Doperse tendensen in onze tijd (5)
Een vorige keer heb ik min of meer aangetoond dat het een doperse tendens is als men van de praedestinatie-leer een praedestinatie-idee gaat maken. Zowel J.G. Woelderink als A.A. van Ruler hebben meer dan eens daarover geschreven. Ook I. Kievit heeft zich tegen de praedestinatie-idee verzet. Terecht heeft hij in navolging van Calvijn de opmerking gemaakt dat de verkiezing zijn bedding vindt in het verbond.
Als ik nu het voorgaande artikel samenvat, zeg ik: Christus is de spiegel der verkiezing! Déze Christus en dè zaligheid die Hij verworven heeft wordt aan de voeten van ieder mens die het Evangelie hoort neergelegd. Wie Jezus Christus wil hebben, kan Hem ontvangen. Maar als men Hem nu niet wil hebben? Als men weigert om zich te laten zaligen. Wiens schuld is dat dan? In geen geval van God! Het is de schuld van de mens die weigert!
Alles, maar dan ook werkelijk alles wordt door de Heere in de bediening der verzoening aangeboden. Alles wat ons ontbreekt, wil Hij ons overvloedig schenken. Bij Hem is immers genade voor genade. Hij is de Bron, overvloeiende van genade voor de grootste der zondaren.
De gerusten en de zekeren
't Zal ons wel duidelijk zijn dat wij er voor bewaard moeten blijven dat wij van de praedestinatie-leer geen stelsel gaan maken. In prediking, in catechese maar ook in het pastoraat moet helder verklaard worden dat de Heere niet wil dat wij op de leer van de praedestinatie ons stuk lopen, doch dat deze leer gegeven is tot ons behoud. Dat dit alles op een pastorale manier dient te gebeuren, behoef ik hier niet neer te schrijven. Een waarlijk bekommerde die hiermee worstelt wordt alleen geholpen als hem het Woord Gods wordt voorgehouden d.w.z. als men hem veel goeds van de Heere Jezus vertelt.
Naast hen die op een heel verkeerde manier met de praedestinatie bezig zijn, denk ik nog aan een heel andere categorie. Ik noem ze: de gerusten en de zekeren.
In Amos 6 lees ik: 'Wee de gerusten te Sion, en de zekeren op de berg van Samaria'. Wie zijn met hen bedoeld? Het zijn de mensen in de kerk die nooit over de praedestinatie nadenken, omdat zij nooit hun nood hebben leren kennen. Van schuld, verlorenheid, onmacht en goddeloosheid weten zij niet. Zij gelijken op de dwaze maagden. Zij denken dat het wel zal meevallen, ook als er geen olie in de lamp zit. Kortom: het zijn de gelovigen in eigen oog. Wellicht dat ik wat gechargeerd (overtrokken) stel als ik neerschrijf: het zijn de dopersen in optima forma. Wat ik bedoel? Wel, zij willen zoveel, zij kunnen zoveel, zij hebben zoveel. Nooit echter zijn ze er achter gekomen, dat zij niets willen, niets kunnen en niets hebben. Zij hebben nooit Jezus Christus gemist. Toch roemen zij in Hem, hoewel zij nooit tot de bede zijn gekomen: 'o God, wees mij, de zondaar, genadig'. Zij hebben iets van Hypocriet en Formalist (uit de 'Christenreis'). Van hen lezen wij dat zij over de muur klimmen. Zij gingen niet als Christus door de poort. Hypocriet en Formalist vonden het een omweg doch ook een te lange weg als zij aan het begin van de weg zouden beginnen.
Let wel: Hypocriet en Formalist behoren niet tot de mensen die met Kerst eens een keertje naar de kerk gaan. Men mag ze volstrekt niet onder de rand- en de buitenkerkelijken rekenen. Neen, zij behoren helemaal tot de gemeente des Heeren. Zij zijn gedoopt, zij hebben belijdenis gedaan, zij gaan aan het Heilig Avondmaal. In alles leven zij trouw mee. En toch… wandelen zij op de brede weg.
Wat is de oorzaak? Die moet gezocht worden in hun zorgeloosheid. Zij zijn zo gerust en verzekerd dat zij menen dat er aan hen geen groot wonder (de wedergeboorte) behoeft te gebeuren. Tegen die zorgeloosheid móet ook ernstig gewaarschuwd worden. Daarmee wil ik zeggen: men moet niet alleen hen waarschuwen die hun gedachten fixeren op een praedestinatie-leer, maar ook zij die menen op grond van uiterlijke voorrechten tot de levende gemeente Gods te behoren. Het valt namelijk altijd tegen als men precies als Hypocriet en Formalist niet weet van ellende, verlossing en dankbaarheid.
Men kan gedacht hebben tot de gemeente des Heeren behoord te hebben en in bepaalde zin heeft men daartoe óók behoord. Het zal ons immers wel duidelijk zijn dat iemand die in de naam van de drieënige God gedoopt is geen heiden is zoals wel eens wordt gezegd. Men is een echte bondeling en in de prediking mag men worden gehouden voor een kind van het Verbond. Niettemin lees ik in de Schrift ook over de wraak Gods tegen de kinderen van het Verbond als zij zich niet bekeren.
De gerusten en de zekeren in de gemeente des Heeren kan het daarom niet anders dan tegenvallen als zij dadelijk uit de mond van de Middelaar van het Verbond vernemen: 'Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: 'Heere, Heere hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd en in Uw Naam duivelen uitgeworpen en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hen openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij; gij die de ongerechtigheid werkt' (Mattheüs 7 : 21-23).
Terecht heeft W.L. Tukker eens op een jaarvergadering van de Gereformeerde Bond in Nijkerk het volgende in zijn toespraak gezegd: 'Men kan zowel links als rechts van de weg afraken; aan welke kant dat evenwel gebeurt is van minder belang; in beide gevallen is men van de weg'. Wijze woorden om ter harte te nemen!
Samenvattend wil ik dit onderdeel afsluiten door neer te schrijven: Wie geen acht slaat op de eis van de Wet en om die reden geen aangeboden Zaligmaker nodig heeft, handelt zorgeloos en gaat door eigen schuld verloren. Wat dit laatste betreft staat men op één lijn met hen die van de praedestinatie een idee fixe hebben gemaakt. Beide categorieën gaan door eigen schuld verloren.
De christelijke religie
Onze religie is geheel en al verweven met de persoon èn het werk van Jezus Christus. Wanneer men Hem weg denkt, houdt men misschien wel religie over doch zèker géén religie waarbij Christus centraal staat.
Heel onze religie staat of valt met Hem. Zijn persoon is van eminent belang. In geen enkele andere religie treft men het aan dat de belijders zo nauw betrokken zijn op een persoon. Jezus Christus vormt het hart van de christelijke boodschap. Wat is het hart van de boodschap? Geen andere dan dat Jezus Christus is gekruisigd en opgestaan. Het centrale van de bediening der verzoening is dat Hij over zonde en dood heeft getriomfeerd.
De menswording van Christus
In tegenstelling tot de gereformeerden erkenden de dopersen Chalcedon niet. Het lijkt mij niet verkeerd om neer te schrijven waarom het in Chalcedon is nagegaan. De belijdenis die toen is uitgesproken is nog altijd hoogst actueel. Door verschillende theologen o.a. Flesseman-van Leer wordt Chalcedon betwist en bestreden.
In Chalcedon heeft men uitspraken gedaan over de verhouding van de godheid en de mensheid in de ene persoon van Jezus Christus. Men is bij die uitspraken werkelijk niet over één nacht ijs gegaan. Diverse theologen van naam en faam hebben zich hiermee intensief beziggehouden. Soms gebeurde dit nogal vrij speculatief. Dit moet vooral gezegd worden van de oosterse theologen die een enigszins wijsgeriger inslag hadden dan die van het westen. De vraag is: tussen wie en wie ging de christologische strijd? Aanvankelijk was het een twist tussen Cyrillus, de patriarch van Alexandrië en Nestorius, de patriarch van Constantinopel. Vanwege rivaliteit ging het tussen hen beiden er niet altijd zo geestelijk aan toe. Waarover streden beiden? Over de vraag of Maria wel moeder Gods genoemd mocht worden. Cyrillus had na onderzoek van een aantal Schriftgegevens tegen deze benaming geen enkel bezwaar. Nestorius daarentegen verzette zich er met hand en tand tegen dat Maria theotokos (moeder Gods) genoemd zou worden.
In Efeze trof de synode in 431 een voorlopige beslissing. Deze derde algemene synode kwam helaas niet tot een afronding. Het duurde nog twintig jaar toen in Chalcedon op de vierde algemene synode een beslissing viel die definitief zou zijn.
Op die synode in Chalcedon zag het strijdtoneel er iets anders uit. Ging het in Efeze om een twist tussen Cyrillus en Nestorius, in Chalcedon ging de strijd tussen Nestorius en Eutyches, een kloosteroverste. Het ging er hard aan toe. Synodevergaderingen zijn niet altijd de meest hartverwarmende vergaderingen, ook niet altijd de meest geestelijke bijeenkomsten. Hete hoofden, koude harten zijn nog al eens het resultaat van allerlei beraadslagingen.
Voor een deel is het ook in Chalcedon zo geweest. Er zijn breuken ontstaan die men had kunnen voorkomen als men iets tactvoller en wijzer met elkaar zou zijn omgegaan.
Desondanks moest men wel tot een beslissing komen. De waarheid was in het geding en met name Nestorius legde in zijn veld te winnen. Nestorius legde in zijn christologie (de leer over Christus) zeer veel nadruk op de tweeheid der naturen in Christus. Hij deed dat zelfs zò sterk dat de eenheid van de persoon van Christus daardoor op de achtergrond raakte. In plaats van onderscheiden ging hij scheiden.
De rivaal van Nestorius, de kloosteroverste Eutychus leerde weer heel iets anders. Met veel verve verkondigde hij, dat Christus slechts één natuur had. Hij gaf daarbij het volgende voorbeeld: 'Zoals het zeewater een honingdroppel in zich opneemt, had ook de Godheid van Christus de mensheid geheel en al opgenomen'. Uit wat Eutychus leerde, kon men opmaken dat de mensheid van Christus geheel en al werd geabsorbeerd door de Godheid. Van de mensheid van Christus bleef zo eigenlijk niets over. Hierdoor werd de verlossing van ons mensen dubieus gesteld.
Eeuwen later zal om die reden de Heidelberger als vraag opnemen: 'Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mens zijn?' Het Bijbelse antwoord is: 'Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menselijke natuur die gezondigd had, voor de zonde betaalde; en dat een mens zelf zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen' (Zondag 6, vraag en antwoord 16).
Zoals ik eerder schreef: tegen de opvatting van Nestorius was groot verzet. Niet min der was er tegenstand ten aanzien van de mening van Eutyches.
Op de synode van Chalcedon worden daarom uitspraken gedaan die tegen zowel de opvatting van Nestorius als tegen die van Eutyches gericht zijn. Bij deze uitspraken is een dogmatische brief van Leo I, de bisschop van Rome van uitermate groot belang geweest. Dientengevolge beleed de synode zowel de volkomen Godheid als de volkomen mensheid van Christus. Tegen Nestorius en Eutyches in bracht men het als volgt onder woorden: 'Christus is één van wezen met Zijn Vader en één van wezen met ons naar Zijn mensheid'. In Christus moeten twee naturen worden aangenomen welke zijn 'onvermengd, onveranderd, ongedeeld en ongescheiden'. Al met al heeft men willen zeggen: In Christus is één persoon en twee naturen. Van hoeveel belang deze uitspraak in onze tijd is en met name tegen de dopersen in onze tijd, hoop ik in een volgend artikel aan te tonen!
(Wordt vervolgd)
G.S.A. de Knegt, Barneveld
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's