De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Doperse tendensen in onze tijd (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Doperse tendensen in onze tijd (4)

9 minuten leestijd

Een vorig keer toonde ik aan, dat niemand van Godswege wordt verhinderd om tot Hem te komen. Als de roeping van het Evangelie niet wordt aangenomen en velen zich niet bekeren, dan ligt dat niet aan een gebrek of ongenoegzaamheid van het offer van Christus of van de kracht van de Heilige Geest.
Het offer van Christus is genoegzaam! Zijn offer is er bovendien de oorzaak van, dat er een overvloed aan Heilige Geest is. Niet moet vergeten worden, dat er in Handelingen 2 gesproken wordt over een 'uitstorting' van de Geest. Dat is dus maar niet met mondjesmaat geschied, doch om in de beeldspraak van de 'uitstorting' te blijven: in brede stromen. De Zaligmaker heeft de Geest niet met mate geschonken.
Nog eens wil ik onderstrepen, dat het Evangelie niemand uitsluit, die in de weg van het Evangelie wil gaan. Alle schepselen wordt de genade aangeboden, vriendelijk, ernstig en welmenend. De uitverkiezing Gods doet niet de minste afbreuk aan de algemeenheid van het aanbod. Door deze verkiezing wordt van de aanbieding van Christus dus niemand uitgesloten. Het zal duidelijk zijn, dat dit niet een zaak is om te beredeneren. Wanneer wij hierover gaan redeneren, komen er zeker stukken van, zoals dat in het verleden, doch ook in het heden is op te merken. Men moet er niet spitsvondig over redeneren, doch men mag er met vreugde over mediteren.

Predestinatie
Nu bestaat het gevaar, dat het welmenend aanbod van genade wordt versluierd doordat men zo ongehoord (Van Ruler) en intens bezig is met de grote gereformeerde waarheid van de predestinatie.
Onder de predestinatie versta ik de dubbele predestinatie, zoals die in de canones van Dordrecht onder woorden is gebracht. Aan wat daarover door Dordt is uitgesproken, zou ik in geen geval willen tomen. Een diepere doorgronding van het menselijk bestaan heeft men niet beter onder woorden kunnen brengen dan tóen is gebeurd. Calvijn en de vaderen van Dordrecht komt de eer toe, dat zij de geestelijke moed en kracht hebben opgebracht, deze waarheid, nl. de dubbele predestinatie tot op de bodem uit te spreken. Van zeer groot belang is Augustinus voor de kerk geweest. Maar als het er op aankwam, heeft hij toch nooit die uitspraken willen doen, die door Calvijn en Dordt over de dubbele predestinatie zijn gedaan. Ook Luther heeft het niet aangedurfd, hoewel hem over deze zaak meer dan eens vragen zijn gesteld. Hij deed er het zwijgen aan toe. Wij krijgen bij hem de indruk, dat de verkondiging van het Evangelie alle prioriteit voor hem had. Bovendien moet opgemerkt worden, dat Luther een man van bijzonder grote kwaliteiten is geweest, doch dat hij in het doordenken van de Schriftgegevens achter stond bij Calvijn. Hoewel ik mij haast neer te schrijven, dat zij (Calvijn en Luther) elkaar wonderlijk hebben aangevuld.

Hoe tot uiting?
Hoe komt nu die dubbele predestinatie tot uiting? Zij is hieraan op te merken, dat de ene mens het evangelie aanneemt en de andere het evangelie van de hand wijst, verwerpt.
Een voorbeeld. Twee jongens groeien op in hetzelfde gezin. Beiden horen vader en moeder spreken over de Heere Jezus. Beiden gaan naar de christelijke school, waar zij iedere dag worden geconfronteerd met de ene Naam onder de hemel gegeven tot zaligheid. Ook gaan zij naar de catechisatie en trouw iedere zondag naar de kerk. En wat blijkt aan het einde van hun leven? Het evangelie heeft de één alles gedaan en heeft de ander – hoe verschrikkelijk het ook is om neer te schrijven – niets gedaan. Deze laatste blijft zelfs in het uur van zijn heengaan onbewogen voor het evangelie. Op welk een liefelijke manier en met welk een grote ernst de Zaligmaker van zondaren wordt voorgehouden, maar het dringt alles niet door. Men blijft er on-be-roerd onder. Ik schrijf het bovenstaande wel met grote huiver. Het is bepaald geen zaak om je over te verblijden. Het kan alleen je hart vervullen met groot verdriet, als je op een of andere manier ontdekt, dat mensen in hun leven kerkbanken als het ware verslijten en dat hun hart gesloten blijft voor het evangelie.
Ik denk dat Calvijn ook iets dergelijks heeft aangevoeld, toen hij sprak over het besluit tot eeuwige verwerping. Niet voor niets tekent hij daarbij deze woorden aan: horribile dictu, d.i. verschrikkelijk om uit te spreken.
Men zal wel van mij willen aannemen, dat wij altijd heel teer en voorzichtig over de dubbele predestinatie moeten spreken. Zeker moet dit niet rationeel gedaan worden. Zelfs om twee redenen niet. De eerste reden is dat men dan te veel eer geeft aan onze zogenaamde logische denkfunctie, alsof deze niet door de zonde zou zijn aangetast. Maar er is nog een tweede reden, nl. dat men het vrijmachtig handelen Gods in een systeem gaat onderbrengen. Ondergebracht in een systeem, kan men pastoraal geen kant meer ut.
Niettemin is het juist – en denk in dit verband dan maar aan Jacob en Ezau – dat voor de één het evangelie alles is èn voor de ander niets.

Idee
Niet vanuit een logische denkfunctie, maar vanuit diverse Schriftgegevens zijn èn Calvijn èn Dordt ertoe gekomen om het een en ander over de dubbele predestinatie te schrijven. Zowel de verkiezing tot zaligheid als die tot verwerping is waarheid en werkelijkheid. Hierover moeten wij niet gaan redeneren, doch God God laten zijn. In Zijn vrijmacht moeten wij Hem – zoals G. Boer zei – niet gaan betuttelen.
Toch kan men J.G. Woelderink niet helemaal ongelijk geven, als hij het als een dopers trekje aanwijst, dat in de Gereformeerde Gezindte de waarheid van de predestinatie wordt vervangen door de predestinatie-idee.
Ik moet zeggen dat deze formulering van Woelderink niet zo gelukkig is. Ook drukt hij zich soms wat te scherp uit, waardoor hij eerder mensen afstootte dan dat hij ze voor zijn standpunt inwon. Helaas moet ik daarbij de kanttekening maken, dat hij met de predestinatie als waarheid en werkelijkheid er ook niet helemaal is uitgekomen. Dienaangaande heeft hij in later leven dingen geschreven, waar men vraagtekens achter kan zetten.
Niettemin neem ik het direct van A.A. van Rulerover, als hij stelt dat J.G. Woelderink met zijn onderscheiding van predestinatie als waarheid en predestinatie als idee een kostbare hint heeft gegeven.
Ik wil graag doorgeven wat ik hiervan bij A.A. van Ruler las in zijn Theologisch Werk, deel III, pag. 105: 'De waarheid en de werkelijkheid van de predestinatie kan men met huivering en ontzetting aan­ schouwen, erkennen en belijden. Maar als men haar omzet in een idee, komt zij uit de aard van de zaak aan het begin te staan. Zij wordt het principe, waaruit men langs de weg van logische redenering het gehele systeem afleidt. Zij beheerst dan elk onderdeel van het systeem. Onwillekeurig gaat men in de veronderstelling leven, dat men – nu men het principe heeft gevonden – het gehele systeem sluitend kan krijgen.'
Het gehele systeem sluit als een bus. Er is geen speld tussen te krijgen. Er zijn theologen, o.a. dr. Steenblok, van wie ik meen dat zij in het systematiseren van de predestinatie te ver zijn gegaan. Vanuit het eschaton gezien kunnen de dingen wellicht zo gesteld worden als zij dit hebben gedaan.
Alleen… zij hebben déze fout gemaakt, dat zij geen rekening hielden met de werkelijkheid. Het eschaton is nog niet aangebroken. Wij leven nog altijd in de tijd en daarmee in een gebroken werkelijkheid. Doch in de tijd èn in die gebroken werkelijkheid wordt het evangelie verkondigd. In al zijn volheid wordt het heü voor alle mensen tegenwoordig gesteld.
Jezus' opdracht is: 'Predik het evangelie aan alle creaturen'. Heel erg dwaas doen wij dan wel als wij het evangelie gaan inwisselen voor de logica. Met dit laatste bedoel ik dat wij zeer onverstandig zijn, als wij alles gaan doordenken vanuit de dubbele predestinatie. Want het is niet uitgesloten, dat de helle zon van de dubbele predestinatie alles doodschroeit, met name de verkondiging van het evangelie. Echter… er is nog veel meer, wat doodgeschroeid kan worden: de hele historische Christus, de hele bemiddeling van het heil in de traditie, de gehele uitwendigheid van het evangelie en de kerk. Er blijft slechts één ding over: de eeuwige raad.
Zoals de dopers hun aandacht fixeerden op één zaak, zo doen ook zij die alleen maar oog hebben voor de eeuwige raad. Terecht kan men dit laatste als een dopers trekje zien, waarbij wel de aantekening gemaakt wordt, dat de dopers in de zestiende eeuw zich om de dubbele predestinatie niet zo druk hebben gemaakt. Zij zochten de oorzaak van het verloren gaan meer in de mens. De mens heeft een zodanige wil, dat men de genade kan aannemen òf verwerpen. Ik ga op dit alles niet verder in, omdat ik in het tweede artikel hierover al iets heb geschreven.

Verantwoordelijkheid
De schroeihitte van de dubbele predestinatie kan heel veel schade aanrichten. Ook de subjectiviteit van de mens kan daardoor verteerd worden. Van zijn per-soon-lijk-heid blijft niets meer over.
Wanneer alle aandacht is voor de eeuwige raad, wordt een mens alle verantwoordelijkheid ontnomen.
Nu kan men zeggen: 'wat kan de mens eraan doen, als hem de genade – uit vrije goedheid geschonken – wordt onthouden?'
Het zal de ambtsdragers onder ons ook wel overkomen, dat zij op huisbezoek iemand horen zeggen: 'Al zou ik nog zo willen of nog zo zoeken en bidden… als ik niet uitverkoren ben, krijg ik het toch niet'.
Wat op dit alles te zeggen? Allereerst wil ik de opmerking maken, dat onze Dordtse Leerregels steeds opnieuw grote nadruk leggen op de verantwoordelijkheid van de mens. Een voorbeeld wil ik hiervan geven. Ik lees o.a. in de Leerregels: 'Doch dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich niet bekeren, noch in Christus geloven, maar in ongeloof vergaan, zulks geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande van Christus, aan het kruis geofferd, maar door hun eigen schuld'. Alle oorzaak ligt bij de mens. Maar er is nog een tweede opmerking. Nergens lezen wij in de Schrift, dat men de zaligheid niet ontvangt als men niet uitverkoren is. Het is een blasfemie (godslasterlijkheid) als men zó redeneert. Want wat zegt de Schrift? Er staat in de Bijbel geschreven: Wie bidt, ontvangt en een iegelijk, die zoekt, die vindt. De Heere heeft er lust in, dat iemand graag Zijn genade ontvangt. Hij heeft lust in onze bekering. Alleen ligt er voor ons de vraag òf óók wij er lust in hebben? Het moet, neergeschreven worden: van nature niemand! Men kan onder de roerendste en meest Schriftuurlijke prediking zitten vele, vele jaren en dat men toch dezelfde blijft. Ligt dat aan de Heere? Neen, dat ligt aan ons.
(Wordt vervolgd.)

G.S.A. de Knegt, Barneveld

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Doperse tendensen in onze tijd (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's