Geloof en aanvechting
Kenmerken van het geloof (4)
Is aanvechting eigenlijk ook niet een karakteristiek van het geloof? Laten we voorop stellen, dat geloof en strijd samengaan. De gelovige is geroepen tot de strijd, de strijd in het leven van elke dag. We krijgen er zelfs een bijzondere wapenrusting voor aangereikt, volgens Efeze 6. 'Voorwaarts, christenstrijders!?' Ja en nee. Nee, als dat een soort zelfverzekerde geloofsfanfare is. Maar toch ook wel. Christen zijn, gelovig zijn kost strijd. 'En we zullen door veel verdrukkingen', zegt de Schrift 'ingaan in het Koninkrijk van God' (…).
Het geloof kent aanvechting, kent bestrijding. Toch moeten we zeggen: twijfel zelf hoort niet bij het geloof dis zodánig, wel bij de gelovige. Het kleinste geloof heeft zekerheid in zich, stáát naar groei, maar heeft in principe zekerheid in zich. Het geloof wordt in de gelovige echter wel besprongen, bestreden – een 'onrustig ding' wordt wel eens gezegd –, het wordt verzocht, het wordt beproefd.
Als we de Bijbelheiligen nazien in hun leven, vinden we daar toch ook Sara. Die geloofde het ook allemaal zó maar niet. Ze twijfelde.
En Abraham werd beproefd, toen hij Izak moest offeren.
Mozes heeft het beloofde land niet gezien. Elia zat onder de jeneverstruik. Zo zijn er zoveel voorbeelden van die aangevochten gelovigen in de Schrift te noemen. Dat wil niet zeggen, dat de twijfel tot hun geloof behoort. Maar de gelovige als mèns wordt van tijd tot tijd door twijfel besprongen en wordt aangevochten.
Petrus op de golven
De levensgeschiedenis van Petrus is hier bekend. Petrus ging iedere keer onder in de golven. Op een bepaald moment zegt Christus tegen hem: 'Simon, Simon, de satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarwe'. Wat is hier dan verzoeking door satan en wat is beproeving door God. Dat zal niet altijd zo duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Elke beproeving is tot ons nut. Dan moeten we overigens wel bedenken, dat Christus Zelf door de satan verzocht is geweest. En dat Hij daarom ook bij de zijnen kan komen in hun verzoeking, in hun beproeving. Petrus, de rotsman – 'Op deze Petrus zal ik mijn gemeente bouwen', zei Christus – was een man, die wegzonk, die aangevochten werd, die bestreden werd. Maar Christus kwam heel dicht bij hem.
Prof. dr. K.H. Miskotte heeft een boekje geschreven, getiteld: 'Geloof bij de gratie Gods'. In dat boekje zegt hij over de tekst: 'Simon, Simon, de satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarwe', het volgende:
'Hooren wij dat, deze goddelijke weemoed en dit goddelijk medelijden? Hooren wij dat, hoe Christus ons niet kwelt met onzen idealen naam. Petrus, rotsman (op wiens geloof Hij de eeuwen dóór Zijn gemeente bouwt), hooren wij den warmen klank, waarmee hij ons terugwendt naar onzen gewonen, natuurlijken, alledaagschen naam, hoe hij ons weer neemt zooals wij waren toen onze jongensnaam bij het spel op de straat hel klonk uit den mond van onze kameraden? Simon, Simon, m'n jongen van toen en altijd, ach, zie je het niet?
Hoort gij dat? Wilt gij een ogenblik voor dit woord openstaan, gij, die uw geloofsbezit zoo krampachtig vasthoudt, gij die u voorneemt in tegenstelling met zoovele anderen staande te blijven in de geduchte aanvechting dezer tijden?
Dit is mede het lijden van Christus, dat gij zoo gelovig zijt. Simon, Simon, waarom wilt gij toch een held zijn? Waarom zoekt gij u te onderscheiden en meent nog altijd dat dáárin de kracht van het geloof gelegen is? Waarom richt gij grenzen òp, die Ik niet heb getrokken, grenzen, die slechts dienen om uw waan te sterken en te verdedigen?
Petrus wordt bij zijn jongensnaam genoemd: 'Simon, Simon', en op dat moment niet bij de naam Petrus, niet bij die naam, die herinnert aan het feit, dat hij rotsman is.
Geloof is nog altijd 'geloof bij de gratie Gods'. Geloof uit genade. Geloof en ongeloof zijn eikaars tegendelen, maar gelovigen en ongelovigen in éénzelfde mens niet. 'Ik geloof Heere, kom mijn ongeloof te hulp'.
Maar Christus zegt tot Petrus: 'Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude'. Ook als ik het geloof mis, als het me ontzinkt, als ik helemaal geen vaste grond meer onder de voeten heb, is mijn geloof bij Christus bewaard en geborgen. Dat kan sterkte geven, bijvoorbeeld als wij zien, dat mensen dementeren, hoewel soms, dóór de dementie héén, het getuigenis toch weer doorbreekt.
Dat kan ons troosten, wanneer wij een mens lang in coma zien liggen; een mens van wie wij weten: 'het geloof is bij Christus bewaard'. Alleen in Christus zijn wij Petra en verder zijn we Simon.
En als we verzocht worden, dan beproeft Hij ons! Zo werkt de verdrukking van ons geloof lijdzaamheid en volgzaamheid en volharding.
In dezelfde twijfel, waarin Christus was – 'Zelf verzocht zijnde', zegt de Schrift – kan Hij degenen, die verzocht worden te hulp komen (Hebr. 2 : 18).
In al onze benauwdheden is Hij benauwd geweest. Daarom is triomfantelijk geloof, geloof, dat niet àltijd wéér terug valt op Christus en Zijn nabijheid, in feite niet het echte, ware bijbelse geloof. Juist het hele leven van Petrus laat het zien: geloof bij de gratie Gods; bij de genade van God.
Prediking en geloof
In Galaten 3 vers 2 en 5 lezen we – en het is goed om de woorden te spellen –: 'Dit alleen wil ik van u leren: hebt gij de Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs? Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees? Die u dan den Geest verleent, en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?'
Die volgorde trof mij. Namelijk de Geest ontvangen úit de prediking vàn het geloof. Dat is merkwaardig. We ontvangen toch het geloof door de Geest! Dat is óók een Bijbelse notie. Maar hier staat: de Geest ontvangen dóór de prediking des geloofs. Als prediking op de rechte wijze geloofsmatig is, èchte geloofsprediking is, komt de Geest daarin kennelijk mee. In de prediking zal dan ook het goud van het geloof uitgestald worden. Daar verleent de Heilige Geest vrucht op.
Dan komen alle stukken ook op de rechte plaats te staan! De rechtvaardiging dóór het geloof, de wedergeboorte door het geloof.
Prediking móét wekken en zàl op-wekken tòt het geloof wanneer het goud van het geloof ook op de rechte wijze wordt uitgestald. 'Het geloof is uit het gehoor' en dan is daar de wedergeboorte ook helemaal bij ingesloten.
De prediking zal dan echter ook vóórtleiden op de weg van het geloof, in de weg van de bekering. Bekering is nog altijd afsterving van de oude mens en opstanding van de nieuwe mens: een hartelijk leedwezen, dat we God door onze zonden hebben vertoornd en een hartelijke vreugde in God door Christus (Heidelbergse Catechismus Zondag 33, vraag 89 en 90). Dat is niet in één dag afgelopen. Dat is een léven van de bekering: afsterving van de oude mens en opstanding van de nieuwe mens. Dat zijn dan ook de elementen, die in de geloofsmatige prediking, in èchte geloofsmatige prediking, helemaal aan de orde zijn. Zo blijft geloofsmatige prediking ook helemáál genadeprediking.
Aanvechting
Zo zal de prediking dan ook ingaan op de aanvechtingen, die er zijn. Ook op de vraag: 'Hoe kòm ik tot het geloof?' Dat is de pastorale kant van de prediking. Dat kan geschieden door de weldaden van het geloof uit te stallen, maar tegelijkertijd ook door te lokken en te nodigen tót Christus: Prediking, die jaloersmakend is, opwekkend is; met de uitgestoken hand van Christus, afdalend tot de mens, om te wekken tot geloof en bekering.
Maar dan mag ook de vraag worden gesteld: 'Hoe blijf ik in het geloof?', ook in alle levensbeproevingen, die er zijn kunnen. Ons geloof is bij Christus bewaard. Daar mag de prediking dan ook aandacht aan geven, voor mensen, die de vaste grond in eigen waarneming verkeren en dreigen te zinken, die aan vertwijfeling worden overgegeven, die perioden van duisternis doormaken. Dat kan ook in het leven van het geloof het geval zijn, hoe men het ook wil noemen… Godsverlating, in ieder geval sterke aanvechting, leven in het donker.
Het geloof is niet altijd zo sterk in de oefening. Het kan zelfs zó zijn, dat een psalmist uitklaagt. Psalm 88: 'Heere! Waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij? Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaamissen, ik ben twijfelmoedig. Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan. De ganse dag omringen zij mij als water; tezamen omgeven zij mij. Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis.'
Zo eindigt deze Psalm met het woord duisternis. In vers 2 staat echter wel: 'O Heere, God van mijn heil! Bij dag, bij nacht roep ik voor U'.
God van mijn heil! Tòch, God van mijn heil. Prediking zal dan ook diep afdalen en soms moeten afdalen tot degenen, die in diepe duisternis zijn.
Afsluiting
Ik heb in het begin gezegd: historisch geloof, tijdgeloof, wondergeloof, als het erop aan komt valt het door de mand als òngeloof. Moeten we van onze tijd intussen niet zeggen, dat er sprake van is, dat er mensen zijn, die 'voor een tijd(je)' geloven? Vervolgens zien we, dat ze met Demas de tegenwoordige wereld lief krijgen. Aangrijpend!
'Wilt gijlieden ook niet heen gaan?'; vroeg Christus aan Zijn discipelen. Petrus zegt dan: 'Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. Tot wie zullen we anders heen gaan? Met andere woorden: diegenen, die door God gegrepen zijn en die het rechte geloof hebben leren kennen, worden toch vast gehouden.
Openbaar komt wel, wat geloof is voor een tijd, voor een tijdje: puur ongeloof. Het echte geloof breekt daar in alle tijden door heen. Mozes in zijn tijd, had hij het gemakkelijker dan wij? Als we het hele leven van Mozes nagaan, was die tijd dan rooskleuriger?
In Egypte, in alles, wat hij daar heeft meegemaakt?
Ik sluit af met een stukje uit een preek van ds. G. Boer over Mozes.
'Mozes had God mee. Dat is alles! De Heere Jezus ook! Ja tot in Zijn lijden en sterven. Toen keerde zich zelfs Zijn eigen Vader tegen Hem. Toen ontwaakte het zwaard tegen de Herder. Toen moest Christus betalen, wat Hij niet geroofd had. Toen heeft Hij in de meest volstrekte eenzaamheid de haat en vijandschap van de wereld, van het vrome Israël, verlaten van Zijn discipelen, maar vooral de verberging van Gods aangezicht voor Hem doorleden. Wat is dat groot, dat Mozes kon staan, omdat Christus in de diepste afgrond viel. En dat Mozes in die wortel van het geloof bleef staan in die hachelijke tijd. Dat leert ons, dat de keus elke dag bevestigd dient te worden. En dat gaat in de weg van de geloofsgehoorzaamheid en ook van strijd. Het gaat niet vanzelf, want elke dag is er wat nieuws, bij u thuis en bij mij thuis. Elke dag voel je, dat er wat anders aan de hand is. De duivel heeft duizend wijzen van benadering. Wat een strikken en wat een netten heeft hij in zijn hand. en met U. En hoe zullen wij vandaag staande blijven? Wanneer God zegt: vreest niet! Hoe staat dat Ik ben met u genoteerd? Ik ben met u, vrees niet. Ik ondersteun. Ik help! En al worden wij dan vergeleken met een wolkje – met een verkleinwoord staat 't er – 'Ik ben met u' zegt de Heere. Wat zijn wij voor mensen? Zijn wij mensen, die anderen bemoedigen, òf: die anderen vreesachtigheid aanjagen? Mogen wij, al zijn de tijden moeilijk, in die vastheid staan en zeggen: De Heere is er, God is er! Dat is al zo geweldig, als u dat gelooft, dat God er is en dat Hij er is voor mensen die Hem aanroepen. Mozes vreesde de toom van de koning niet en als wij tenslotte vragen: waarom niet? Dat staat er: Hij hield zich vast, als ziende de Onzienlijke. De onzienlijke God!
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's