De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Kerk en haar omgeving – de predikant en zijn functioneren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Kerk en haar omgeving – de predikant en zijn functioneren

Uit de hervormde synode

10 minuten leestijd

In eerdere artikelen werd verslag gedaan van hetgeen op de hervormde synode van 18-20 november jl. passeerde ten aanzien van de nieuwe kerkorde der VPKN. Natuurlijk had dat onze eerste en misschien wel meest intense aandacht. Er staat nogal wat op het spel voor onze kerk. Ondanks de soms scherpe en emotioneel geladen woorden ging er voor mij over en weer een getuigenis uit. Er werd betuigd, wat in het hart leefde. En het hart kent zo zijn eigen taal… Er klonk hier en daar iets van een 'tweede getuigenis'. Persoonlijk deed de daarvoor geboden en aanwezige ruimte mij goed. Dat kennelijk stellingen betrokken moeten worden en fronten ook frontaal overkomen, deed mij tegelijkertijd pijn. Wie of wat slaat de brug in onze kerk, ook naar andere kerken? Opdat wij samen Christus belijden… Dan wel de ons geschonken Christus naar het getuigenis der Schriften en zo helder beleden in onze belijdenisgeschriften. Om met Bavinck te spreken (en te trachten in het kerkelijke gesprek de meest zuivere toon te raken opdat er muziek voor oor en hart in en hart in dat gesprek zit en komt): ik ken geen belijden dat zoals het gereformeerde belijden het Schriftgetuigenis het relatief (!) zuiverst vertolkt.

Omgevingsanalyse
Er werd echter meer behandeld ter synode. Ik wil met name ingaan op de omgevingsanalyse en op het rapport over het disfunctioneren van predikanten 'Bij nader inzien…'.
De omgevingsanalyse – in welke omgeving werkt de Kerk? – werd ons samen met de afnemersanalyse aangeboden ter bespreking. Met de afnemersanalyse was men snel klaar. Synodebreed werd uitgesproken, dat er meer op ondersteuning der gemeenten aangewerkt diende te worden, dan op centrale sturing. Het gebodene van 'hogerhand' dient gericht te zijn op ondersteuning. De kerk gaat mee met en steunt de decentraliserende tendensen, zoals we die op politiek en maatschappelijk vlak bespeuren. Een te sterke centrale sturing dient de opbouw der gemeente bepaald niet. De afstand die wordt ervaren tussen de hogere organen en het plaatselijk vlak is toch al groot. Teveel wordt terecht en onterecht gehoord en gezegd: men doet maar.., wat kunnen wij daaraan en daarmee doen…?
De omgevingsanalyse riep meer synodeleden van hun stoel naar de microfoon. Bijna alle sprekers spraken hun waardering uit over het gebodene. Wel bekritiseerde men de abstracte, zelfs academische toon van het rapport over de maatschappij en de cultuur, waarin de kerk staat en waarvan zij deel uitmaakt. Het rapport wilde zoveel mogelijk beschrijven. Vooral geen regels en normen geven. Dat mocht de synode zeggen en dat moet de Centrale Beleids-Staf maar uitmaken. Die moet, zo besloot de synode, het hier gebodene vertalen in werkbare principes voor beleidsvoering. Om de synodeleden te leiden bij hun bespreking had de CBS de vraag meegegeven: vindt u de gesignaleerde ontwikkeling een bedreiging of een kans. Over één ding werd de synode het snel eens: de dingen zijn vaak een bedreiging èn een kans. Dat zag het rapport ook wel in. Daarom zweeg men over de waardering van een en ander. Een descriptief in plaats van normatief rapport. Zou men toch normatief werken, dan zouden 'eventuele positieve kansen op het tweede plan raken'. Toch slaagde men niet geheel in deze descriptieve opzet. Met name het fundamentalisme moest het ontgelden. Dat mocht immers 'niet onweersproken' blijven, aldus conclusie 8.3. Een duidelijk negatieve beoordeling van het fundamentalisme. Dat is echter een te eenzijdig spreken over fundamentalisme. Ik erken het negatieve, als het leidt tot gewetensdwang en beschadiging van mensen. Zowel uit de geschiedenis (denk aan de strijd van Willem van Oranje) als uit het heden zijn voorbeelden te over. Vandaar, dat oud. M. Burggraaf, Ede terecht pleitte om het fundamentalisme meer uit de sfeer van de ayatollahs te halen. Het rapport noemde het fundamentalisme een reactie op het brede verlangen in de samenleving naar meer zekerheid in het bestaan. Dat verlangen kent intussen het geloof ook! Daarin noemt zij toevlucht tot de Schrift. Die spreekt ons van Christus als het fundament van ons geloof Het getuigenis aangaande Hem biedt dan geweldige kansen in en vóór deze samenleving. Is de kerk niet bij uitstek geroepen tot dat getuigenis?! Tot dat Fundament dan! Dat fundamentalisme hoeft niet weersproken te worden. Met name onze Ned. Geloofsbelijdenis pleit voor het fundament-karakter van de Schrift (art. 5-7). Hierbij hoeft rationaliteit niet geschuwd te worden. Vanouds heeft het christendom de apologetiek gekend. Daar wordt met name in Utrecht (RUU) weer school mee gemaakt. Ligt er geen uitdaging om Schriftgebonden, openbarings-gegeven, rationaliteit te ontwikkelen in het getuigenis aangaande ons Fundament?

Spiritualiteit
Dat zal temeer nodig zijn als we letten op de weg, die het rapport vooral ziet ten aanzien van de zgn. spiritualiteit. Onze vertechniseerde samenleving staat open voor beleving, ervaring ofwel spiritualiteit. Daar ligt volgens het rapport een kans. Dat valt niet te ontkennen. Met de Godsvraag in zijn negatieve vorm – de Godsverduistering – is intussen de Godsvraag opnieuw, hoewel mijns inziens te negatief, gesteld. Vele groepen, bewegingen en stromingen haken daar op in. 'Het is niet goed, dat de mens alleen zij', geldt in diepere en meerdere zin voor het bijbelse mensbeeld dan dat het geldt voor het huwelijk alleen… Het luistert hier wel nauw aan welke spiritualiteit wij denken. De doordenking van dit thema moet onze volle aandacht houden. Het is in dit verband verheugend, dat in recente publicaties op het (bevindelijk) gereformeerde erf deze zaak nieuwe aandacht krijgt. Het gevaar is namelijk groot, dat spiritualiteit een zaak van de mens alleen Wordt. Het gaat dan om wat ik ervaar, beleef en voel. Vele liturgieën zijn daar inmiddels op stuk gelopen. De eredienst en het geloofsleven zijn daar slechts uitdrukking van het menselijke antwoord. Het Goddelijke tegenover ontbreekt. Het Fundament verbrokkelt. Ik proef dat teveel in het rapport als het spreekt over zelfontplooiing en ervaarbaarheid en mondigheid. Als dat de categorieën voor spiritualiteit worden, zijn we ver verwijderd van de bijbelse spiritualiteit. Onze ervaring en ons gevoel, onze beleving en onze mondigheid; waar hebben ze ons gebracht? Het is bittere armoe. De genoemde categorieën zijn niet betrouwbaar. Bovendien zijn deze zaken maatschappelijk bepaald en bedreigd! De Schrift spreekt van een andere bodem, een ander Fundament. Ten diepste in de verkiezing. Het geloofsgeheim is juist niet uit te gaan van eigen keuzen en mogelijkheden, maar van gekozen zijn en gekozen worden. Van Godswege tot Zijn volk. Zijn gemeente en daarbinnen tot Zijn kind verkoren en geroepen. Om dáárop te leren antwoorden en levenskeuzen te maken. Wat een genade dàt God verkiest en verbindt; dat zijn de slagaders van de gereformeerde spiritualiteit. Laten wij ons daarop her-bronnen, opdat we geijkt worden aan de Schrift!
Drs. H. de Leede erkende later volmondig, dat over het fundamentalisme te negatief gesproken was. Wat betreft de spiritualiteit zei hij, dat het inderdaad om een her-bronning ging en kerkelijk gesproken – het rapport signaleerde maatschappelijk – wat hem betreft de volgorde openbaring – werkelijkheid zou moeten zijn. Maar 'daar hebben wij nog niet over doorgesproken'. Wat mij (WvdA) betreft, gebeurt dat binnenkort; de zaak is het waard en de kansen zijn groot.

Bij nader inzien
Over het rapport 'Bij nader inzien…' (over dis-functioneren van predikanten), waren veel waarderende woorden te beluisteren. Het is immers een teer en precair probleem. De voorbeelden zijn bekend van predikanten, die (met hun gezin) en gemeenten vastlopen. Van twee kanten is er veel leed. Het rapport besprak met name de predikantszijde, dat was ook de opdracht. Er werd gepleit voor meer aandacht voor ambtelijke geschiktheid tijdens de opleiding, een voorlopige aanstelling in de eerste gemeente en, behalve de procedure van losmaking, ook een hernieuwde gebruikmaking van de mogelijkheid tot vrijwillige en (dat is nieuw) onvrijwillige ruiling.
Twee punten hadden mijn bijzondere aandacht. Ten eerste de studie; die ligt immers nog niet zo heel ver achter mij, en ten tweede de toetsingslijst voor beoordeling van geschiktheid tot predikant. De studie aan een Rijksuniversiteit kan zich kenmerken door een grote mate van afstandelijkheid tot de kerk. Het hangt veelal van het persoonlijk initiatief van de student af, of hij zich betrokken weet en laat betrekken bij een gemeente en het gemeentewerk. Het zou goed zijn als er door het college van kerkelijke hoogleraren en docenten meer persoonlijke aandacht voor de studenten zou zijn en als er meer gelegenheid en sturing, in wat ik maar liturgische, kerkelijke momenten noem, zou zijn. Tenslotte oefent een groot deel der studenten zich in de theologie met het oog op de gemeente. Die gemeente komt nu vaak wel erg laat in beeld. Veel toekomstig leed kan voorkomen worden indien de student vroegtijdig op de hoogte is met het wel en wee der gemeente. Idealisme en naïviteit dienen geleid en gevormd te worden tot werkelijke dienst aan de gemeente (zonder misschien wel geheel verloren te moeten gaan in de soms al te harde werkelijkheid der gemeenten).


Roeping
De toetsingslijst biedt vele meetbare en herkenbare punten: omgang met mensen, flexibiliteit etc. Zij zou een gemiddeld manager niet misstaan. Dat deze dingen een rol spelen, is niet te ontkennen, zelfs niet dat ze in het huidige maatschappelijke tijdsgewricht een drukkende factor van betekenis zijn. Maar speelt niet allereerst voor de aanstaande predikant de roeping tot het ambt een rol? Onze hervormde kerkorde is hierin sober. De gereformeerde kerkorde spreekt treffend van vereiste gaven van 'vroomheid en ootmoed', woorden van de oudste synoden van onze Kerk in de Nederlanden overgenomen. Nu zijn deze dingen moeilijk meetbaar. Ik vraag niet om een curatorium, noch om een admissie-examen voor de theologiestudie. Dat zou de persoonlijke ontwikkeling, zoals die door de kerkelijke hoogleraren werd bepleit (Immink, Den Dulk en Hoedemaker) tezeer in de weg staan. Toch lijkt het me een goede zaak, wanneer de hoogleraren in een persoonlijk pastoraal gesprek, waartoe zij door de kerkorde gehouden zijn, deze kant van het predikant-zijn benadrukken. Juist deze tijd vraagt eens temeer om een heldere en vaststaande roeping. Weten we ons nog vooral en allermeest geroepen om het Woord van God te brengen? Dan zal ook de vreugde van het ambtswerk in het vizier blijven, dwars door vele moeiten heen. Waar de roeping ook werkelijk aan het Woord is gebonden en op dat Woord geschonken, hoeven we ook niet bang te zijn voor een vals beroep op de geestelijkheid van ons ambt in tijden van disfunctioneren. Roeping is immers nooit een burcht om in te schuilen of achter te verschuilen, maar een blijvende roep tot zelfverloochening en gehoorzaamheid aan het Woord van God. Voor predikant en gemeente. Deze geestelijke zijde klemt temeer, daar de nood der kerk en der tijden groot is.
Laat ons lied met de psalmen zijn: in Hem is gans geen duisternis! Dan komen we onze duisternis door!
Intussen ben ik blij, dat de komende kerkorde in art. 15 lid 4 de toekomstige predikanten onderwerpt aan een 'examen', óók over de roeping. Maar dan graag wel de roeping 'van Godswege', intern door de overtuiging des Geestes en extern door de roeping der gemeente en/of kerk, een roeping in en tot vroomheid en ootmoed.


Tenslotte verwacht ik niet veel heil van het middel van ruiling. Het spreekwoord zegt al: waar twee ruilen, moet er (minstens) één huilen. Het gerepliceerde (door de commissie van het rapport): waar twee huilen, moeten er twee ruilen, klinkt goedbedoeld, maar zullen de tranen gedroogd worden door ruilen of zal het leed zich elders ongewild, maar ook onvrijwillig opgelegd, voortzetten? Wat zullen we dàn zeggen, bij nader inzien…?!

W.P. van der Aa, Herwijnen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De Kerk en haar omgeving – de predikant en zijn functioneren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's