Samen op Weg – in hoeverre en hoever?
Referaat voor Confessioneel Gereformeerd Beraad in de Meerpaal te Dronten op 30 oktober 1993
Temidden van alle kerkelijke verwarring vandaag lopen we het gevaar te vergeten, dat de kerk als Lichaam van Christus één is. Het lichaam van Christus kan, bijbels gezien, niet verdeeld zijn. Vanuit de Schrift bezien is er maar één kerk. We geloven en belijden – zegt de Nederlandse Geloofs Belijdenis – één enige Katholieke of algemene Kerk. Het is de heilige vergadering van ware Christ-gelovigen, die al hun heil verwachten van en in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed en geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. Die kerk mag klein en als tot niet gekomen zijn in de ogen der mensen, ze mag – ik citeer nog steeds de NGB – verspreid en verstrooid zijn door de gehele wereld, ze is nochtans samengevoegd en verenigd, met hart en wil in éénzelfde Geest, door de kracht van het geloof.
Maar de werkelijkheid dan? We staan immers voor het onontkoombare gegeven, dat nochtans het Lichaam van Christus, in de concrete gestalte van de kèrk, verscheurd is? Het Lichaam bloedt uit duizend wonden. Dat is dan toch echter vooral ook een werkelijkheid, waarmee we als leden van het Lichaam van Christus niet moeten kùnnen leven! Het kan ook inderdaad pijn doen wanneer we ervaren dat diegenen, die met hart en ziel verenigd zijn en zich als zodanig verenigd wéten in de kracht van het geloof, van elkaar gescheiden zijn door muren, die mensen hebben opgericht. Want, als het erop aankomt, is de ware kerk van Christus niet aan wèlke plaats dan ook gebonden, opk niet aan één van onze instituten. Het Woord van God is niet gebonden, zegt de Schrift zelf. Dat Woord laat zich ook niet boeien door de instituten, die we zelf hebben opgetrokken.
En toch kunnen we de kerk ook niet verspiritualiseren tot een on-zichtbare werkelijkheid. De onzichtbare kerk – zegt Calvijn – treedt voortdurend in de zichtbaarheid. En daarom is de zichtbare verscheurdheid van het Lichaam van Christus schuld en oordeel. Die schuld dringe ons samen tot diepe verootmoediging.
Welke kerk zou kunnen zeggen hierbuiten de schuld van de verdeeldheid te staan? Iedere kerk op zich symboliseert een déél van de schuld. Hetzij doordat ze in de loop der tijd zó ongehoorzaam werd aan Christus en Zijn Evangelie, dat ze zelfs de zonen van het huis uitwierp. Hetzij doordat eigenmachtig wegen werden bewandeld, waarop afscheiding zelfs een principe op zich werd; wegen intussen ook, die doorgaande verscheurdheid in zich borgen: scheidingen namelijk, die telkens nieuwe scheidingen opriepen. En zo hebben we samen het Verbònd verbroken.
Een heilig moeten
Samen op weg is dus eigenlijk een heilig moeten. Ik kom dan nu ook bij het eigenlijke thema van vandaag.
Wie zou er niet naar verlangen, dat in dit land de eenheid van de Kerk van Christus weer zou worden hersteld?
Wie zou er met name niet naar verlangen, dat de kerk der Reformatie in dit land weer wordt hersteld, weer in ére wordt hersteld?
Wie zou er niet naar verlangen, dat alle breuken, die in het verleden geslagen zijn, weer worden geheeld, dat de kloven worden gedicht?
Wie zou er niet naar verlangen, dat de kerk der Reformatie weer uit de as van de ingezonkenheid en de verstrooiing oprijst en weer, in nauwe verbondenheid met het hele Gemenebest te onzent, dat immers ontstaan is in de worsteling om de kerk, glans en kleur krijgt?
Als ik dan zeg 'kerk der Reformatie' bedoel ik, zonder enige terughoudendheid, de héle Reformatie. We zijn hier vandaag bijeen aan de vooravond van 31 oktober, gedenkdag van de Hervorming. Dáár, waar de Reformatie vandaag nog wordt herdacht – vooral immers in kerken van gereforméérde belijdenis – vindt men vaak nog stèrker aandacht voor Lúther dan voor Calvijn. Met hem is het immers allemaal begonnen. Met zijn ontdekking van de bijbelse grondnotie, dat 'de rechtvaardige uit zijn geloof zal leven', dat God de goddeloze uit genade aanneemt en rechtvaardigt. Op deze ontdekking bloeide de kerk der Reformatie op, als een nieuw begin in de ger schiedenis; op gang gekomen, als – zo belijden we – een geschenk Gods in de geschiedenis, niet in het minst ook in de geschiedenis van ons land.
Intussen is het toch ook echter in zekere zin de tragiek van de Reformatie geweest, dat niet van meet af aan één kerkelijke lijn kon worden getrokken. Er waren en bleven wezenlijke verschillen tussen Luther en Calvijn, op het punt van de Christologie, de ambten, de leer aangaande het avondmaal. De twee hoofdstromen van de Reformatie hebben in die dagen elkaar derhalve helaas niet gevonden in één gemeenschappelijke bedding. Calvijn was in deze overigens meer 'oecumenicus' dan Luther. Van hem is de uitspraak, dat hij zeeën wenste over te steken om broeders, die bijeen hoorden, ook metterdaad bijeen te brengen.
We weten ook hoe Melanchton heeft gepoogd de brug te slaan tussen Luthersen en Gereformeerden, namelijk door de door hem opgestelde Augsburgse Confessie bij te stellen op het punt van het avondmaal, zodat de lutherse en de gereformeerde stroming dichter bij elkaar zouden komen. Dat was al een wezenlijke, confessionele poging om een brug te slaan en als Lutheranen en Gereformeerden samen op weg te gaan. Helaas is de Reformatie er echter niet in de volle breedte in geslaagd om voluit bijbels-oecumenisch te zijn.
Het is dan ook vandaag de moeite waard, de moeite méér dan waard, om vanuit de wortel van de Reformatie, vanuit de bronnen, die in de Reformatie werden gegraven en aangeboord en waaruit door het volk werd gedronken, de brug te slaan tussen de gereformeerde en de lutherse traditie, opdat de kerk der Reformatie nog breder en daardoor ook dieper gestalte zou kunnen krijgen dan in de bedding van de Europese geschiedenis mogelijk is gebleken. Maar dan ook: Samen terùg náár die bronnen! Ging het daarover vandaag echter maar, nu ook Lutheranen aan het proces van Samen, op Weg zijn gaan meedoen. Rechtgeaarde gereformeerden behoeven zich er niet voor te schamen ook voluit Lutheranen te zijn, te willen leven uit het erfgoed, dat de reformator Luther ons ook naliet. Van Luther dichtte Willem de Mérode (ook ds. J. Flikweert citeerde hem vorige week in zijn meditatie):
Hij was en bleef een driftgebonden boer,
Die zingen kon zoodat het klooster dreunde,
's Avonds sloeg hij verwoed op schonk en schoer,
En niet de duivel maar hij brulde en kreunde.
Tusschen zijn lachlust en bezetenheid,
Dit felle en onverhoeds vagebondeeren,
Is jarenlang hij slingerend geleid,
Totdat hij zweeg voor 't aangezicht des Heeren.
Hij voelde door zijn afgebeulde bloed
Gods vrijmacht van genade zuivrend stroomen;
Hij, een nieuw schepsel profeteerde en zong,
En heeft met de oude drift en nieuwe moed,
Den kamp met kerk en keizer opgenomen,
Omdat de Heer hem op de knieën dwong.
De dreun van zijn stem klinkt ons ook vandaag nog aangenaam in de oren. En wanneer Lutheranen vandaag, vanuit hùn geschiedenis, die stem nog eens kracht zouden willen bijzetten in kerken van gereformeerde confessie, dan mag er op gerekend worden, dat er een klankbord zal zijn bij hen, die voluit in de gereformeerde traditie staan.
In hoeverre?
Samen op Weg – in hoeverre? Dat heb ik boven dit referaat gezet. In zóverre, dat de verdeeldheid van de kerk der Reformatie in de rèchte weg wordt opgeheven. En dan bedoel ik uiteraard in eerste instantie de kerk van de gereforméérde Reformatie. De verdeeldheid van die kerk is vooral ook schuld voor God. We zijn aan de schuld van die verdeeldheid – een repeterende breuk! – al te zeer gewend geraakt en hebben vele uitvluchten gevonden om van de nood een deugd te maken. Groen van Prinsterer heeft er echter nog ècht mee gezeten en erom geworsteld, toen hij namelijk in zijn dagen, na de Afscheiding van 1834, de gereformeerde belijders uiteen zag gaan, met als gevolg een versplinteringsproces, dat hij toen overigens nog niet kon voorzien. Groen heeft toen desalniettemin in één machtige greep de eenheid van gereformeerde belijders – onbekrompen en ondubbelzinnig – in het oog gehouden toen hij opkwam voor het recht der hervormde gezindheid of de gereformeerde gezindte ìn en bùìten de Hervormde Kerk – in haar onderlinge, wezenlijke, diepe verbondenheid.
Als ik derhalve eerst heb gesproken over de 'tragiek' van de Reformatie, omdat er niet één grote accolade om de twee grote tradities kon worden geslagen, dan moet zeker worden gesproken over de tragiek van de gereforméérde Reformatie, die zich immers in zoveel splinters verloor vanwege verabsolutering van eigen waarheidselementen of deelwaarheden, die niet ondergeschikt werden gemaakt aan de éne Waarheid, die Christus is, het Ene Hoofd der Kerk.
Toevalligheid
Maar intussen moeten we nu wel de vraag stellen of het huidige Samen op Weg echt wel het herstel is van de kerk der Reformatie of ook zelfs maar een begin van het herstel van de kerk van de gereformeerde Reformatie in dit land.
Is 'Samen op Weg' niet eerder een toevalligheid, een kerkelijk incident? Toegegeven, het gaat in eerste instantie om de twee grootste kerkgemeenschappen in dit land, komend uit de traditie van de Reformatie. Het gaat om het samengaan van twee kerken, waarvan de zogeheten achttien in de zestiger jaren zeiden, dat 'gescheidenheid niet langer mocht worden geduld'. Het gaat hier, zei men met professor dr. A.A. van Ruler, om een kerkelijk binnenbrandje, een huishoudelijke twist.
Maar in die jaren zei dr. A.A. Koolhaas – toenmalig praeses van de hervormde synode – dat, als Samen op Weg (men noemde het nog niet eens zo) tóén niet op gang zou komen, het de vraag zou zijn òf en hóé het ooit nog wel op gang zou komen. Hij zei dat in de jaren, dat de kentering al begonnen was binnen de Gereformeerde Kerken maar dat deze kerken nog aanspréékbaar waren op hun confessionele identiteit. In die jaren was het kerkelijk gesprek gevoerd tussen hervormden en gereformeerden. Gereformeerden zeiden toen nog tegen de hervormden, dat deze zich bevonden in een kerk zonder tucht, in een kerk, die haar belijdenis ontrouw was; in een kerk, waarin alles kon en alles mocht. Het was nog in de jaren, dat de Gereformeerde Kerken, althans naar buiten toe, massief en uniform opkwamen voor het recht van de belijdenis.
Ze hadden nòg stringenter bezwaren tegen de hervormde kerkorde dan de hervormde gereformeerden dit hadden, namelijk op het punt van het grondslagartikel (X). 'Gemeenschap met de belijdenis der vaderen' was immers niet hetzelfde als 'overeenstemming' met (binding aan) de belijdenis der vaderen. Gereformeerden honoreerden in die uitdrukking – de koinonia van Handelingen 2 – namelijk minder de bevindelijke dimensie van het belijdend karakter der kerk dan gereformeerden in de Hervormde Kerk geneigd en bereid waren te doen.
Opnieuw: in hoeverre?
We mogen elkaar hier vandaag, nu het Samen op Weg-proces vordert, echter wel in alle ernst de vraag stellen in hoeverre we als kerken elkaar nu nog echt aanspreken op het recht der gereformeerde belijdenis en ook: hoe we elkaar als Gereformeerden en Lutheranen boven-confessioneel aanspreken op de geloofsschat van de kerk der Reformatie. Is dat het geval dan zou er reden tot diepe dankbaarheid mogen zijn.
We mogen elkaar echter vandaag dan toch wel vragen in hoeverre datgene, wat de vaderen als noodzakelijk voor het heil van mensen geloofden en beleden, ook òns geloof en belijden uitmaakt: 'wij geloven met het hart en belijden met de mond'!
Wanneer ik deze vraag hier neerleg, vraag ik dat in de richting van de gezámenlijke kerken in het Samen op Weg-proces. Dan mag ik het echter toch vandaag, hier in uw midden, óók speciaal vragen in de richting van de Gereformeerde Kerken?
Het is nog maar zo kòrt geleden, dat de Doleantie nieuwe bakken heeft uitgehouwen om het water van de bronnen der Reformatie weer in op te vangen, om het volk daaruit te doen drinken.
Het is nog maar zo kòrt geleden, dat de Gereformeerde Kerken de Hervormde Kerk herinnerden aan haar afkomst, die ze immers had verloochend.
Ik ben ervan overtuigd, dat er ook vandaag nog velen zijn binnen de Gereformeerde Kerken, die snakken naar dat levende water. Maar de bakken zijn gebroken, ze hebben het water niet gehouden. Ik behoef hier de getuigen uit de Gereformeerde Kerken zelve niet op te roepen om te verduidelijken wat ik bedoel. Eén stem slechts, namelijk die van de eminence grise, prof. dr. H. Ridderbos. In Credo van september 1.1. citeerde dr. B. van Oeveren hem als volgt:
'Als er confessionele punten in het geding komen, zijn er die zeggen: mensen houdt toch je mond en maakt toch geen ruzie over die dingen. Dat ga je namelijk zeggen als je niet meer weet, waarover het gaat. Als die mensen het wel begrepen, als ze wisten, dat het om hun eigen geloof zou gaan; dat tenslotte datgene, wat ze op hun eigen sterfbed zullen belijden, in het geding was, dan zouden ze er ook veel meer belangstelling voor hebben en zouden ze van hun synode mogen eisen: geef dat belijden nooit prijs.'
Concreet
Hoe liggen de dingen nu in dit opzicht? Het lijkt er vandaag op dat – wonderlijke gang in de geschiedenis! – gereformeerden nu steevast in de beklaagdenbank zitten bij de hervòrmde gereformeerden. Dat is een misverstand. Ik wil hiervan allereerst namelijk zeggen, dat het voor ons allen zaak is òf en hóé we uit de religie der belijdenis leven. Wie telkens weer voor dit belijden der kerk opkomt, zoals hervormde gereformeerden dat al méér dan driekwart eeuw deden in de Hervormde Kerk, zal zichzelf dan wel alleréérst de spiegel hebben voor te houden.
Is dat belijden voor mijzelf een zaak van het hart?
Is het een geloofszaak, waarom ik de hitte van de beproeving doorstaan kan en waarop ik uiteindelijk mijn hoofd in vertrouwen kan neerleggen? Dat allereerst!
Hebben we – ik bedoel de Gereformeerde Gezindte en daarbinnen met name ook de hervormd gereformeerde stroming – namelijk ook niet de geloofskracht van dat belijden verzwakt door ons te verliezen in veruitwendigingen of verwettelijkingen, in marginale zaken of eigen kleine tradities? En blinkt het goud van dat belijden nog wel in een opgewekt en levend geloof, dat niet bestaat uit dogmatiek of pure rationaliteit maar dat vooral in een levende uitstraling ook werfkracht heeft naar buiten?
Maar dan zeg ik er toch bij: het gáát hervormde gereformeerden in het Samen op Weg-proces wel hierom, wel helemáál hier om! Het gáát in feite om de dienst der verzoening, waarom het allemaal in de confessie drááit. En dan mag toch hier vandaag ook, binnen uw Gereformeerde Kerken, gevraagd worden, of het uw kerken vandaag ook dáárom nog integraal gaat?
Prof. dr. C. Graafland heeft één en ander maal de vrees uitgesproken dat hervormde gemeenten worden meegetrokken in de vrije val van de gereformeerden. Dat lijkt bruske taal te zijn. Ze zal ongetwijfeld ook pijn doen. Maar zulks komt voort uit diepe bewogenheid om het heil van mensen. Dáár, waar het verlangen leeft om de gemeente bij het reine Woord Gods te bewaren, wordt met grote zorg aanschouwd hoe snel de ontwikkelingen gingen. Onder wèlke prediking zullen uw en mijn kinderen en kleinkinderen zich bevinden? Dat is een probleem in de Hervormde Kerk. Het is het vandaag echter ook binnen de Gereformeerde Kerken.
In hoeverre dus Samen op Weg? In zóverre, dat de kerk der Reformatie wordt hersteld in haar wezenlijke roeping voor gemeente en samenleving: de dienst der verzoening, naar binnen en naar buiten. Wat belijden de kerken vandaag echter nog wèrkelijk als ze uitspreken te belijden 'in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht'? Vandaag is het geen zeldzaamheid als, deze formulering ten spijt, kerkelijk tegendraads gesproken wordt wat de belijdenis betreft.
Vandaag zijn omkeerbelijdenissen, spiegelbelijdenissen aan de orde, om niet te zeggen aan de orde van de dag. We zeggen dan wat we vandaag allemaal niet meer kunnen geloven en belijden. Het algemeen betwijfeld christelijke geloof! Dat niet meer kunnen belijden lijkt haast zelf belijden te worden of te zijn geworden. Men leze de ingezonden stukken in Trouw er op na zodra H.M. Kuitert weer eens in het nieuws is. Hij lijkt een omkeer-reformator. Zijn uitspraken krijgen zo langzamerhand de status van spiegelbelijdenissen. Belijdenissen intussen uit het negatieve, geen vaste grond biedend om te staan maar drassige moerasbodem in de aanvechtingen van deze tijd.
Samen op Weg – Hoever?
Intussen staat er in de titel van mijn betoog vandaag nog een tweede woord. Eerst vroeg ik aandacht voor 'Samen op Weg: in hoeverre'? Die vraag heb ik in kort bestek beantwoord: niet anders dan in de weg van het belijden der Reformatie. Maar in dit licht bezien mogen we ook vragen: 'Samen op Weg – hoe ver?'
We zullen ons moeten realiseren, dat het samengaan van gemeenten op allerlei plaatsen, in allerlei gebieden puur een zaak van overleven is geworden. Ik wil nog niet eens zeggen, dat het pure economische noodzaak is. Maar het samengaan is vooral een samengaan in het kader van een om zich heengrijpend afkalvingsproces, om niet te zeggen verstervingsproces. De wegen naar Sion treuren, er komt niemand meer op het feest, klaagt de profeet Jeremia. Dat geldt ook aangrijpend in onze dagen.
Laat ik het ook hier dan nog eens duidelijk mogen zeggen, vanuit die sector van de kerk, die allerwegen als grote dwarsligger wordt bestempeld. Waar Samen op Weg moet of kan of van harte wordt gewild, laat het daar in de weg wan federatie en vóórtgaande federatie verder gaan. En geef de gefedereerde gemeenten een gewaarborgde plaats binnen de afzonderlijke kerken. En laten we samen het overige versterken, dat anders sterven zou.
Ook in de kring van de Gereformeerde Bond is nimmer bezwaar gemaakt tegen een gefedereerd, harmonisch groeimodel, maar wel met instandhouding van de kerken zelve. Laat aan dat door de nood gedwongen of ook van harte gewìlde federatieve samengaan van een minderheid van gemeenten niet hangen het grote aantal gemeenten, dat aan Samen op Weg niet toe is en niet toekomt of toe wil komen en door gedwongen samengaan alleen maar in de problemen komt.
Met die federatiegedachte is intussen niet in strijd het ontwerpen van een kerkorde, die zou moeten fungeren voor een verenigde kerk, als het ooit zover komen moet. Zo'n kerkorde staat immers model voor het type kerk dat wordt beoogd. Daarin wordt met name manifest of de kerk inderdaad een voluit reformatorische kerk zal zijn.
Ik ga hier verder nu niet in op het kerkorde-ontwerp, dat momenteel allerwegen in bespreking is. Van ingrijpende betekenis is echter geweest, dat enkele weken geleden, op de toen gehouden triosynode, al impliciet is vastgesteld, dat al onze besprekingen thans plaatsvinden in het kader van een gefuseerde kerk, een virtueel gefuseerde kerk wel te verstaan. Formeel moet het besluit tot vereniging nog genomen worden, maar materieel is het al wèl genomen. Een voorstel tot nadere uitwerking van de federatiegedachte werd geen kans meer tot reële bespreking gegeven.
Bij federatie echter zouden de kerken, die Groen van Prinsterer in de vorige eeuw mede op het oog had – in zijn visie op de hervormde, gereformeerde gezindheid – binnen beeld zijn gebleven. Ze zouden om zo te zeggen plaatselijk federatief mee hebben kunnen aanschikken. Ik besef heel wel, dat er nog heel wat water door de Rijn zou moeten stromen alvorens het zo ver gekomen zou zijn. Maar het volledige herstel van de kerk der Reformatie is nu in feite geblokkeerd. Daarom heb ik hierboven ook al eerder gezegd, dat Samen op Weg een toevalligheid is: een samengaan van kerken, die qua reformatorisch belijden ernstig zijn gederailleerd en zich nu aan elkaar optrekken en zich tot elkaar verplichten in hun confessionele verlegenheid of armoede; terwijl andere kerken van gereformeerde confessie buiten beeld blijven.
'Waar zijn de afgescheidenen van 1834?', riep in het begin van de tachtiger jaren een hervormd synodelid (ds. C. Blenk, toen nog te Oudewater). Als de voortekenen zich niet bedriegen zijn ze nu voorgoed buiten beeld, kerkelijk bezien althans. Er profileert zich van nu aan een nieuwe protestants geheten kerk van modem oecumenische snit.
Congregationalisme
Al wat zich nu, naar het schijnt, verder kerkelijk zal ontwikkelen zal een veelkleurig palet van gemeenten zijn, die niet meer echt bijeen gehouden worden door de kerk als bezield verband, waarin mensen zich met hun hele hart thuis weten, in liefde, die generaties lang is beproefd en gelouterd.
Er zullen weliswaar hervormde gemeenten blijven en gereformeerde kerken en evangelisch lutherse gemeenten, naast verenigde gemeenten. Maar het kerktype, dat zich lijkt te ontwikkelen, zal een congregationalistisch kerktype blijken te zijn.
Hoe verder?
Nooit is uit mijn mond gekomen, dat ik de kerk wil verlaten, omdat ik dan alsnog in het zwaard der afscheiding zou vallen, dat ik altijd verre van mij heb willen houden. En ik weet, dat dat voor velen geldt. Maar – ik spreek nu vanuit de Hervormde Kerk – de kerk moet er rekening mee houden, dat de betrokkenheid van de gemeenten op het geheel der kerk aanmerkelijk zal afnemen. Er zal in allerlei gemeenten grote nood ontstaan. Als de voortekenen niet bedriegen, zal enerzijds toch naar een bovenplaatselijke accolade voor hervormde gemeenten worden gezocht. Gemeenten zullen zich zeker niet laten dwingen in een geforceerde constructie van een verenigde classis als ontmoetingsplaats. De verenigde classis zal immers de bezegeling zijn van de verenigde kerk!
Maar er zullen ook, als ik het goed zie, andere relatiepatronen ontstaan. Relaties op het plaatselijk vlak, die bepaald worden door het spontaan beleven en herkennen van de gemeenschap in de enigheid des geloofs.
Dit alles vraagt in de toekomst ongetwijfeld kèrkelijke en dus ook gééstelijke heroriëntatie. Het mag dan onze hoop en bede wel zijn, dat allen, die eenzelfde dierbaar geloof deelachtig zijn, dat allen, die vandaag ook de schat van het bijbels-reformatorisch geloof onmisbaar achten in een wegzinkende wereld, en die dit als een levend bezit willen bewaren en uitdragen, elkaar op en in het oog mogen hebben en houden.
Ik plaats bij dit alles nog één kanttekening. Als de kerk haar moederfunctie verliest, krijgt de groep haar kansen. Dat is het levensgrote gevaar, dat dreigt. We mogen ons naar mijn diepste overtuiging nooit veilig gaan voelen in het isolement van de groep. Dan zal toch liever alle nadruk moeten vallen op de gemeente, waar de dienst der verzoening plaatsvindt en waar nog altijd het hart van de kerk klopt.
Ik ga afsluiten met ons samen voor Gods Aangezicht op te roepen schouder aan schouder te staan en elkaar in het oog te hebben en te blijven houden in de nood van deze tijd.
Dezer dagen las ik nog eens een boekje, dat in 1941 – dus vèr voordat 'Samen op Weg' begon – werd uitgegeven onder de titel 'De eenheid der kerken'. Daarin staan bijdragen van de hand van prof. dr. J. Severijn – toen voorzitter van de Gereformeerde Bond – dr. K. Sietsma – gereformeerd predikant – en prof. L.H. van der Meiden, christelijk gereformeerd. Zij worstelden als gereformeerde belijders in en bùìten de Hervormde Kerk om kerkelijke eenheid.
Van prof. Severijn citeer ik:
'Is Christus dan gedeeld? Het geloof antwoordt ontkennend: nee, maar het struikelt als het op de (empirische) werkelijkheid ziet. Wij staan midden in het conflict van geloof en historie (van de historische ontwikkeling, v.d.G.) en vergeefs zoekt men daaraan tegemoet te komen door aanvaarding van een pluriformiteit (vandaag heet het zelfs pluraliteit, v.d.G.), welke in strijd is met het wezen des geloofs.'
Het eenheidsinstituut, zo zegt Severijn dan echter, drukt de gemeente kapot. Severijn waarschuwt dan ook tegen geforcéérde eenheid om te komen tòt zulk een eenheidsinstituut. Intussen wekt hij wel op de weg van het gesprek te gaan tussen de plaatselijke gemeenten, die elkaar verstaan, ter opwekking namelijk van 'gezond kerkelijk besef. Een actueel woord voor vandaag, voor allen, die in het spoor der Reformatie willen gaan.
Maar vooral ook vraag ik aandacht voor wat dr. K. Sietsma in dat boekje schrijft:
'Te weinig hebben wij ook officieel getreurd om de breuke Sions – niet alsof in dat treuren zelf aan de eis Gods voldaan was en wij met zulk een gebaar hadden kunnen volstaan, maar omdat dit uiting had moeten zijn van een verslagen hart en ons had moeten dringen tot een steeds weer realiseren: "Wij zijn hier niet allemaal. Er ontbreken broeders van dit huis".
Wij hebben niet steeds verstaan, dat er broeders in de Hervormde Kerk zijn, die hun geweten kwellen, omdat zij daar niet kunnen handelen in alle dingen naar de eis van Christus, en toch niet meenen te kunnen heengaan ook. En wij hebben niet altijd begrepen noch trachten te begrijpen, dat sommige Christelijke Gereformeerde broeders waarlijk menen, dat er gegronde redenen zijn om hen van ons gescheiden te doen leven, en dat zij een ernstig doel nastreven.'
Mij dunkt, dat deze woorden voor ons allen vandaag van gewicht zijn. Opdat we elkaar niet uit het oog verliezen in het geding waarvoor we in eigen kerk, èn sámen staan.
J. van der Graaf
V. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's