Antwoord op de godsverduistering (1)
Nog moeilijker dan het schrijven van een boek is het vinden van de juiste titel. Die moet immers in hoogstens vijf of zes woorden de kwintessens (Luther zou zeggen: het merg en de pit) tot uitdrukking brengen. Wat de titel van mijn boek betreft, was het van de aanvang af duidelijk, dat het woord 'godsverduistering' erin moest voorkomen. Daarmee wordt iets wezenlijk anders gezegd dan met de mijns inziens blasfemische uitdrukking: God is dood. Het woord 'godsverduistering' is de omschrijving van een subjectieve menselijke ervaring; een ervaring van veel mensen na de verschrikkingen van de twee wereldoorlogen. Het zijn schrijvers als Martin Heidegger en Karl Jaspers, Sartre en Camus, Eliot en Unamuno, die deze ervaring zich voor het eerst bewust gemaakt hebben en in hun geschriften verwoord. Men pleegt ze aan te duiden als existentialisten, omdat bij hen de existentie, het concrete menselijk bestaan in de geschiedenis, het uitgangspunt van hun denken is.
Mijn boek gaat ervan uit, dat wij als gelovigen en als tijdgenoten die ervaring ernstig moeten nemen. Niet alleen omdat zij ook ons eigen bestaan raakt, inaar nog veel meer omdat bijbels gesproken ons met die ervaring niet 'iets vreemds overkomt' (1 Petrus 4 : 12). Het geloof in zijn bijbelse rijkdom en oorspronkelijkheid weet ervan af.
Het kent ook het antwoord! Nu besef ik heel wel, dat zij die zich geborgen weten binnen de veilige grenzen van de christelijke gemeente, van deze ervaring geen kennis hebben. Daarom zal ook de titel van mijn boek hen nauwelijks aanspreken. De grenzen van de gemeente zijn echter heel klein geworden en ook vertoont de ommuring van haar bestaan veel bressen. De geluiden van buiten dringen steeds duidelijker door, vaak benauwend en angstwekkend. Daarom kan het nut hebben, het oor te luisteren te leggen bij wat zich buiten de kerkmuren afspeelt, om daar tegenover de volheid en troost van het Evangelie te stellen. Het Evangelie niet slechts als troost voor zondaars, zoals daar in vraag en antwoord 1 van de Heidelberger Catechismus over gesproken wordt, maar ook als antwoord op de ervaring van de godsverduistering. En dat is, wat ik in mijn boek gepoogd heb.
Uitgangspunt
Als uitgangspunt van mijn boek kies ik dus de bestaanservaring der existentialisten, omdat ik die ervaring ernstig neem. Ik zie de existentialisten als reizigers, die op hun levensweg door rovers overvallen zijn en gewond achtergelaten (Lucas 10 : 30). Onder existentialisten versta ik mensen, die niet horen tot de categorie van godloochenaars, spotters, onverschilligen. Integendeel! In hun hart staan zij positief tegen over het geloof, maar het is hun ontroofd, en zij zijn naakt en gewond achtergelaten. Zij zijn geestelijk verwant aan de dichter Heman van Psalm 88, of van Psalm 42: Waar is God?
Existentialisten zijn dus gemeenlijk mensen, die het geloof van huis uit hebben meegekregen. Heidegger was de zoon van een koster en Sartre was een neef van de grote theoloog Albert Schweitzer. Bittere ervaringen hebben echter het traditionele godsbeeld verduisterd. Geestelijk zijn zij beland in een benauwende leegte.
Het betreft hier niet een enkeling, maar een grote, anonieme groep, die zichzelf herkent in de geschriften van Heidegger, Jaspers, Sartre en Camus. Er is zelfs sprake van een internationaal en interkerkelijk verschijnsel, vooral in West-Europa. Ook is het een typisch verschijnsel van de 20e eeuw, al kondigden de eerste symptomen ervan zich al aan in de vorige eeuw. Het existentialisme is dus een tijds- en cultuurverschijnsel. Het hangt samen met de tijd, die wij beleven. De culturele situatie waarin wij verkeren, heeft hun geloof schipbreuk doen lijden en hen tot ex-gelovigen gemaakt.
Is dat verwonderlijk? Is het eigenlijk niet heel begrijpelijk? Al wat zich in de 19e en 20e eeuw heeft afgespeeld, heeft ons bestaan toch tot op zijn grondvesten geschud, en wel op een wijze als sinds eeuwen niet meer gebeurd was.
De vraag is echter: hebben wij zelf persoonlijk die aardbeving alleen maar ondergaan, òf hebben wij die ook doorleefd en doorleden? Het laatste is het geval niet de groepering, die zichzelf aanduidt als: existentialisten. Het woord existentie, waaraan zij hun naam ontlenen, wil zeggen: het bestaan, ons menselijk bestaan, ons bestaan in de tijd, in deze tijd. Hoe geheel anders doorleven en ervaren wij als 20e-eeuwers ons bestaan, vergeleken met mensen uit 'de goede, oude tijd'. Zijn wij niet als de man uit de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, die welgemoed op weg was gegaan van Jeruzalem naar Jericho, maar die door rampspoed is overvallen?
Nog eens: hebben wij zelf persoonlijk de gebeurtenissen van deze eeuw alleen maar passief ondergaan, òf hebben wij die doorleefd en doorleden? Het kan niet anders, of als dat laatste het geval is, dan zijn wij gewond en beroofd aan de kant van de weg blijven liggen. Dan zijn wij door al wat zich in ons bestaan heeft afgespeeld, andere mensen geworden.
Ik citeer enkele regels uit een boekje, dat verscheen kort na het einde van de oorlogsjaren 1940-1945 van de hand van iemand die een zeer vooraanstaande plaats innam in ons land, prof. Hendrik Kraemer: 'Na lange, lange jaren van welvaart, behaaglijkheid en rustige, al te rustige ontwikkeling, is ons volk meegesleurd in de draaikolk van de grootste oorlog aller tijden. Het heeft na eeuwen weer voor het eerst de bittere kelk van bruut geweld en ongbreidelde rechteloosheid tot de bodem toe gedronken. Er is een leed en een smart door ons volk gevaren als zelfs de stoutste fantasie zich niet had kunnen uitbeelden, daar het ons volk ten deel gevallen goede leven het had doen vergeten welke bestiale mogelijkheden er in de mens schuilen… De oorlog en zijn gevolgen heeft ons in een totaal andere wereld geplaatst… Velen echter, hoewel zij dat weten met het verstand, weten het zo weinig met het hart, dat zij onwillekeurig als levensdoel hebben zo onveranderd mogelijk te blijven…' Dat werd geschreven in 1945. Maar al wat zich nadien nog heeft afgespeeld, heeft de ontwrichtende gevolgen van de oorlog eerst goed zichtbaar gemaakt. Hoe is ons bestaan veranderd vergeleken met 'de goede oude tijd'!
Onberoerd?
Nog eens de vraag: zijn wij door de verannderingen in ons bestaan andere mensen geworden, of zijn bij ons de bovenwateren alleen maar in heftige beweging geweest, maar is de grondstroming onberoerd gebleven? Afgaande op wat aan geloofsbeleving in de eigentijdse prediking en theologie tot uitdrukking komt, moet men zeggen dat de bestaansvraag van de existentialisten binnen de christelijke gemeente nauwelijks leeft. En evenmin in de politiek, de wetenschap, de maatschappij. Zeker, theoretisch en historisch weet men wel van die vraag, maar uit alles blijkt dat het geen hartevraag, geen eigen doorleefde en doorleden vraag is; geen vraag als hoorbaar wordt in de bijbelse Psalmen. Alleen bij de groepering der existentialisten is de menselijke existentie, het bestaan in de tijd, in deze tijd, anno 1993, tot een kwellende vraag geworden. Waarom is er de wereld, waarom is er geschiedenis, waarom is de mens er, waarom besta ik? Dat zijn geen theoretische vragen van het verstand, van het logische denken. Het zijn vragen, die zich vanuit ons diepste zelf, vanuit de ziel, aan ons bewustzijn opdringen ten gevolge van 'de golven en baren, die de benauwde ziel ervaren' (Psalm 42).
Het zij daarom nog eens met nadruk vastgesteld, dat wij deze stroming van exgelovigen niet mogen zien als harde en doorgewinterde godloochenaars. Verre van dien! Er is bij hen geen sprake van hoogmoedig ongeloof of van vijandschap tegen het geloof. Eerder van weemoed en verdriet om het verlies ervan. Men is zich maar al te zeer bewust welk een schatten de joods-christelijke traditie van de Europese cultuur bevatte. Zij schonk de mens geborgenheid, zekerheid, normen en waarden, verwachting en toekomst. Maar die traditie is als een rijk geladen schip, dat gestrand is op de klippen van de tijd en een speelbal is geworden van de wind en de golven. Wie, die de verschrikkingen van al wat zich heeft afgespeeld en nog afspeelt in de 20e eeuw kent, staat nog ongeschokt en onberoerd in het ons sinds eeuwen overgeleverde geloof in de Here God als het alles grondende, dragende, louterende, bezielende Middelpunt; het geloof in de Here God als de scheppende, richtende, louterende Werkelijkheid? Wie spreekt het nog volmondig en van harte mee: 'God de Heer regeert; beeft, gij volken, eert zijn hoog bestel'?
Rechtmatige vraag
En nu kom ik terag op mijn boek, dat de titel draagt Antwoord op de godsverduistering. Waarom heb ik het geschreven, het durven schrijven? Omdat ik het stellen van de bestaansvraag in onze tijd legitiem acht, volstrekt rechtmatig. Het is een eerlijke en ernstige vraag, waar een ieder mee in aanraking komt voorzover hij het tijdsgebeuren niet slechts passief ondergaat, maar het doorleeft, doorlijdt, doorworstelt.
Het diepste motief voor het schrijven ervan is echter geweest de overtuiging en verwachting, dat het geloof, waarvan wij in de Schrift lezen dat het de wereld overwint (1 Johannes 5 : 5), antwoord geeft op die bestaansvraag, waarop zovelen in onze tijd hun geloof schipbreuk hebben zien lijden. Maar, – dan spreek ik wel nadrukkelijk van: het geloof. Dus van het geloof in zijn bijbelse en nieuwtestamentische gestalte, in zijn apostolische oorspronkelijkheid, kortom van het algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof. En dat is toch anders, het is dieper, voller, rijker, heerlijker dan het onder ons gangbare geloof in welke kerkelijke traditie of denominatie wij ook staan; het is zeker anders dan het 'algemeen betwijfeld christelijk geloof'.
Niettemin wil ik van het onder ons gangbare geloof geen kwaad zeggen, want het is in zijn gebrekkigheid toch veel zielen tot troost en steun geweest. Gemeten en getoetst aan de oorsprong is er echter veel in versleten, veel is buiten proportie uitgegroeid en daardoor eenzijdig ontwikkeld. En wat het hedendaagse geloof vooral veel schade heeft berokkend, is de invloed van vernieuwers en vrijgeesten, die met een profetisch élan modieuze en individualistische aanvullingen of correcties op het traditionele geloof propageren. Het meest sprekende voorbeeld daarvan is de figuur van Dietrich Bonhoeffer, aan wie ik dan ook in mijn boek veel aandacht gegeven heb. Maar na hem zijn er velen geweest, die in eigenzinnigheid en niet zonder een sprank genialiteit het traditionele geloof verbasterden en misvormden. Daartoe reken ik in het bijzonder de sterk judaïserende Israël-theologie.
Terug zoeken
Zo worden wij door de tijd, die wij doorleven en doorlijden, opgevorderd en gedwongen om de moeizame weg terug te zoeken naar het algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof; naar het nieuwtestamentische, apostolische geloof. En dat is wat ik gepoogd heb in mijn boek: Antwoord op de godsverduistering. Daarom moet u het niet benaderen als een leerstellig of catechetisch handboek. Evenmin als een apologetisch strijdschrift, gericht tegen ongelovigen en dwaalleraars. De opzet ervan is geheel anders.
Zelf zou ik mijn boek het liefst karakteriseren als een onderzoekingstocht. Een onderzoekingstocht, waarbij ik gedreven werd door de vraag: Wat is toch geweest de kern, de pit en het merg van het oerchristelijke, apostolische geloof? En daar onafscheidelijk mee verbonden die andere vraag: Hoe is die kern, dat merg, die pit van het authentieke geloof verwoord in de apostolische, nieuwtestamentische prediking. En hoe heeft het daarna vorm en gestalte gekregen in de oudkerkelijke Symbolen en in de theologische geschriften van de oudste kerkvaders?
Een echte onderzoekingstocht is het geweest, die somtijds ver af voerde van de vaak betreden paden, en die daardoor in aanraking bracht met onder ons nauwelijks meer gekende geestelijke schatten; met 'de breedte en lengte, hoogte en diepte' van het geloof der heiligen (Efeze 3 : 18-19). Een ware onderzoekingstocht, die ook gepaard ging met verrukking over verrassende rijkdommen, waardoor Christus 'op nieuwe wijze in onze harten woning maakt' (Efeze 3 : 17). Een onderzoekingstocht, waarbij de meegebrachte vraag van de godsverduistering zich oploste als nevels voor de stralen van de ochtendzon! In hoeverre ik door mijn boek mijn tijdgenoten en medechristenen enigszins in die vreugde en verrukking heb kunnen laten delen, moet ik afwachten en overgeven. Misschien geldt hier het bijbelwoord: 'Werp uw brood op het water en gij zult het vinden na vele jaren' (Prediker 11 : 1).
W. Aalders
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 oktober 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's