Doperse tendensen in onze tijd (2)
Een vorige keer haalde ik reeds aan dat de gereformeerden in tegenstelling tot de dopersen de verantwoordelijkheid van de mens zoeken in zijn schuld.
Vóór de val in het paradijs bezat Adam een geheel vrije wil. De zonde die hij beging was niet noodzakelijk. Wie dit laatste ontkent, maakt ten diepste God tot de auteur van de zonde. Hij zou de mens zó geschapen hebben dàt men niet anders kon dan ongehoorzaam zijn. Bijbels gezien liggen de zaken zo in geen geval. Adams wil was voor de volle honderd procent vrij. Hij was in staat een keuze ten goede often kwade te doen. Helaas… de keus was ten kwade. Moedwillig was de zonde begaan. Van een vrije wil was geen sprake meer. De mens wilde God niet meer dienen, hij kon Hem ook niet meer dienen zoals Hij eiste.
Met de val was het met het kennen, liefhebben en dienen van God gebeurd. Op ieder mens was van toepassing: 'onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad'. Nu zijn er wel mensen die denken dat de mens volstrekt geen goed meer kan doen. Dit is een onjuiste gedachte. Er kan soms meer goed gedaan worden dan menigeen denkt. Maar als ik stel dat wij onbekwaam zijn tot enig goed, bedoel ik het 'goed' waarmee wij voor God kunnen bestaan. Dat 'goed' wordt bij ons niet meer gevonden.
Het zoeken van God
Hoe staat het met het zoeken van God? Is er in ons nog zoveel vrije wil overgebleven dat wij in staat zijn om God te zoeken?
De gereformeerden hebben op grond van de Schrift dienaangaande altijd een duidelijk standpunt gehad. Zij stelden: de zondeval is er de oorzaak van dat de gehele mens in al z'n vermogens van vrijheid is beroofd. Dat wil intussen niet zeggen dat men een stok en een blok is. De mens wordt niet gedwongen om te zondigen. De zonde wordt door hem vrijwillig gediend. Men kàn niet anders, maar men wìl ook niet anders dan zondigen.
Een gevolg daarvan is, dat er in ons mensen niets maar dan ook niets wordt aangetroffen om God te zoeken. De vijandschap tegenover God zit zó diep dàt er geen laag door ons aangeboord kan worden tengevolge waarvan wij God gaan zoeken. Trouwens, wij hebben onze wil niet meer mee. Door de val is de wil verkeerd, verdorven. Niet een klein beetje verdorven, doch totaal. De dopersen nu waren van mening dat er toch nog zoveel wil in ons mensen was, dat men God kon zoeken. Al heel snel stonden in de zestiende en de zeventiende eeuw de gerefomeerden en de dopersen tegenover elkaar. Men kan ook zeggen dat de oude strijd tussen Pelagius en Augustinus weer oplaaide. De oude vraag herleefde òf zalig worden voor de volle honderd procent Gods werk is òf voor een groot deel Gods werk aangevuld met het werk van de mens.
Het bovenstaande kan ik nog iets anders omschrijven: is er in de mens nog zoveel vermogen dat men God kan zoeken òf is dit vermogen ten enenmale door de val verloren gegaan? 't Antwoord van de gereformeerden was duidelijk: Zalig worden is voor de volle honderd procent Gods werk. Vele Schriftbewijzen waren daarvoor aan te tonen onder andere 'Het is niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermden Gods'.
Wanneer ik dit alles nu samenvat stel ik: er verandert in de loop der eeuwen niet zoveel! Ook vandaag zijn Pelagius en Arminius nog altijd springlevend. Te veel eer krijgt onze wil alsof deze niet totaal verdorven zou zijn.
In sommige kringen hoort men zeggen dat er een keuze gedaan moet worden voor God en voor Christus. Er zou nog zoveel vrije wil in de mens zijn dat men daartoe in staat is. Wie dit leert is meer dopers dan gereformeerd. Bijbels is het om te zeggen dat niet de mens naar God zoekt, doch dat God naar de mens zoekt zoals Hij daarmee reeds begonnen is in het paradijs. Want direkt na de val van Adam zien wij de Heere naar hem op zoek gaan.
Hoe zoekt God de mens
Van belang is te weten, hoe God de mens zoekt. Het antwoord op de vraag is niet zo moeilijk. De Heere zoekt ons mensen door middel van de bediening der verzoening, ledere keer als de prediking uitgaat, roept Hij ons tot Hem te komen. De Heere doet dit welmenend. Daaraan behoeft geen twijfel te bestaan. Hij doet dit niet alleen welmenend, maar Hij bedoelt als Hij roept een ieder persoonlijk.
Ik ga wellicht in de vergelijking enigszins te ver als ik stel dat de Heere in de prediking van Zijn Woord is als een moeder. Wat doet een goede moeder als zij tegen de avond ziet dat het donker gaat worden en dat haar kinderen nog niet thuis zijn? Dan gaat een goede moeder in de opening van de deur staan en dan roept zij haar kinderen één voor één bij de naam. Zij zegt: 'Kees, Jolanda, Gert etc. … thuiskomen, want het is al donker'!
't Is een simpel voorbeeld wat ik neerschrijf, maar zo doet de Heere nu ook. Hij zegt tot allen die de prediking horen: 'komen, naar huis komen, want het wordt dadelijk helemaal donker'. Dat de Heere ons mensen door middel van de prediking zoekt, zal duidelijk zijn. Door middel van de prediking van het Evangelie ontsteekt de Heilige Geest het geloof in ons hart. De oude regel van Cyprianus en Calvijn blijft waar dat de kerk met haar prediking als een moeder is die haar kinderen verzamelt. Trouwens, ook de eenvoudige regel bevat waarheidsgehalte als zij stelt: 'Wie nat wil worden moet in de regen lopen. Wie zalig wil worden moet in de kerk komen. Want in de kerk roept de Heere welmenend'.
Aanbod van genade
Het roepen van God is maar niet een roepen in 't wilde weg. Ik bedoel daarmee te zeggen, dat bij het roepen Gods nog iets komt waardoor helemaal blijkt dat de Heere het zo goed meent met de mens.
Als de Heere roept in de prediking van Zijn Woord bedoelt Hij een ieder persoonlijk en voegt Hij aan die roeping nog iets toe. Iets waarover reeds eeuwen strijd is en dat ik toch wil noemen nl. het aanbod van genade.
Dat aanbod van genade móet en màg ruim gepredikt worden. Daarin moet men als prediker niet al te schriel zijn.
Helaas gebeurt het wel dat in sommiger prediking helemaal geen aanbod van genade voorkomt alsof des Heeren arm en macht verkort zouden zijn.
Laat het maar ruim uitgedragen worden dat God alzo liefde wereld heeft gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Werkelijk, met het aanbod van genade behoeft men niet karig te zijn. Zelfs tot een moordenaar in de Bijlmerbajes mag gezegd worden dat er voor hem behoud is in Christus. Ik hoor de Spreukendichter zeggen: 'Wie Zijn zonde belijdt en laat die zal barmhartigheid verkrijgen'. De grootste der zondaren behoeft niet te twijfelen aan wat God in de prediking tot hem zegt. Wat uit Gods mond uitgaat blijft vast en ongebroken.
Een ruim aanbod mag èn moet er dus in de prediking zijn. Een vraag: wat omvat dat ruime aanbod in de prediking eigenlijk? Het omvat niet minder dan de genade van Christus en de genade van de Heilige Geest.
Genade overvloeiende voor de grootste der zondaren wordt dus aangeboden.
Nu zijn er mensen die hebben bezwaar tegen een ruim aanbod van genade. 't Kan naar hun mening wel wat minder. Zij spreken soms de vrees uit dat de noodzakelijkheid van de zondekennis daardoor op de achtergrond komt. Het leren kennen van z'n verdoemelijke staat voor God zou daardoor ondergesneeuwd worden.
Ik meen te mogen zeggen, dat dit alles dan toch niet juist gedacht is en dat de vrees ten onrechte is.
Want waarom mag het aanbod van genade zo welmenend en ruim zijn? Omdat in dat aanbod ons niet alleen wordt voorgehouden Christus in Zijn verzoenend lijden en sterven, doch ook de Geest van Christus in Zijn toepassend werk. En bij de toepassing is de overtuiging van zonde onmisbaar. Er moet plaats gemaakt worden voor Christus. Welnu, dat is een werk van de Heilige Geest. Over dat werk behoeft niemand in te zitten dat hem dat niet ten deel zal vallen. Het werk van de Heilige Geest wordt hem in het aanbod van genade toegezegd. Wie de Heere nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.
Ik ga nu maar voorbij aan het feit dat juist vanwege het ruime aanbod van genade in de prediking de mens iedere verontschuldiging wordt ontnomen. Dat zal ons in het voorgaande wel duidelijk zijn geworden.
Ik schreef: bij de toepassing is de overtuiging van zonde onmisbaar. 't Is denk ik een dopers trekje als men zegt die overtuiging wel te kunnen missen òf als men stelt dat men zichzelf daarheen kan brengen.
'k Denk dat het Bijbels is om te zeggen dat de Heilige Geest onze ogen opent: voor onszelf, voor God en voor Christus. Voorheen zei men onder ons wel: er is een drieërlei kennis nodig nl. zelfkennis, Godskennis en Christuskennis. Wij gaan niet twisten over de volgorde. Wel zeg ik dat deze drieërlei kennis in het leven van al Gods kinderen aanwezig is.
'k Heb met dit alles willen zeggen dat de toepassing van de zaligheid moet worden gepreekt. 't Is tenminste geen gereformeerde prediking als dit niet wordt gedaan. Resumerend kan gesteld worden: Wij mogen en moeten niet alleen de Vader bidden om geloof – om met Calvijn te spreken – doch ook de Vader bidden om ontdekkend licht door de Geest van Christus (Lukas 11 : 13).
Ds. Paauwe
Omdat het aanbod van genade blijft intrigeren en de meningen daarover sterk verdeeld blijven zoals mij onlangs opnieuw in de 'Wachter Sions' duidelijk werd, wil ik toch ook iets dienaangaande aanhalen van ds. Paauwe. Hij heeft wat betreft het aanbod van genade dingen gezegd die ons wellicht verder kunnen helpen in onze meningsvorm. Immers, ook onder ons zijn er die het hiermee moeilijk hebben. Zij vragen zich af òf het wel werkelijk voor hen is wat ze in de prediking wordt voorgehouden. Zo tobben zij soms vele jaren zonder de vreugde des heus te bezitten. Met name voor hen schrijf ik neer wat ds. J.P. Paauwe ooit heeft gezegd: 'Door middel van de prediking wordt de Zoon van God, met al wat door Hem verworven is en waarmee Hij gezeten is aan de rechterhand Gods, de mens bekend gemaakt, voorgelegd en aangeboden. Deze aanbieding geschiedt niet naar menselijke willekeur. Zij heeft plaats in de Naam van de drieënige God. Hierom wordt de godsdienstoefening aangevangen met woorden als deze: "In de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes". De apostel Paulus zegt in 2 Korinthe 5 aan het einde: "Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade: '"Wij bidden van Christuswege: laat u met God verzoenen"'.
Een volgend keer laat ik u nog iets lezen van de hand van Paauwe daarover. Ook wil ik dan daarop ingaan (wordt vervolgd).
G.S.A. de Knegt, Barneveld
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's