Globaal bekeken
Dr. Theo Jak ontving van de Vereniging 's Heeren Loo in Ermelo n.a.v. liet 100-jarig bestaan in 1991 het verzoek een wetenschappelijke studie te schrijven over 'zorg voor zwakzinnigen in Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw met bijzondere aandacht voor 's Heeren Loo'. Dezer dagen verscheen het resultaat: een boek, getiteld Huizen van barmhartigheid. Op indrukwekkende wijze komt daarin tot uitdrukking de sociale bewogenheid van het Réveil en allerlei daarmee verwante opwekkingen in gemeenten en streken van het land. Men zie ook mijn hoofdartikel. Hier volgt een passage over 'Op wekkingen in de Betuwe en op de Veluwe'.
'De opwekking van de vorige eeuw die onder de naam Reveil bekend staat, bestreek een groot gebied en hield een lange periode aan. Het Reveil bestond in werkelijkheid uit vele kringen en plaatselijke opwekkingen onder invloed van een evangelist of predikant. In de jaren 1846 en 1847 deed zich in de Betuwe een opwekking voor. De man die door zijn prediking velen wakker riep, was de predikant van een afgescheiden gemeente en later vrij evangelist J.P. Grim (1813-1857). O.G. Heldring ontmoette hem op een bijeenkomst van de Christelijke Vrienden in Amsterdam. Grim was zijn gemeente kwijt geraakt door een massale emigratie naar Noord-Amerika. Heldring nam hem in huis zodat hij evangelisatiewerk kon doen in de dorpen in de omgeving van Hemmen. De Christelijke Vrienden betaalden gezamenlijk de kosten van zijn levensonderhoud.
Grim was kelner geweest in Frankfurt, had dienst genomen in het Nederlands-Indische leger en tenslotte gewerkt als knecht op een landgoed nadat hij als oorlogsinvalide in 1837 naar Nederland was teruggekeerd. Hij kende de mensen en wist wat er in de wereld te koop was. Heldring verklaarde dat hij dankzij Grim de omstandigheden had leren kennen waarin de plattelandsbevolking leefde.
Grim was een stille, goede man die door zijn eenvoud en gezond verstand indruk maakte. Hij sprak zoals hij was: ernstig, doordringend en levenswijs. Wat hij uit eigen ervaring had leren kennen, hield hij zijn toehoorders voor. In alle dorpen waar Grim sprak, liep het storm. In schuren en kamers kwamen grote groepen mensen bij elkaar om naar hem te luisteren. Zijn toespraken maakten indruk tot op de kinderen toe. Waar hij geweest was, ontstond vraag naar bijbels en naar deze prediker die zo overtuigend sprak. Op meer dan een plaats nam de belangstelling voor het geestelijk leven sterk toe. Een voorbeeld hiervan was het buurtschap Nijkerkerveen enkele kilometers van Nijkerk. De derde protestants christelijke school in Nederland is hier geopend op 6 april 1847. Op de zesde vergadering van de Christelijke Vrienden in oktober 1847 werd gemeld dat de opwekking in de Betuwe zich stabiliseerde en in Friesland meer en meer opkwam. Helding noemde Steven van den Berg (1813-1881) "een der schoonste vruchten van de opwekking in de Betuwe". Van den Berg was een kleine boer met weinig land en wat vee. Hij woonde in het buurtschap Welle tussen Nijmegen en Tiel. De prediking van Grim brachthem tot bekering. Vanaf deze gebeurtenis leidde hij een oppassend leven, zorgde voor zijn vrouw en kinderen, las in zijn Bijbel en begon met evangelisatiewerk. Hij ging bij drinkebroers op bezoek en bracht brandstof, koffie en thee mee. Zijn huis stelde hij open voor bijbellezingen. Op zondagavond nodigde hij vrienden en bekenden uit om samen de Bijbel te lezen en te zingen. Toen ook Grim, de colporteur Wolff, de evangelist J. van 't Lindenhout en de hoogleraar A. Brummelkamp bijbellezingen bij Van den Berg hielden, groeide het aantal bezoekers sterk Van den Berg had verschillende talenten. De Bijbel kon hij helder en duidelijk uitleggen en zijn gebed was eenvoudig, warm en spontaan. Tot ver in de omtrek was bekend dat hij veel kijk op dieren had. Bij ziekte van koeien of schapen en bij moeilijke geboortes van jong vee riepen de mensen uit de buurt hem er bij. Zijn raad bracht dikwijls uitkomst. Op een nacht werd Van den Berg gehaald door een ongeruste veehouder omdat zijn melkkoe er slecht bij lag. Kort na het bezoek van Van den Berg, die na zijn behandeling een ernstig gebed had uitgesproken, genas het dier. De eigenaar was onder de indruk van deze wonderbaarlijke genezing en bezocht sindsdien de zondagavondlezingen. Voor hem stond wel vast dat deze man uit Welie bijzondere gaven had.
Van den Bergh paste goed in de groep van reveilfiguren. Zo was hij een vriend van kinderen en een liefhebber van zingen. Op zondagmiddag hield hij voor de kleintjes zondagsschool. Zij kregen dan ook zangles van een muziekleraar. De armste kinderen zocht hij van tijd tot tijd thuis op.
Wie behoefte had aan enkele dagen rust of in een andere omgeving wilde proberen om een ander leven te beginnen, kon bij Van den Berg terecht. Zijn woning was volgens Van 't Lindenhout een Adullam, een wijkplaats voor alle vermoeiden en bezwaarden van geest Van den Berg was een praktisch christen.
Niet iedereen ging zover als deze "schaapherder", zoals Heldring hem noemde, maar de opwekking bleef niet tot enkelingen beperkt. Ook in Zetten, Randwijk en Valburg gaven inwoners aan evangelisten de gelegenheid om in hun huis bijbellezingen te houden.'
Een open monument, zo heet een fraai uitgegeven boek, van de hand van ds. C. Blenk van de Noorderkerk te Amsterdam (uitgave Buijten en Schipperheijn, Amsterdam), over de Heidelbergse Catechismus. De verhandeling over zondag 1, begint zó:
'Hij was als student bijna verdronken, Caspar von Olewig. Hij wandelde met een vriend langs de rivier bij Bourges. Daar zagen ze andere Duitse studenten, die in Frankrijk studeerden, spelevaren met een boot. Ze daagden de twee uit om mee te doen. Caspar, die zag dat ze dronken waren, en wist dat ze niet konden zwemmen, wilde eerst niet. Zijn vriend haalde hem echter over. Ze stapten ook in de boot, die vervolgens zo ging schommelen dat er water in kwam. De boot sloeg om, de studenten verdronken. In doodsnood riep Caspar tot God: als Hij hem redde, zou hij voor Hem willen leven. Hij werd gered. Per ongeluk: de man die hem uit het water trok, bedoelde zijn vriend te redden, die omkwam.
Caspar von Olewig is toen theologie gaan studeren, ook bij Calvijn in Genève. Hij werd hervormer in zijn geboortestad Trier en, jong al, zelfs hoogleraar in Heidelberg. Met zijn vriend Ursinus stelde Olevianus de Heidelbergse Catechismus op (1562).
"Wat is uw enige troost in leven en sterven?" is de eerste vraag. Hoor je de genoemde jeugdherinnering hierin meeklinken?
"Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, niet van mijzelf ben maarvan mijn getrouwe Zaligmaker." En de Zoon brengt bij de Vader en de Geest: Zonder Zijn Vader valt geen haar van mijn hoofd. Zijn Geest verzekert mij van het eeuwige leven. Maar ook: maakt mij gewillig om hier en nu voor Hem te leven.
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's