Uit de pers
Gevecht tegen de dood
In zijn column in de zaterdagbijlage van het Nederlands Dagblad: Variant van 23 oktober 1993 besteedt prof. dr. J. Douma aandacht aan het onlangs verschenen boek van dr. R. Seldenrijk, Organen en weefsels op reis. Een medisch-ethische afweging van de transplantatie-geneeskunde, uitg. Groen, Leiden, 1993. Prof. Douma is het met de conclusie van Seldenrijks boek van harte eens. Die conclusie komt er op neer dat orgaantransplantatie 'een twintigste-eeuwse vorm van hulpverlening is die met een beroep op de bijbelse naastenliefde hartelijk aan te bevelen is'. Bijbelteksten hebben we er niet voor nodig om dit te bewijzen, aldus prof. Douma, wel een bijbels thema: de liefde. We citeren hier het begin van Douma's column:
Geregeld worden we in de krant gewezen op het gebrek aan donors voor orgaantransplantatie. Ieder weet waar het dan over gaat. Orgaantransplantatie betekent het overbrengen van weefsels of organen overgeplant in een ander lichaam, ter vervanging van een in dat lichaam uitgevallen functie. Iemand die daarvoor organen ter beschikking stelt, noemen we een donor.
Men kan tijdens z'n leven reeds donor zijn. Dat bewijzen al die donors, die geregeld bloed afstaan om hun medemensen een dienst te bewijzen. Strikt genomen valt bloed-donatie niet onder de omschrijving van transplantatie die ik hierboven gaf. Bloed is immers geen weefsel of een orgaan, maar een bepaalde vloeistof. Toch rekenen we bloedtransfusie tot de 'organen' die iemand kan afstaan. Zo kan iemand tijdens zijn leven ook beenmerg of een nier afstaan ten bate van een ander. In het pas verschenen boek van R. Seldenrijk Organen en weefsels op reis lees ik dat ongeveer tien procent van de getransplanteerde nieren in Nederland afkomstig is van familieleden. Dat is een hoog percentage, wanneer we bedenken dat het afstaan van een gezonde nier een hele beslissing is. De donor moet zich immers aan een behoorlijk grote operatie onderwerpen. Dat is al geen kleinigheid; maar bovendien moet hij verder door het leven met één in plaats van twee nieren. Wie een nier afstaat, heeft uiteraard geen reservenier meer als de andere ziek zou worden. Het dwingt respect af wanneer iemand tijdens z'n leven een nier afstaat. Hij zal het doen omdat een familielid anders zwaar gehandicapt door het leven moet gaan, of mogelijk zelfs ten dode is opgeschreven als er zich geen nierdonor meldt. Maar het ligt voor de hand dat niemand zoiets voor een wildvreemde doet.
Nu zou het best kunnen zijn dat het onnodig werd op familieleden een beroep te doen als alle Nederlanders met een donor-codicil op zak liepen. In dat geval zouden immers onmiddellijk na hun dood nieren kunnen worden weggehaald voor transplantatie. Maar ook in dat geval moeten we ons geen overdreven voorstelling maken van het aantal nieren dat voor transplantatie vrij zou komen. Stel dat u een donorcodicil op zak hebt en bereid bent dat na uw dood anderen met uw nieren geholpen worden. Dan is het toch zeer de vraag of het ooit zo ver zal komen. Want feitelijk komen voor een niertransplantatie maar enkele groepen in aanmerking. Dat zijn o.a. mensen die een dodelijk hersenletsel hebben opgelopen tengevolge van een verkeersongeval. Of patiënten met een hersenbloeding of met een (goedaardig) gezwel in de hersenen. Natuurlijk worden geen nieren ingeplant die door een verkeersongeluk beschadigd, of door een ziekte aangetast zijn. Bovendien moet u in een ziekenhuis zijn opgenomen, wil men direct na uw dood organen wegnemen. Met andere woorden: uw bereidheid om een ander te helpen is te waarderen; maar of men van uw bereidwilligheid ooit gebruik zal maken, hangt van vele factoren af. We kunnen rustig zeggen dat de meerderheid onder de codicildragers nooit een bijdrage aan orgaantransplantatie zal leveren. Daarmee zeg ik niet dat we dan ook maar geen donorcodicil op zak moeten dragen. Ik heb er in deze rubriek al vaker voor gepleit om dat wel te doen. Hoe meer Nederlanders hun wil kenbaar maken, hoe meer patiënten er geholpen kunnen worden. En dan niet alleen voor niertransplantatie, maar ook voor transplantatie van bijvoorbeeld huid, hart, lever en pancreas. De transplantatiemogelijkheden worden steeds efficiënter. Maar dan zal het ook steeds dringender worden om over donatie van organen serieus na te denken.
Een gevecht tegen de dood vindt ook plaats wanneer mensen de boodschap te horen krijgen dat er in hun lichaam een kwaadaardig gezwel is aangetroffen. In Hervormd Nederland van 23 oktober 1993 staat een verslag te lezen van het werk van het Taborhuis in Nijmegen. In het Taborhuis worden mensen met kanker en hun partners gesteund bij de verwerking van hun ziekte. 'Op verzoek van Canisius-Wilhelminaziekenhuis startte Yang, theoloog, ziekenverzorger en psycho-energetisch therapeut dit centrum gebaseerd op de methodes van Simonton en LeShan, maar dan uitgebreider'.
Het werk van het Taborhuis wordt gebruikt als ondersteuning van de reguliere behandelmethodes van kankerpatiënten: operatie, bestraling en chemotherapie. Die zijn vooral op het lichaam gericht, het Taborhuis richt zich meer op de rest van de mens. 'Wie van z'n arts hoort dat het kanker is, wordt volkomen uit het lood geslagen, overdonderd, wanhopig. 'Maar ik heb gisteren nog veertig kilometer gefietst; ik voel me helemaal niet ziek; het moet een vergissing zijn', zeggen ze.
Van zo'n knobbeltje voel je je ook niet ziek. Dat komt pas als je chemotherapie krijgt, of bestraald wordt. Dan voel je je moe, misselijk, soms al puur van het opzien tegen een nieuwe behandeling. Kanker is ook angst, voor de dood; zou er niet toch een finale afrekening komen van onvermoede zonden? En wat moet er met je kinderen gebeuren… Angst om je relatie, je partner. Wil die me nog wel zonder borst, of als ik impotent ben? De gedachte aan kerst 1994 kan je hele dag vergallen, als je je vrouw daar voor je ziet, in haar eentje bij de kerstboom.
Al die emotionele factoren spelen mee bij de behandeling van kanker. Het is tegenwoordig gemeengoed dat je iets overslaat als je de mens alleen maar ziet als een klont weefsels, cellen, een ziekte. Er is een verschuiving van het mensbeeld geweest in de afgelopen decennia. Vroeger was behandeling van patiënten puur medisch-technisch, nu weten we dat je dan een heel stuk van de zorg overslaat.'
Aandacht voor de geest van de zieke mens werkt positief op het ziekteverloop.
Als de patiënt zelfde tijd heeft gehad om te beslissen: 'Ja, ik vind dat het nodig is nu die pijnlijke behandeling te ondergaan', dan zijn de nadelige effecten aanwijsbaar lager. Men heeft minder last van misselijkheid, psychogene misselijkheid, kaal worden, op willen geven van het behandelingsproces. Wie ziek wordt voelt zich vaak 'slachtoffer'. De ziekte overkwam hem of haar. De kunst bij de behandeling is om die slachtofferrol niet te herhalen door handelingen uit te voeren buiten de wil van de patiënt om.
Je moet dus als patiënt zoeken naar een mogelijkheid intact te blijven, niet alles uit handen te geven. Sommigen worden zo moedeloos van het bericht dat ze kanker hebben, zo woedend ook op hun lichaam, dat ze hun lichaam als het ware niet meer als een deel van henzelf willen erkennen. Ze geven het volledig over aan de wetenschap. Een arts kan daar als een soort automonteur z'n gang mee gaan.
Verwerken van kanker is ingrijpend. 'Het verwerken van het feit dat je kanker hebt, betekent dat je vrede moet sluiten met je lichaam…'
Yang brengt de opgave van de kankerpatiënt onder woorden met: 'Leren je te verzoenen met die mogelijk naderende dood en tegelijkertijd strijden om het leven'. Als je dat als twee verschillende dingen ziet, is het moeilijk. Ik probeer de overstijging van die twee facetten duidelijk te maken: werken aan de kwaliteit van het leven van dit moment, leven in het hier en nu, het leven verankeren in dit moment. Dat heeft vergaande consequenties. Je bent minder gefixeerd op de vraag of je kerst nog haalt, je dochters verjaardag nog meemaakt. Die gedachten helpen niet. Het is emotioneel praktisch om in het hier en nu te leven. Dat wil niet zeggen dat je geen plannen zou kunnen maken; de mens wordt door de toekomst getekend, tenzij je een zen-boeddhist bent. Een leuke gedachte over de toekomst, een korte vakantie binnenkort plannen, kan deze dag toch lichter maken. (…)
Een man bij wie kanker al met succes was behandeld merkte eens op: 'Ik denk wel dat ik weer beter ben, maar mijn zus gelooft het niet en dat maakt het moeilijk gewoon te leven.' Kankerpatiënten kunnen zowel steun als hinder ondervinden van hun naaste omgeving. Wie bij een behandeld kankerpatiënt op bezoek gaat met de mededeling: 'Normaal neem ik geen afscheid voor ik op reis ga, maar jou wilde ik toch even dag zeggen', verraadt ongewild de angst voor de dood en laat ook het eigen ongeloof in genezing zien. 'Wat fijn dat je toch bij ons huwelijk kan zijn' klinkt voor een kankerpatiënt anders dan voor een emigrant is spe.
Kankerpatiënten worden vaak benaderd als zielig, hulpbehoevend, meelijwekkend, ziek. Niet alleen door het verplegend personeel en de artsen, maar ook door de buurvrouw, de partner, familie. Ook die houding maakt het moeilijk als mens intact te blijven. Om dat te doorbreken is het belangrijk om er achter te komen wat je leven de moeite waard maakt. Stapje voor stapje ontdekken wat je wel en niet op prijs stelt. Zeggen: 'Het is lief dat je me wilt helpen, maar ik kan echt wel alleen mijn bed in komen'. En een maand later misschien: 'Nu heb ik je hulp wel nodig'. Het klinkt simpel, maar het is vaak heel moeilijk. Hoe zeg je iemand dat je nu geen zin hebt in bezoek en warme belangstelling, zonder dat je meteen de rest van je leven ruzie hebt?
Wie door genoemde ziekte wordt bedreigd of er in zijn of haar directe omgeving mee te maken krijgt, ervaart het als een ware aardverschuiving in de beleving van z'n bestaan. Uitdrukkingen als 'de wereld verging voor me' of 'mijn hele wereld is ingestort' geven dat voldoende aan. Er zitten ook andere kanten aan, die Yang tenslotte als volgt onder woorden brengt.
Het werken met kankerpatiënten heb ik altijd boeiend gevonden. Het heeft me veranderd. Het doet je het tijdelijke veel beter beseffen. Daar zit je al anders door op een terrasje. Ik kan meer genieten van mooie momenten. Die zijn zo kostbaar, het kan zo snel weg zijn. Ik heb geen grootse plannen: ik hoef niet nog dit en dat om 'iets te worden, iets te bereiken'. Ik kan nu eerder de zin ontlenen aan dingen die mooi, ontroerend, opwindend zijn. Het is als met de ontroering die je voelt bij de tijdelijkheid van een klein kind. Als je een kind ziet spelen, ben je vertederd door de onschuld.. Dan denk je niet: straks is-ie misschien soldaat of slaat z'n vriendin de hersens in, nee, je geniet van de tijdelijkheid van dat driejarige wezentje. Een kind kun je onbevangen zien. Waarom zou dat dan zo moeilijk zijn met andere momenten in je leven die echt mooi zijn? Genieten van schoonheid geeft juist troost.
Maar het kan ook troost geven dood te gaan, een bevrijding, het lichaam los te laten. Vooral bij mensen die veel pijn hebben gehad. Pijn kan zo soms een middel zijn om het lichaam los te gaan laten. Maar veel pijn verkrampt je weer zo dat het loslaten niet meer lukt. In het verleden hebben kankerpatiënten teveel pijn gehad; uit angst voor verslaving en verdoving werd er onregelmatig of te weinig pijnbestrijding gegeven. Een van de initiatiefnemers van psycho-sociale hulp voor kankerpatiënten was een anesthesist, die niet alleen medicatie wilde geven of pijnbestrijders aanbrengen.
Er zijn mensen die indrukwekkend sterven. Die hebben hun ziekte kunnen gebruiken voor psychische en spirituele groei. Maar er zijn natuurlijk ook mensen die klagend en kreunend gaan.
Gevecht verloren
De menselijke strijd tegen ziekte en kwalen loopt menig keer op een menselijk verliezen uit. In de rubriek 'Pastorale signalen' in het Centraal Weekblad van 22 oktober 1993 schrijft ds. K.D. van Kampen over het verschijnsel dat steeds meer mensen vóór hun dood hun eigen begrafenis willen regelen. Hij heeft dat in een kranteartikel gelezen, maar constateert het ook in zijn eigen pastoraat. Hij schrijft: 'Veel meer dan vroeger gebeurde, overkomt het mij de laatste tijd, dat mensen afspraken met mij willen maken over hun begrafenis. Vaak zijn dat nog gezonde ouderen. Zij maken zich zorgen over hun begrafenis, omdat geen van hun kinderen nog een relatie met de kerk heeft. Zullen zij wel voor een 'christelijke begrafenis' kiezen? En dan: weten ze er nog genoeg van om er een dienst in de geest van de overledene te kunnen regelen?'
Er is nog een ander probleem. Mensen die met mij over hun begrafenis willen praten omdat ze geen garantie hebben dat hun kinderen die in hun geest zullen regelen, zitten vaak met een ervaring van onmacht: ze hebben geprobeerd hun kinderen christelijk op te voeden, maar dat is in hun ogen niet gelukt. Dikwijls is zelfs de communicatie op dit punt onmogelijk geworden. Hun directe (of indirecte) vraag aan mij als predikant is dan, dat ik namens hen, hun kinderen bij de begrafenis nog eens duidelijk zal zeggen wat hen niet gelukt is over te brengen. Maar dat gaat niet. Een begrafenis is een belangrijk moment in een proces van afscheidnemen en rouwen. Het gaat dan uiteraard om de diepste vragen van liefde, hoop, overgave en dus geloof. In de dienst bij de begrafenis komen deze elementen vanzelfsprekend naar voren. Maar altijd in verband met het overlijden van déze mens en het verwerkingsproces van de achterblijvenden. Dat is vaak al heel pijnlijk en moeilijk. En het is zeker niet goed van die situatie misbruik te maken door schuldgevoelens op te wekken, mensen onzeker te maken of onder druk te zetten. Wanneer een groep mensen die nooit in de kerk komt en dat door de situatie gedwongen, bovendien in een emotionele en kwetsbare positie, wel doen moet, dan vraagt dat veel tact en fijngevoeligheid bij het leiden van de dienst. Respect voor deze mensen is een eerste vereiste. Ik moet in een gesprek over hun begrafenis mensen duidelijk maken, dat de dienst in de eerste plaats bedoeld is als bemoediging en troost en niet als een laatste gelegenheid hun kinderen 'de waarheid te zeggen'. Uiteraard zal het geloof waarin ze geleefd hebben en gestorven zijn worden verwoord – het is niet voor niets een 'dienst'; maar het is een 'rouwdienst' of een 'dienst van Woord en gebed' en geen 'evangelisatiedienst'.
Wanneer ouderen een gesprek willen om een kerkdienst in hun geest bij hun begrafenis veilig te stellen, is dat dus fijn, maar het vraagt ook om duidelijkheid en goede afspraken met de kinderen. De zaak vaag laten of toezeggingen doen waarvan je niet zeker bent dat je ze kunt waarmaken, leidt alleen maar tot schuldgevoelens.
Inderdaad, mensen schuldgevoelens als hier genoemd, aanpraten geeft geen pas. Iets anders is mijns inziens dat een rouwdienst wel een gelegenheid mag zijn alle aanwezigen inclusief de voorganger zelf te confronteren met de eindigheid van dit leven. En wie de Schrift laat spreken kan niet om de klemmende boodschap heen welk een verantwoordelijkheid het is om te leven en eens te sterven. Wie ervan overtuigd is dat sterven betekent God ontmoeten, kan daar niet zomaar altijd aan voorbijgaan en doen alsof er eigenlijk niets aan de hand is. Of je nu met God leeft of zonder God leeft en sterft. Het gaat hier wel om de toon en de manier waarop een en ander wordt gezegd.
Ds. Van Kampen sluit zijn artikel af met een aantal opmerkingen over de tekst van de rouwcirculaire, waar ik me helemaal in vinden kan.
Wanneer iemand is overleden, moet er binnen enkele uren veel gebeuren. Eén van de eerste dingen is het opstellen van een overlijdensbericht. Wanneer hierover niet van tevoren is nagedacht, is het vaak niet goed mogelijk in een situatie van schok en ontreddering binnen enkele uren (als men die al toegemeten krijgt van de ondernemer) een goede tekst op te stellen. Dan neemt men een tekst over van één van de voorbeelden die de ondernemer bij zich heeft. Helaas zijn die voorbeelden niet altijd even geslaagd. Zo krijg ik vaak kaarten met de tekst: 'Bedroefd maar dankbaar voor alles wij hij voor ons geweest is heeft de Heer, geheel onverwacht tot Zich genomen mijn lieve man, onze lieve vader, schoonvader, zoon, schoonzoon, broer, zwager en oom…'
De bedoeling is duidelijk. Maar 'bedroefd maar dankbaar' is een bepaling bij 'God'. Wat er dus werkelijk staat is, dat God 'bedroefd en dankbaar' is. En dat is niet de bedoeling.
Zo zijn er veel voorbeelden te noemen, waarbij de letterlijke tekst van de overlijdenscirculaire twijfelachtig, soms zelfs merkwaardig is. Ik denk, dat dat veroorzaakt wordt door de gewoonte alles in één zin te zeggen; ik begrijp niet waarom dat moet. Als we op de circulaire gewoon korte zinnen gebruiken, vermijden we merkwaardige fouten. Wat is er op tegen om het zo te stellen: 'Geheel onverwacht heeft de Heer tot Zich genomen… Wij zijn erg verdrietig, maar we voelen toch ook veel dankbaarheid. Want hij was een lieve man, een lieve vader en een fijne zoon.'
Als we korte zinnen gebruiken kunnen we de dingen helderder zeggen en tegelijkertijd fouten vermijden. Ik begrijp de haast die begrafenisondernemers hebben, maar ik heb de ervaring dat het best mogelijk is een paar uur langer tijd te nemen om de tekst van de circulaire goed te overwegen. Dat vereist waarschijnlijk een extra rit naar de ondernemer om de tekst weg te brengen, maar dat loont zeker de moeite.
Ik schreef boven dit stuk 'gevecht verloren'. Dat kan het misverstand wakker roepen als zou de dood een lot zijn waartegen we ons tot het uiterste moeten verzetten. Nu kan ik begrijpen dat waar in een jong leven voortijdig (naar onze begrippen) een slopende kwaal het leven meeneemt, mensen spreken over 'een ongelijke strijd'. Zo ervaren we dat dan heel indringend en het moet je maar overkomen! Gelukkig mag het zijn als we rust vinden in de weg die God met ons gaat en we ons, soms al vechtend, mogen kwijt raken aan Hem Die ons leven in Zijn hand heeft. En Die de dood overwonnen heeft in Christus, onze levende Heere. Zijn gevecht tegen de dood was ook een ongelijke strijd. Maar dan niet voor Hem. Immers, de dood heeft het van de Levende verloren.
J. Maasland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's