De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Groen van Prinsterer als belijder van kerk en staat in de 19e eeuw

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Groen van Prinsterer als belijder van kerk en staat in de 19e eeuw

9 minuten leestijd

Inleiding
De hervormde predikant J.W. Kirpestein (Gouda) promoveerde op 15 juni aan de Vrije Universiteit op Groen van Prinsterer. Zijn promotor, prof. Van Deursen, historicus, vertelde dat het de twaalfde dissertatie was over Groen, en dat dit het nieuwe was dat hier kerk en staat samen behandeld worden. De geestelijke vader van de jonge dokter is niet zijn promotor, maar dr. W. Aalders over wie hij in het voorwoord zegt: 'Bij de geboorte van dit boek is hij nauw betrokken geweest'. Aalders was ook bij de promotie en stelde de vraag of Groen, die in 1857 uit protest de Tweede Kamerverliet maarin 1862 weer terugkeerde en toen de 'neutrale staat' aanvaardde, nu niet gecapituleerd had. Aalders dacht aan abortus- en euthanasiewet en de Algemene wet Gelijke Behandeling. Kirpestein antwoordde dat bij Groen 'neutraal' niet 'atheïstisch' betekent, en dat Groen wel de evangelisatietaak van de overheid liet vallen, maar niet de geldigheid van de Tien Geboden. Dr. Van Oort suggereerde bij de promotie dat dit boek over Groen de 'Charta' kon zijn voor een nieuwe ethisch-gereformeerde beweging! Maar professor Griffioen vond dat de jonge dokter helaas de verwerkelijking van Groens gedachten nù buiten beschouwing had gelaten. Wat deze niet zonder meer toegaf.
Kortom, genoeg redenen om deze dissertatie bij u in te leiden.

Groen in de politiek
Groen wilde de kerkelijke en politieke praktijk van alledag steeds duidelijker herleiden tot de vraag naar de beginselen. Het was zijn doel om de versluiering van het liberalisme te doorbreken en de liberale theorie als onverenigbaar met het christelijk geloof bloot te leggen. Hij stond hier tegenover zijn studievriend, de latere minister-president Thorbecke. Volgens Groen vond de burgerzin zijn oorsprong in het christelijk geloof. Volgens Thorbecke moest die burgerzin aangepast worden aan de liberale beginselen, die op de Franse revolutie stoelden. Voor Groen was de staat met de bijbel dan bedreigd. Voor Groen was een neutrale staat niet echt neutraal. Niet, dat Groen tegen een democratische staatsvorm was, als deze maar niet op revolutionair, doch op christelijk-historische grondslag was gebouwd.
Groen was in 1851 tegen Thorbeckes armenwet, omdat de armenzorg zo aan de kerk werd onttrokken, terwijl de kerk juist meer te bieden heeft dan alleen geld: christelijke liefde. (Door de val van het kabinet ging deze wet niet door.) Toen in 1853 de bisschoppelijke hiërarchie weer mocht worden ingevoerd in Nederland en de aprilbeweging hiertegen te hoop liep, wilde Groen geen antipapisme voeden, maar de volksverontwaardiging tegen het liberalisme in juiste banen leiden. In de schoolwet van Van der Brugghen van 1857, waarin op de openbare school slechts een 'christelijk' onderwijs gegeven mocht worden dat aan geen enkele gezindheid ergernis gaf, werd volgens Groen de natie aan het liberalisme prijsgegeven. Na 1857 keerde Groen zich tegen het woord 'christelijk' in de wet. Daarom legde hij de nadruk op handhaving van een strikte neutraliteit in het openbaar onderwijs als een uiterste grens aan de vrije werking van de liberale beginselen. Het positief christelijk onderwijs kon dan van de bijzondere school komen. Groen zette zo na 1857 de strijd tegen het liberalisme voort, wat niet alle Groenkenners hebben gezien.
Van de 'Realpolitik' van Bismarck die in 1866 als Pruisens staatsfilosofie openbaar werd, distantieerde Groen zich. Bismarck wilde de Revolutie bestrijden door deze met gelijke munt te betalen. Bismarck maakte de Tien Geboden ondergeschikt aan het staatsbelang, al liet hij die gelden voor zijn persoonlijk leven. Zulke scheiding verwierp Groen. Tot zover deel I.

Groen in de N.H. Kerk
In de Ned. Herv. Kerk zag Groen de opkomende Groninger richting als liberalisme in de kerk. Klassieke dogma's moesten aan de rede worden aangepast. Toen de synode tegen de orthodoxe adresbeweging zei, dat 'geest en hoofdzaak' van de leer toch werden gehandhaafd, ontkende Groen dat in zijn Adres van de 'Zeven Haagse Heren' (1842). De synode moest optreden tegen de Groningers, ondubbelzinnig, en zo tot kerkherstel komen. De zwakte van de adresbeweging was dat zij zich op de letter van de Formulieren, met name op de Dordtse Leerregels, richtte. Groen wilde de gelederen sluiten rond Wezen-en-hoofdzaak. Da Costa pleitte voor een medische in plaats van een juridische aanpak. Voor Groen sloot het één het ander niet uit. Da Costa wilde een 'verse' belijdenis. Groen was daar niet tegen, maar dan op basis van de klassieke. Hij kwam Da Costa tegemoet door voortaan niet meer over de Formulieren, maar over de algemene grondwaarheden van het Evangelie te spreken. De ethisch-irenische richting o.l.v. N. Beets wilde elke confrontatie met de synode vermijden en zuiver medisch te werk gaan.
Toen Den Haag zijn eerste moderne predikant kreeg, die openlijk de heilsfeiten weersprak, bestreed de ethische J.H. Gunning hem wel, maar wees elk gebruik van kerkelijke tucht toch af. Hij mikte op het geweten. Groen vond deze houding tegenover zo'n fatale ontwikkeling te onschuldig. Zij gaf de historische kerk prijs. Kerkeraad en synode moesten op de bres staan. Moest de bres verlaten worden, dan ging belijden met lijden gepaard.
Of Groen met de Doleantie van 1886 zou zijn meegegaan als hij nog had geleefd, blijft een open vraag. Kirpestein neigt tot 'neen'. Wat Groen ons nu te zeggen heeft? Hij zag in het liberalisme de emancipatie van de zelfgenoegzame mens, die zichzelf verheft boven God. Hij wilde de discussie voeren op het niveau van de beginselen. Hier vallen voor een belijdend christen nog steeds de beslissingen. Aldus het tweede deel.

Vragen
Ik heb het boek geboeid uitgelezen. Het is een hartverwarmende verdediging van Groen geworden. En Groen was een groot man, die ook ik bewonder. Maar met de compositie en opzet van het boek heb ik hier en daar moeite. Zo motiveert Kirpestein niet, waarom hij in het politieke deel juist de genoemde vier thema's kiest. Is het omdat zij toch de kerk raken? Waarom geen andere politieke ontwikkelingen behandeld, zoals grondwetswijzigingen van 1840 en 1848? En waarom behandelt hij bij de Maatregelen tegen de Afgescheidenen niet die maatregelen zelf? Hij behandelt hier de verschillende staatsrechtsopvattingen bij Groen en Thorbecke, maar die hadden m.i. als een apart thema aan de orde moeten komen, b.v. in een hoofdstukje over Groens Ongeloof en Revolutie, of over de invoering van de democratie in 1848. Verder vind ik het een gemis, dat de schrijver de thematische vraag laat liggen, hoe conservatief Groen eigenlijk was. De grote conservatieve denker Burke was zijn gids geworden. De historicus Von der Dunk beschrijft het conservatisme als een Europa-brede reaktie op de Verlichting en de Franse Revolutie, tegen de utopie daarachter, tegen de blauwdruk voor een nieuwe maatschappij; met nadruk op 'law-and-order' (gezag en orde), historische ontwikkeling enz. De huidige conservatieve partij in Engeland is daar nog een vrucht van. Best een respectabele wereldbeschouwing. Maar niet specifiek christelijk. Ook vaak gedragen door R.K. denkers. Hoever was het Réveil hier nu mee verweven? Wij zien hoe Groen zich er steeds meer aan ontworstelt. Conservatief is niet hetzelfde als christelijk! Vooral de latere Groen 'wordt bij het vallen van de bladeren rood' (De Genestet). Maar die ontwikkeling valt hier buiten beeld. Trouwens, ook de genoemde vraag van dr. Aalders had Kirpestein in zijn boek al moeten behandelen: de omslag bij Groen na 1857. Nu komt die alleen indirekt ter sprake in het hoofdstuk over… Bismarck. Wat betreft het deel over Groen-en-de-kerk: dat begint met Groens strijd tegen de Groningse richting en de Afscheiding. Daarna volgt het Adres van de synode van 1842. Maar de historische gang van zaken was omgekeerd! Groen zweeg nog lang na 1834. Hij reageert pas als de orthodoxe adresbeweging vastloopt. De Afscheiding prikkelde hem om nu binnen de hervormde kerk voor kerkherstel te gaan pleiten. Kirpestein vermeldt dat wel (p. 164, 168).

Juist een boek dat kerk èn staat samen behandelt zou m.i. moeten ingaan op de samenhang tussen die twee. R. Kuiper laat zien dat Groen en Da Costa ook politiek uitééngingen. Da Costa begroet de grondwetswijziging van 1848, die Groen met moeite slikt. Da Costa staat in kerk èn staat open voor nieuwe ontwikkelingen. Hij schrijft ergens: 'God in de hemel is zo antirevolutionair niet…'. Da Costa was ook tegen Groens Ongeloof en Revolutie. Hij vindt hem te star-juridisch. De kritiek op Groen dateert niet pas vanaf de V.U.-bundel in 1940, die Kirpestein voortdurend bestrijdt, maar komt al in Groens eigen tijd van het Amsterdams Réveil, van Da Costa, zijn vriend en broeder. Men hoeft het daarmee niet eens te zijn, maar de problematiek is wel spannend: Waarom gaan Groen en Da Costa zowel in de kerk als in de staat uitéén op precies hetzelfde punt? Wat is dus de ondergrondse verbinding? Is het een bepaalde attitude, een bepaalde houding of instelling?

Groen als voorbeeld
Ik ben dankbaar voor dit nieuwe boek over Groen. Het laat zich door ieder geïnteresseerde gemakkelijk lezen. Het is een betrouwbare gids tot Groens strijd in kerk en staat. De vele Groen-citaten zijn telkens weer spits, kernachtig, raak. Groen had ook m.i. iets profetisch.
Groen is ook weer aktueel geworden, denk ik. Na hem streefde Kuyper naar de meerderheid, in coalitie met Rome, om het regeringskasteel te veroveren. Die tijd is voorbij. Kuypers meerderheidsstrategie is allang onmogelijk geworden. De christelijke partijen zijn weer in de minderheid gekomen. De reformatorische partijen nu hebben ongeveer de omvang van de anti-revolitionairen uit Groens tijd. Ik heb het gevoel dat de tegenstelling Groen-Van der Brugghen weer terug is, waar bij Van der Brugghen een CDA-minister had kunnen zijn.
En de parallel tussen de hervormde synode van toen en nu trekt Kirpestein zelf. Hij opent er zijn boek mee: de dubbelzinnigheid over de Opstanding. Overigens bedenke men wel, dat Groen inderdaad van de Dordtse Leerregels geen shibboleth maakte, om Evangelischgezinden niet af te stoten. Het Réveil greep niet op 'Dordt' terug maar op de oorspronkelijke reformatie! Groen vond dat 'Dordt' het front niet was in zijn eigen tijd. Wie zich op Groen beroept bedenke wel de konsekwenties van deze visie. Hervormd-gereformeerden plegen zich in het S.o.W.-proces wel degelijk op Dordt te beroepen! En confessionelen? Maar laten we wel wezen: bij de EO maken wij van Dordt ook geen shibboleth…
Wat ook mij bij Groen boeit is dat hij zo wel in de kerk als in de staat opkwam voor het Woord van God. Ter navolging!

C. Blenk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Groen van Prinsterer als belijder van kerk en staat in de 19e eeuw

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's