Uit de Pers
Christelijk geloof en pluralisme
De positie van het christelijk geloof temidden van allerlei andere vormen van religiositeit blijft om bezinning vragen. Niet uit puur theoretische interesse van bepaalde liefhebbers slechts, maar omdat een samenleving waarbinnen de christelijke gemeente zich bevindt nu eenmaal haar invloed laat gelden op leden van deze gemeente. 30 oktober houdt het Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte in Utrecht een congres over het thema 'Het nieuwe veelgodendom'. Het blad 'Beweging', dat uitgaat van de Stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte, biedt in haar septemberaflevering een themanummer ter voorbereiding op genoemd congres. In de beschrijving van de doelstelling van het congres wordt gewezen op de grote belangstelling in de samenleving voor allerlei vormen van religiositeit: oosterse en westerse godsdiensten, New Age en herlevende mystiek, ieder zijn eigen god en eigen waardenstelsel. Kortom: religieus pluralisme. Hoe moet het christelijk geloof op dit alles reageren? Eén van de bijdragen in het themanummer is verzorgd door dr. G. van den Brink. Hij schrijft onder de titel 'Christelijk geloof en pluralisme'. Hij schetst in het eerste gedeelte van zijn verhaal hoe de situatie ervoor staat op dit moment.
Temidden van het mengsel van post-religieuze en nieuw-religieuze levensbeschouwingen bevindt zich nog altijd de christelijke geloofsgemeenschap. Haar identiteit wordt bepaald door het geloof in één persoonlijke God die zich op unieke wijze heeft geopenbaard in de geschiedenis van Israël en in Jezus Christus als Schepper, Verlosser en Vernieuwer. Dat is dus een zeer particuliere identiteit, die in de vroege kerk uitkristalliseerde gedurende een lange reeks van confrontaties met denkbewegingen, die deze particulariteit poogden te relativeren. De gemeenschappelijke noemer, waaronder allerlei klassieke ketterijen (zoals gnostiek en neo-platonisme) gebracht kunnen worden, bestaat in hun pogingen het particuliere christelijke Godsbegrip te conformeren aan het beeld van een universele goddelijke werkelijkheid zonder meer.
Het christelijk antwoord op deze verzoeking bestond in de ontwikkeling van de triniteitsleer: Jezus van Nazareth en de Geest van Pinksteren zijn niet maar toevallige en inwisselbare manifestaties van een hen overstijgende goddelijke entiteit, maar zeer particuliere en unieke openbaringen van één en hetzelfde goddelijke wezen als de Vader! Er is niet meer God en niet minder God in de werkelijkheid dan deze drie, en deze drie zijn één… Gezien vanuit de leer van de Drieëenheid vormen zowel de atheïserende als de pantheïserende tendens van onze tijd dus middelpuntvliedende bewegingen bij dit klassiek-christelijke theïsme vandaan. Men kan zich overigens afvragen, of het inderdaad om tegengestelde bewegingen gaat, of dat ze uiteindelijk toch in dezelfde richting wijzen: als alles God is, dan is het in bepaald opzicht maar een kleine stap naar de bewering dat niets God is. En het omgekeerde gaat wellicht ook op. Hoe dit ook zij, de uitdaging èn de verzoeking waarvoor de huidige christenheid staat, komt opvallend overeen met die van haar begintijd – zoals het huidige pluralisme opvallende overeenkomsten vertoont met dat ten tijde van het hellenisme.
Hoe reageert de christelijke gemeente vandaag? We hebben net gelezen hoe de reactie was in de eerste eeuwen na Christus. Welke vormen en wijzen van reageren zijn er vandaag te bemerken in het christelijke kamp? Van den Brink noemt twee reactiepatronen: die van de negatie, van de ontkenning en die van de aanpassing. Ontkenning van de huidige situatie wordt gevonden onder hen die ondanks alles nog steeds vasthouden aan het oude theocratische ideaal uit de tijd dat de christelijke kerk het in alles nog voor het zeggen had. Aanpassing vindt plaats op verschillende manieren. Eén van de keuzen, die in de theologie wordt gemaakt is die van het pluralisme. Dat wil zeggen: in alle religies vinden we delen van de éne waarheid. Elke religie is op deze manier een bruikbare manier tot het heil. Ieder mag op zijn manier zalig worden. Je kunt zeggen dat Kuiterts veelbesproken boek 'Het algemeen betwijfeld christelijk geloof' van dit denken een voorbeeld is.
Dr. Van den Brink wijst een derde weg aan.
Men zou die weg kunnen omschrijven als de weg van de confrontatie. Mits men die term maar zorgvuldig genoeg definieert (en zo onderscheidt van de beide andere reactiepatronen), kan men ook spreken van apologetiek, als voortzetting van het vroeg-christelijke project der Apologeten in een veranderde context. Preciezer uitgedrukt gaat het om datgene wat Dooyeweerd verstond onder een 'transcendentale kritiek': niet maar het van buitenaf bestoken van de ander, maar het a.h.w. in de huid van de ander kruipen om met gebruikmaking van diens eigen denkcategorieën de vinger te leggen bij interne spanningen en 'antinomieën'; maar ook om van daaruit positief die categorieën te genereren vanuit een fundamenteel-christelijke grondovertuiging.
Zijn er mogelijkheden voor zo'n transcendentaal-christelijke benadering van het Verlichtingsdenken, nu dat laatste zich oppermachtig in onze cultuur genesteld heeft? Het antwoord hoeft m.i. niet bij voorbaat ontkennend te zijn. Datzelfde Verlichtingsdenken wordt immers op zijn beurt inmiddels ook weer radicaal gekritiseerd vanuit het postmodernisme. Zeer intrigerend zijn in dit verband de recente pogingen tot een transcendentaal-christelijke kritiek die aansluiten bij dit postmodernisme. Ik denk hier bijv. aan het recente cultuurfilosofische werk van Lesslie Newbigin, o.a. aan zijn studie over The Gospel in a Pluralist Society. Maar e zouden meer namen te noemen zijn, bijv. uit de bloeiende beweging van christen-filosofen rond het Amerikaanse tijdschrift Faith & Philosophy.
Van den Brink laat zien hoe een dergelijke benadering structureel verloopt, zoals hij dat noemt. We laten dat hier verder rusten, mede vanwege de moeilijkheidsgraad van het verhaal. Maar we geven nog wel het slot van zijn bijdrage door. Daarin laat hij zien dat de benadering van Lesslie Newbigin wel degelijk het nodige oplevert voor de vraag: hoe kan het christelijk geloof reageren op de plurale samenleving waarbinnen het leeft?
Laat ik tot slot twee dingen noemen. Allereerst hoeft de christelijke geloofsgemeenschap zich niet langer een minderwaardigheidscomplex te laten aanwrijven door de ongehoorde pretenties van het moderne liberalisme. En ten tweede komen we in de huidige pluralistische samenleving blijkbaar niet verder door de eigen traditie te relativeren, maar juist door deze zo geëngageerd en authentiek mogelijk uit te leven in de huidige context. Wanneer wetenschappers met pluralisme te maken krijgen ten gevolge van conflicterende paradigma's, komen ze ook niet verder door hun waarheidsaanspraken eenvoudig op te geven of te relativeren, maar wel door die op creatieve en gepassioneerde wijze in alle mogelijke richtingen uit te werken, bij te stellen en te verdedigen. Zo zullen de plausibiliteit en vitaliteit van het christelijk geloof alleen maar aan het licht komen wanneer christenen zich met alle hun geschonken gaven inzetten voor de theoretische doordenking en praktische uitleving van alle vooronderstellingen en implicaties van het Evangelie.
In het hier geciteerde themanummer van 'Beweging' komen verder nog bijdragen voor van: dr. R. Kranenborg over 'nieuwe religiositeit en veelgodendom', van dr. J. Hoogland over 'de terugkeer van het veelgodendom' en van drs. W.G. Rietkerk over 'zijn alle godsdiensten gelijk?' Adres: Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte, Postbus 368, 3500 AJ Utrecht. Aanbevolen voor hen die sterk geïnteresseerd zijn in deze vragen.
Verdringing en vervanging
In Variant, de zaterdagbijlage van het Nederlands Dagblad van 18 september 1993, besteedde prof. dr. G. Glas zijn column aan het reeds in 1949 verschenen, maar in 1989 herdrukte geschrift van prof. dr. J.H. Bavinck 'Religieus besef en christelijk geloof'. Prof. Glas schrijft, dat dit boek nog altijd boeiend is voor ieder die in een geseculariseerde cultuur als de onze op zoek is naar een aansluitingspunt voor het evangelie.
Verkuyl zegt het al in zijn voorwoord: Bavinck as allerminst onder de indruk van de secularisatie. Hij was er diep van overtuigd, dat God zich intensief en persoonlijk bemoeit met ieder mens, ongeacht de tijd en cultuur waarin deze leeft. Op eigen wijze borduurt Bavinck voort op het thema 'algemene genade'. Anders dan Abraham Kuyper ziet hij deze niet als een voorstadium van de particuliere genade (de verzoening door Jezus Christus), maar meer in de lijn van Calvijn als een direct en persoonlijk appel van God aan de mens.
Bavinck zet een dikke streep onder wat de apostel Paulus schrijft in Romeinen 1: dat de waarheid, namelijk van het goddelijk appel, in ongerechtigheid 'ten onder' wordt gehouden (vers 18). Bavinck gebruikt in dit verband de term 'verdringing'. Van nature is de mens geneigd de 'sprakeloze spraak' van God (vgl. Psalm 19 : 2-5) weg te duwen. Naast verdringing is er ook sprake van vervanging. De verdringing laat een leegte achter, een gat dat onrustig maakt en om opvulling vraagt. Vandaar de eindeloze verscheidenheid van afgoden en (quasi-)religieuze praktijken.
Juist in een tijd waarin velen spreken over de afwezigheid van God, is Bavincks betoog actueel. De leegte en verlatenheid die mensen ervaren, zijn geen laatste woorden. Ze kunnen worden uitgelegd als het resultaat van verdringing. De zelfcultuur van de moderne mens kan worden vergeleken met wat Bavinck vervanging noemt. Als we met de ogen van Bavinck naar het moderne levensbesef kijken, zijn er mogelijkheden te over voor gesprek.
Verdringing en vervanging zijn de twee woorden die J.H. Bavinck steeds gebruikt om aan te duiden wat er door de mens gedaan wordt om zich God van het lijf en uit zijn leven te houden.
Heel de cultuur- en godsdienstgeschiedenis ziet Bavinck als het resultaat van een proces van verdringing en vervanging. Ik citeer: 'Die (algemene) openbaring dringt op hem aan, dwingt hem om te luisteren, maar zij wordt op hetzelfde moment 'tenonder-gehouden-, 'verdrongen', en de enkele, geheel uit het verband gerukte momenten eruit, die in het menselijk bewustzijn blijven haken, worden tot kernen, waaromheen zich een geheel ander verband van gedachten gaat kristalliseren. Er bestaan zekere samenhangen tussen de algemene openbaring en het menselijk, religieus besef, maar die samenhangen zijn uiterst ingewikkeld, omdat 'verdringen' en 'vervangen' erin begrepen zijn als onontkoombare elementen' (p. 179). Bavinck vergelijkt het verdringen en vervangen met wat er in onze dromen gebeurt. Bavinck noemt de naam Freud niet, maar het zou interessant zijn, zijn analyse eens naast Freuds Traumdeutung te leggen. Indrukken van buiten krijgen in de droom vaak buitenproportionele afmetingen. Het tikken van de wekker wordt de ritmische stap van voorbij marcherende soldaten, aldus Bavinck. Het stromen van water in de dakgoot wordt het geraas van een waterval in het oerwoud. Indrukken worden uit hun verband gerukt en sterk vergroot. Ze worden de kern van een heel andersoortige keten van gedachten.
Zo is het ook met het religieus besef: het appel van God wordt omgebogen en vervormd en het komt in een geheel ander verband te staan, zodat het oorspronkelijke Godsbesef verwordt tot een bijna onherkenbare karikatuur. Er is geen mens die aan dit appel ontkomt. Voor zover hij verdringt, draagt ieder mens het litteken van deze verdringing.
Prof. Glas schrijft dat Bavincks visie niet echt nieuw is, maar een uitwerking is van een klassiek-gereformeerde lijn van denken. Bavinck is daarom minder onder de indruk van de secularisatie dan veel gereformeerden vandaag blijkbaar zijn, aldus dr. Glas. Bavinck zou alles wat er vandaag gebeurt uitleggen met de al genoemde begrippen 'verdringing' en 'vervanging'.
Bavinck zou, als hij vandaag leefde, van het postmoderne levensgevoel niet onder de indruk zijn. 'De mens is in al de eeuwen van zijn geschiedenis bezig geweest de leegten op te vullen' (p. 178). Vandaag gebeurt dat door de fictie van de beeldcultuur. Hier en daar lijkt het erop dat Bavinck de moderne verveeldheid voorvoelt: 'Soms krijgt men in deze tijd de indruk, dat de mens van al dat opvullen doodmoe geworden is, alsof hij de leegte maar leegte laat. Hij zoekt geen altaar meer om te aanbidden, hij steekt niet meer tastende zijn handen uit naar een god, om te kunnen uitrusten. De mens van tegenwoordig is verzadigd geworden van al dat vervangen en opvullen.' (p. 178).
De tijd heeft Bavinck gelijk gegeven wat betreft de leegte en moeheid, maar ongelijk als het gaat om het opvullen. Hoe dieper de leegte, des te fanatieker het opvullen, zo lijkt het. We zouden – met B. Goudzwaard – zelfs van een verslaving kunnen spreken, een verslaving aan de zelfcultuur.
Ik moet zeggen dat Bavincks analyse van de leegte en de scheefgroei van de mens mij zeer aanspreekt, meer dan de nu eens apocalyptische, dan weer berustende teksten over 'Godsverduistering' en de zogeheten afwezigheid van God. Ik geef toe: ook dàt kan realiteit worden en het zou verschrikkelijk zijn. God kan mensen en culturen aan zichzelf overlaten en we kunnen ons niet eens een voorstelling maken van wat dat werkelijk zou betekenen. Ik geloof niet dat het zover is. Wie de woorden van de Prediker over de onuitsprekelijke vermoeienis van het bestaan naast het postmoderne levensgevoel legt, ziet waarachtig niet zoveel verschil. Laten we ons dus niet laten begoochelen door het postmodernisme, als zou het zoveel gevaarlijker zijn dan het modemisme of de mystiek. God laat zich niet wegdenken en weg voelen. Leegte en verlatenheid zijn geen laatste woorden, maar vermommingen. Beter nog: littekens.
Twee bijdragen die we dit keer citeerden die kunnen helpen bij de zo nodige bezinning op de positie van de christelijke gemeente in een samenleving die zo diep ontzonken is aan de kennis van de God der openbaring. De visie van J.H. Bavinck is zelfs troostvol te noemen, ook al blijft voor mij de vraag openstaan of het waar is dat er eigenlijk niets bijzonders aan de hand is in deze tijd. Voor mij blijft de omslag die we in de cultuur vandaag beleven onvergelijkelijk ingrijpend en vernietigend voor het christelijk geloof als God niet Zelf ons een weg geeft te gaan ter ontkoming. De vraag uit Amos' dagen heeft een hernieuwde actualiteit: 'Heere, HEERE! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein! (Amos 7 : 5).
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's