
Het boek gaat over de onderwerpen, die in de ondertitel worden genoemd. Gezondheid en ideologieën, ethiek en economie. Kuiterts opvatting van de theologie, waartegen kritisch wordt geopponeerd, medische ethiek en de emancipatie van de dood.
De titel roept vragen op. Zij is een herinnering aan Luthers visie op het wereldrijk. In het Woord Vooraf schrijft de auteur dat eerlijke politiek en rechtvaardige economie zaken zijn, die zich met het geloof laten verbinden, zonder dat ze zelf ooit bij het geloof worden ondergebracht. Ze zijn immers zaken voor alle mensen, niet alleen voor christenen. Met deze interpretatie van Luther is de trend van het boek gezet. Ik moest denken aan de uitleg van het Hooglied door Luther. Dr. Verduin heeft daar in zijn proefschrift zo indringend over geschreven.
Het hoofdstuk over Kuitert heb ik met veel belangstelling gelezen. De grondstelling van Kuitert wijst hij af, namelijk dat het spreken over God empirisch getoetst moet kunnen worden. Tegelijkertijd geeft de schrijver Kuitert voor een deel gelijk. Dat bevredigt mij weer niet.
Sommige hoofdstukken zijn moeilijk te lezen door de specialistische kennis die de auteur tentoonspreidt. Daarvoor is hij te prijzen. De lezer moet de prijs ervoor betalen.
Manenschijn was in zijn jeugd linkshandig. Ik wil niet zeggen dat hij nu theologisch op zijn jeugd wraak heeft genomen. Wel bepleit hij – met argumenten – het goed recht van een linkse benadering. Daarbij speelt het geloof geen centrale rol. Het blijft ook niet buiten spel. Zo zit er iets tweeslachtigs in het boek. De auteur heeft in zijn jeugd ook rechts leren schrijven, vertelt hij.

W.H. Velema

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1993

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's