Boekbespreking
Dr. R. Seldenrijk: 'Organen en weefsels op reis'. Een medisch-ethische afweging van de transplantatie-geneeskunde. Uitgeverij J.J. Groen en Zoon, Leiden 1993, 222 blz., ƒ 37,50.
Een boek als dit mag best een echt uitvoerige bespreking ontvangen, meer dan gangbaar is in de Waarheidsvriend. Niet alleen omdat de schrijver, geen onbekend auteur onder ons, hierin een onderwerp aansnijdt waarin we de neiging hebben ons pas te gaan verdiepen wanneer het in levens in de eigen omgeving actueel wordt, maar ook omdat het zo ter zake kundig is geschreven. Men voelt: hier spreekt iemand die het eigen specialisme, de bio-medische wetenschap, de leer van wat men met de kennis van het menselijk organisme in de medische wetenschap áán kan, graag en goed beoefent, en dit dan vanuit zijn christelijke levensinstelling. Bovendien schrijft Seldenrijk goed, soms op het populaire af dingen duidelijk makend, en waar nodig ook een pastorale toets aanbrengend. Hier is een man aan het woord die meer weet dan hij schrijft, en weet waaróver hij schrijft, en, breed georiënteerd als hij is, telkens de neiging heeft uit zijn onderwerp te barsten. Voorts iemand die de ernst combineert met een bijna verborgen humor.
De grondvragen van het boek zijn helder. Wat moeten we vandaag met de moderne transplantatietechnieken aan? Wat is mogelijk en wat niet, wat moreel verantwoord en wat niet? Hoe komt men aan de te transplanteren weefsels of organen? Wat gebeurt er allemaal experimenteel wat wij niet weten, vaak puur uit een wetenschappelijke nieuwsgierigheid die zichzelf geen grenzen stelt, en wat kan hiervan ja of nee door de christelijke beugel? Zelfs voor wie niet helemaal een onbekende is op dit terrein is het goed dat de schrijver nog eens grondig geïnventariseerd heeft wat voor en achter de schermen geschiedt en dit op orde heeft gezet. Ook en niet in het minst om door het stellen van grenzen het positieve in deze ontwikkelingen, dat zich voor medische toepassing leent, naar voren te halen: de gaven die ons langs deze weg geschonken worden.
Het boek bestaat uit twee delen. Het eerste deel is voornamelijk informerend. Na ieder onderdeel wordt een korte samenvatting geboden, iets dat als methode het overzicht en het in het oog houden van de hoofdlijn bevordert. Het terrein wordt afgebakend: dat van de transplantatietechniek, zowel de homo-transplantatie (van eigen weefsel of bot) of als de donatie. Dus ook de, vaak dubieuze, wijze waarop men aan weefsels komt: via kunstmatig verwekt of afgebroken leven. Zo is ook het materiaal deel van het probleem. De 'zwarte handel' in organen komt aan de orde, het gevaar van sjoemelen met de doodscriteria om maar organen weg te kunnen nemen, onze kennis van het afweersysteem en de ontwikkeling van de immunologie (bestrijding van het afstotingsgevaar).
Na dit alles is het veld voorbereid voor de grondvraag: is men alleen maar bezig een technische wancultuur te doen ontstaan die foetussen tot leven roept en mensen doodt om ze weg te kunnen transplanteren? Of is dit bederf van iets dat wel eens een gave aan de mens van godswege zou kunnen zijn? Ondanks reserve in veel opzichten is de opvatting van de schrijver het laatste, en hij is blij met de wetgeving in dezen.
In de tweede helft, de ethische bezinning, komt de schrijver tot zijn grondstelling. Pijlers hiervoor zijn: het persoon-zijn van de mens voor het aangezicht van een persoonlijk God (m.i. ten onrechte gebruikt de schrijver hier het begrip persoonlijkheid, omdat dit begrip idealistisch en psychologisch belast is); voorts het verbod van het wederrechtelijke doden, het 'moorden' uit de dekaloog, m.i. correct geëxegetiseerd, met onderstreping van de algemene geldigheid ervan; vervolgens het motief van het vreemdelingschap (dat ik niet graag tot het 'eigene' van de christelijke ethiek zou willen rekenen, maar dat m.i. iets is dat tot de karakteristiek van het christelijk leven hoort, en er geen pijler van is). Ook de, als een rode draad door dit boek heenlopende, gedachte van de waardigheid van de mens vallen we hartelijk bij. Belangrijk is ook dat de schrijver correct is in zijn definitie van ethiek, nl. als bezinning op gegroeide gewoonte en moraal, ook al gebruikt hij het woord ethisch ook wel anders (ook als het ethos, de morele gedragscode van mensen, in het geding is spreekt de schrijver soms van ethiek). Tot slot de hoofdzaak: het is de christelijke liefde, als gave en opdracht, die ook het afstaan van organen, zowel tijdens als na het leven, tot opdracht kan maken, tot een stukje diaconia waarbinnen gezindheid en daad één zijn, ook al blijft de beslissing daartoe persoonlijk en ingebed in het leven voor Gods aangezicht. Hoe groter het risico, des te terughoudender diene men te zijn: het gebod beoogt immers ook dat het eigen leven bij ons veilig is.
Een enkele kritische kanttekening mag best van de schrijver, denk ik. Moet de dood alleen gesteld worden in het perspectief van de zonde of ook in dat van de eindigheid? Uiteraard kennen wij de dood uitsluitend als loon op de zonde, en is sterven niet 'normaal' zoals het mechanisch mensbeeld ons wil doen geloven. Maar zegt hij die vooruitblikt niet ook iets anders: dat er een sterven denkbaar is, zij het voor ons niet kenbaar, dat met het leven gegeven is? En waarom pas aan het eind gesproken over de pluraliteit in de moderne moraal, terwijl deze eerder alleen aan de orde komt in verband met de algemene geldigheid van het gebod? Een beetje cultuuranalyse en wat ont-dekkende opmerkingen over hoezeer wij van onze cultuur deel zijn geworden, ook als christen, en het leven uitsluitend waarderen òm het leven, en niet meer om de dienst van de Heere, zou niet misplaatst zijn geweest.
Voorts: de door de schrijver voortdurend gehanteerde tweedeling tussen ziel en lichaam is mij te simpel. Religieus kan ik deze meemaken: de ziel wordt bij de dood opgenomen in heerlijkheid. Voor dit mysterie worden Griekse woorden gebruikt, termen die gekozen zijn omdat het een mysterie is en wij niet beter hebben. Maar de bijbel spreekt ook wel van een driedeling (ziel, geest en lichaam, dus trichotomisch), en zo altijd van de mens als een eenheid. Daarom spreekt de schrijver mij te gemakkelijk en te positief over het dode lichaam als 'stoffelijk overschot' (het sterkst in zijn polemiek met Dr. Op het Hof, waarin overigens m.i. inhoudelijk het gelijk aan de kant van de schrijver is). En vaak tref ik het woord 'individu' aan waar ik 'persoon' of nog liever 'mens' zou zeggen, omdat er ondanks alles een relatie van God uit met de dode blijft bestaan tot in de dag van de opstanding. Ik zou dan ook nooit zeggen dat uitsluitend door de nabestaanden over het dode lichaam kan worden beschikt, na eerst gezegd te hebben dat het lichaam ten diepste het eigendom des Heren is. Dan wordt er toch een sprong gemaakt die weliswaar de afwijzing tot het verplicht afstaan van organen onderbouwt, maar het blijft wel een gedachtensprong. Misschien ben ik iets gevoeliger dan de schrijver voor een beperkt 'geen-bezwaar-systeem' zoals in andere landen in Europa geldt, omdat ik hier, sterker dan hij, vanuit de meest kwetsbare denk, en dat is niet de dode, maar degene die sterven gaat, tenzij transplantatie kan worden toegepast. En wat bedoelt de schrijver met de uitspraak dat het 'gebeente' bewaard blijft tot de jongste dag? Is deze uitspraak van Paulus bedoeld als een technische constatering (126)? Het vervolg lijkt dit, terecht, te weerspreken: het lichaam wordt opgenomen in de kringloop van de natuur. En is voorts de beschrijving van het (roomse) natuurrecht (113) niet al te zwaar achterhaald?
De schrijver geeft blijk van een, zij het voortdurend kritische, openheid naar de mogelijkheden van het medisch kunnen vandaag toe. Een openheid die samengaat met een onverkort vasthouden aan de eed van Hippocrates in zijn oorspronkelijke bedoeling, en met het geven van heldere, zakelijke informatie inzake hetgeen technische mogelijk is en, vaak helaas, geprobeerd of gepractiseerd wordt. Ondanks dat heeft hij nochtans de ogen open voor de kwaliteit van het bestaan, vooral wanneer het erom gaat dat leven gerekt dreigt te worden. Dus: afwijzing van iedere vorm van autonome zelfbeschikking. Zowel donor als ontvanger (op 48 moet donor ontvanger zijn: een foutje) komen uitvoerig aan de orde, evenals de mensen rondom het doodsbed. De chirurgische staf valt, wat het ethisch gehalte van hun handelen betreft, wat meer buiten de lichtkring. Ook had ik graag iets meer willen horen over de mens als lappendeken, vol organen van anderen, en over de motivatie waarom hersenen en geslachtsdelen zedelijk gesproken buiten de transplantatiemogelijkheden dienen te blijven. En over de vraag in hoeverre men vrij is een mogelijke transplantatie te weigeren, en wanneer dit voor de hand ligt.
Jammer vond ik het tekstgebruik van de schrijver. De grondlijnen die hij trekt zijn dermate overtuigend dat niet iedere zin met een tekst hoeft te worden ondersteund, vooral omdat de teksten waarnaar wordt verwezen maar zelden precies zeggen wat de schrijver bezig is te betogen, al hebben ze ermee te maken. Juist het structurele bijbelgebruik is het sterkste. Dit temeer omdat de schrijver zelf zegt dat de bijbel over zijn onderwerp geen directe informatie geeft (190). En dit structurele, sterk genoeg aanwezig in dit boek, mag niet worden ondergesneeuwd. Is de schrijver een beetje perfectionist?
Het register is uitnemend, zowel op de schrijvers als op de onderwerpen. Maar dat is dit hele boek eigenlijk, en dat ik kritische vragen stelde diende dit slechts omdat deze uitstekende inleiding op – en taxatie van – de moderne transplantatietechniek, aan het oog onttrokken als vele aspecten ervan zijn, mensen, ook mij, (weer) aan het denken zetten.
S.M. Meyers, Zeist
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's