De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

11 minuten leestijd

Taalarmoede
Wie taalarm heet te zijn, is iemand met een gebrekkige beheersing van de taal. Dat kan een kwestie van milieu en afkomst zijn. Soms lijkt het te maken te hebben met opleiding en ontwikkeling. Nogal eens klinkt de klacht over het gebrek aan niveau onder hen die toch een opleiding hebben genoten die anders doet verwachten. In 'De Wekker' van 19 november 1993 besteedt prof. dr. W. van 't Spijker aandacht aan dit probleem in zijn wekelijkse rubriek 'Marginaal?'.

De minister van onderwijs heeft bepaald dat aan de meest elementaire vakken bij het onderwijs meer aandacht moet worden gegeven. Het zijn de vakken lezen, schrijven en rekenen. Kunnen de mensen niet meer lezen? En hebben ze wel geleerd om onze taal op de juiste manier te schrijven? Is men in het tijdperk van de rekenmachines nog in staat om de tafel van 12 zonder mankeren op te zeggen? Het zijn vragen die een mens droevig kunnen stemmen. Want inderdaad is er een treurig gebrek aan kennis van de meest voor de hand liggende zaken.
Wat dit betreft hebben ook de kerken de wind niet mee. Men leest niet. Men kijkt. Een stripverhaal is voor veel jongeren nog de enige lectuur, waardoor zij zich laten voorlichten. Ik zag een stripverhaal over Calvijn en over Bucer dat in Frankrijk en in Amerika gebruikt wordt voor de eerstejaarsstudenten. Ze kunnen zich dan in een enkel uur de kennis verwerven, die vereist is om een heus college aan de Universiteit te volgen. Kind-, of studentvriendelijk heet dit. Taalvijandig zou men het ook kunnen noemen. We willen over het schrijven eigenlijk liever zwijgen. Maar het is bar, wat voor dwaze om niet te zeggen stomme fouten men kan aantreffen in werkstukken van mensen die het voorbereidend hoger onderwijs blijkens de papieren met vrucht moeten hebben gevolgd. Rekenen komt er wellicht nog het gunstigst af. Het is een soort ingeschapen kennis, het omgaan met getallen, vooral als het om geld gaat. Maar met de rekenkunst van de natie als geheel is het droevig gesteld. Wat wil men, als de hoogste ambtenaren in Den Haag blijk geven dat ze de rekenkunst maar matig onder de knie hebben?

'Iedere docent Nederlands is een zendeling in de rimboe van het Amazonegebied', aldus Rob Bindels in het blad Literatuur van juli/augustus 1993 in de rubriek Literatuur in de klas. 'Het boek is nog net geen bedreigde diersoort in havo en athenaeum, maar net als met de wildstand is het boekenaanbod er wel teruggebracht tot een relatief klein aantal van de sterkste soorten, sterk in kwantitatief opzicht wel te verstaan'. We geven deze leraar Nederlands nog verder het woord met twee hier volgende citaten, omdat misschien zo duidelijk wordt, waar de verzuchting van prof. Van 't Spijker mee te maken kan hebben.

Op het vergiet van de schoolse leesvoorkeuren blijft maar bitter weinig liggen: poëzie heeft het nooit gered, laten we eerlijk zijn, maar ook de klassieken verdwijnen een voor een achter de horizon en onopvallend blijven ook de onopvallende schrijvers en de debuten wier verschijning géén stof deed opwaaien. Leerlingen zijn conservatief in de selectie van titels: hun keuze wordt bepaald door die van familielid, klasgenoot, vriend of vriendin. Minco, Oeroeg, Den Doolaard. Hoort, zegt het voort! Allesoverheersende factor is en blijft de belasting en hoe die tot minimale proporties terug te brengen. 'Mag het ook ietsje minder zijn?' Het boek is immers een verplicht nummer, dat door alle talen op school wordt opgevoerd: een leerling uit 5 VWO wordt geacht er tien te lezen voor Nederlands en voor de vreemde talen elk vijf, dat kan dus oplopen tot vijfentwintig per jaar, hetgeen weinig docenten 'm nadoen. Dan is dus efficiency geboden.
Gezichtsbepalend en spraakmakend is wat je ziet en hoort: de televisie is allang geen concurrent meer van het boek, maar absolute overwinnaar en unieke verleider. Videoclips, commercials en soap-series zijn bepalend voor ritme en klankbord van de jonge lezer. In vergelijking daarmee pleegt menige roman of verhalenbundel al bij voorbaat te verbleken tot een bundeltje oudbakken hersenspinsels van een wereldvreemde man of vrouw, die de tekenen des tijds niet heeft verstaan. Het is altijd aardig te testen, welke tekst bestand blijkt tegen klassikale lezing, welk stuk proza niet verkruimelt onder de wankele aandacht van een groep nerveuze pubers. Eenvoud doet het goed, simpele humor en een vleugje erotiek: 'Harry en het woord' van Mulisch of 'Het brandende braambos' van 't Hart, het valt niet te loochenen. Drama doet ook wonderen: de smartlappen van Keuls en Büch hakken erin, 'Verrotte levens' dus of 'kleine blonde doden'. Dodelijk daarentegen is een te complexe stijl, een te traag tempo: wat dat betreft kan wat tien jaar geleden geschreven werd, al gedateerd aandoen. Vóór alles geldt: als het maar niet ironisch is of te subtiel.

Bindels noemt in zijn verhaal de verzuchting van prof. Kees Fens, al eens eerder in deze rubriek genoemd, dat zijn studenten het woord 'kerstenen' niet eens meer kennen. Prof. Herman Pleij spotte al met mevrouw H. de Wieg en dhr. O. Vidius in het collegedictaat van zijn gehoor.

Een prozaïsche bezigheid al met al, dat letteren zaaien, die zich van Goes tot Groningen van half negen 's ochtends tot half drie 's middags afspeelt in verveloze klaslokalen met een vergeeld affiche van de Gijsbreght aan de muur. Lesuren duren veertig of vijftig minuten en leerlingen komen van gym en gaan straks door naar scheikunde of naar handenarbeid; ze zijn ongesteld, hebben Pfeiffer of de volgende dag een proefwerk wiskunde. Hun vader is met onbekende bestemming vertrokken en over enkele uren wacht de krantenwijk: tussen die bedrijven door doceert de docent Nederlands met het geduld van een mammoet de nationale letterkunde, in het bijzonder de Poëzy. En een jongen vraagt hem of het ook goed is alsie het boek Koot graaft zich autobio via een cassette op zijn walkman beluistert. En zie, elke week belicht zo'n leraar weer vol enthousiasme een àndere ster aan het literaire firmament: Vasalis, Vestdijk, Vinkenoog, Vogelaar, De Vries, Vroman. Het is zeker niet de minste scholier die het onder die omstandigheden wel eens gaat duizelen. In veel voren schiet het graan niet op en zet het geen vrucht, in sommige wèl. En daar houden wij zaaiers dus rekening mee. Alles sal reg kom.

Citaten die vanuit een wat andere invalshoek toch helemaal bij elkaar aansluiten. Met niveauverlaging en toenemende onkunde hebben we ook in de kerken te maken. Maar dat ligt op een wat ander vlak. Hoewel? Wie komt er nog aan lezen toe? Ook van het werkelijk opbouwend boek? Onlangs hield boekhandelaar Piet Lindenberg een forum over de toekomst van het christelijk boek. Erg optimistisch waren de geluiden niet, die daar vernomen werden.

Lezen? Zonderling!
Was het vroeger zoveel beter? Moest je niet altijd van jezelf en mede van huis uit een liefhebber zijn en tot een liefhebber worden gemaakt? Of tot een minnaar van de letteren worden verheven door een inspirerend voorbeeld van je docent Nederlands of klassieke letteren? De leescultuur staat onder druk. De echte lezer lijkt een uitstervend iemand te worden. In de Volkskrant van zaterdag 20 november 1993 schreef Henk Huurdeman in het Folio-katern de volgende bijdrage onder de titel 'Zonderling'.

De intercity-trein is vol, véél voller dan Nederland. Zelfs in het gangpad staan de reizigers als asperges in een pan. Wanneer ik opkijk, zie ik de man tegenover mij in zijn neus peuteren. Maar hij doet meer: met misprijzende blik zit hij me aan te staren. De breiende vrouw naast hem bekijkt me ook al met een minimum aan sympathie. Ik besluit me er niets van aan te trekken, maar kan me moeilijk concentreren en heb het gevoel dat ze naar me blijven kijken. Gewoon doorgaan, denk ik, maar op den duur kan ik niet nalaten even poolshoogte te nemen. Nu blijkt dat meer passagiersogen op me zijn gericht. Drie jongelui aan de overzijde van het gangpad kijken niet alleen, maar hèbben het zelfs over me, gniffelend. Een staande skinhead ziet dreigend op me neer. Of heeft hij het soms op de bejaarde Turk die naast me zit begrepen? Nee hoor, hij kijkt heel duidelijk naar mij.
Wat willen die mensen toch? Ik strijk met mijn hand langs mijn kaken: prima geschoren en niet het geringste spoor van bloed. Ook bespeur ik geen vuil onder mijn nagels. Oké, mijn haar is aan de lange kant, maar wèl pas gewassen. Ik heb een schoon overhemd aan en draag die schoenen zonder jubeltenen. Ik heb zelfs niet per ongeluk een sigaret opgestoken, schoon Vader Spoor het mij verbood.
Eindelijk krijg ik in de gaten wat er aan de hand is. Ik reis met een latere trein dan gewoonlijk. En lees als enige een boek.

Wat is lezen eigenlijk? Hoe doe je dat? Wat is een lezer voor een type mens? Wat bezielt en drijft hem voort in zijn zwijgende bezigheid en vaak asociale gedrag? In Hervormd Nederland van 20 november 1993 schrijft Martin Ros over Carmiggelts paradijs in de schemer. Daarin vertelt Carmiggelt zelf over het ware lezen.

Carmiggelt vertelde altijd graag over zijn voorkeurslectuur. Hij was een groot en nauwkeurig lezer. Als hij aan een boek begon, sloeg hij geen bladzijde over. Deze eerbied had hij, verzekerde hij ons altijd, van zijn vader. Over diens leeswoede als liturgie schreef hij trouwens prachtig.
'Op de dorpsschool was mijn vader, door grote leergierigheid, zo'n uitblinker, dat de hoofdonderwijzer hem boeken te leen gaf om zijn honger naar kennis te stillen. Die boeken zat hij 's avonds in de huiskamer te lezen. In de zomer leverde dit geen problemen op. Maar 's winters moest, om zuinigheidsredenen, de olielamp al spoedig na het avondeten uit. Mijn vader ging dan, als iedereen naar bed was, met zijn boek vlak bij de asla van de kachel op de grond liggen en las bij die vage gloed door, tot alle sintels waren gedoofd. Ik heb dat altijd een aangrijpend verhaal gevonden. Het was het ware lezen.'

Wie zelf een liefhebber van lezen is, herkent dit gedrag. Wie het niet is, verklaart zulke mensen waarschijnlijk tot lichtgestoorden. Het zij zo. Gereformeerden hebben echter altijd wel beleden, dat aan hen het heil wordt geschonken door Woord en Geest. Het Woord, ja. Lezen en horen zodat de Geest ons kan doen verstaan.

Boekenbrand
In Handelingen 19 lezen we wat het Woord uitwerkt in mensenlevens. De mannen van Sceva steken de brand in hun boekenvoorraad, nadat Het Boek gezag had gekregen over hun leven. In het al geciteerde Hervormd Nederland las ik een aangrijpend stuk tenslotte, geschreven door Frans Willem de Zoete, over wat intellectuelen in de bloedstad Sarajevo overkomt. Ook zij steken de brand in hun boekenvoorraad, maar dan om geheel andere redenen. De Bosnische winter is intussen weer aangebroken.

Alle bomen in Sarajevo zijn al omgehakt, dus nu komen de boeken weer aan de beurt. Ik schrijf 'weer', want de vorige winter zijn al heel wat collecties boeken opgeofferd om de kou buiten te houden. Gelukkig ontdekte men op tijd een oude truc: door boekpagina's in elkaar te frommelen, nat te maken en te laten drogen, wordt papier omgezet in langzaam brandende briketten. Dat heeft nogal wat boeken gered.
Net als vorig jaar zullen de inwoners van Sarajevo weer een inventarislijst van hun boeken maken. Bovenaan de lijst stonden toen de werken van Karadzic, Marx, Lenin en Tito. Die bestaan niet meer in Sarajevo. Daarom ging men over op de goedkope romannetjes en studieboeken. Een werkelijk grote meester ging er pas aan als de nood zeer hoog was: dan gingen Brecht, Tsjechov, Kafka en Goethe in het vuur.
Deze winter zijn, naar wordt gevreesd, de allergrootsten aan de beurt. Titanen als Homerus, Dostojevski, Shakespeare en Tolstoj zullen de burgers van Sarajevo moeten verwarmen. Eerst gaat natuurlijk Shakespeare in vlammen op – dankzij zijn besmette vertaler, die vorig jaar opmerkte: 'Nu iedereen zich zorgen maakt over Sarajevo, zullen de mensen niet al te veel aandacht schenken aan wat elders voorvalt.' Koljevic doelde op de beestachtige moorden in het oosten en noorden van Bosnië.
Als de belegeraars ooit uitgemoord Sarajevo binnentrekken, zullen ze geen Ilias en De gebroeders Karamazov meer vinden. Maar dat zal ze niet deren. Dit soort rechtop gezette beesten heeft genoeg aan korte, hatelijke en smakeloze woorden – bevelen. Daar putten ze hun levenskracht uit. Ze zullen lijsten maken van spoedbestellingen: bovenaan de meesterwerken van Karadzic en Lenin. De beschaving kan opnieuw beginnen.

Jammer dat er in Bosnië geen olie in de bodem wordt gevonden gelijk enkele jaren geleden wel in Koeweit. Dan waren wellicht de boeken gespaard gebleven en hadden de beesten in mensengedaanten minder kans gekregen voor hun almaar durende gruweldaden. Waar de echte kennis verdwijnt, komt het beest in de mens openbaar. Wat dat betreft staat het er in het geciviliseerde Westen niet bijster best voor. Van domheid kun je het ergste verwachten. In kerk en samenleving.

J. Maasland

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's