Uit de Pers
Communicatie van het Evangelie
25 november 1993 promoveerde ds. B. Plaisier, hervormd predikant in 's-Gravenhage, aan de Rijksuniversiteit van Utrecht tot doctor in de theologie op een proefschrift, dat de sprekende titel 'Over bruggen en grenzen' meekreeg. Dr. Plaisier besteedt in deze omvangrijke studie aandacht aan de 'communicatie van het evangelie in het Torajagebied (1913-1942)'. Plaisier was zelf namens de Gereformeerde Zendingsbond van 1977-1984 werkzaam in de opleiding van predikanten voor de Torajakerk in Rantepao. In zijn Inleiding schrijft dr. Plaisier hoe tijdens zijn verblijf in Tana Toraja bij hem vaak de vraag opkwam, waarin nu de invloed van de GZB in de Torajakerk te bespeuren viel. Vanaf 1913 hebben tientallen zendingsarbeiders van de GZB hier gewerkt. Op leerstellig, liturgisch en ethisch terrein valt de invloed van de gereformeerde traditie, waarin de GZB wil staan, slechts in geringe mate waar te nemen, aldus dr. Plaisier. Hoe komt het dat het GZB-stempel op de Torajakerk zo gering is? Deze vraag is niet zo simpel te beantwoorden, om allerlei redenen. Om de hierachter liggende problematiek beter in het oog te krijgen, wordt de communicatie tussen mensen centraal gesteld. Met dat woord is het mens-zijn wezenlijk getypeerd. Plaisier stemt in met Kraemers opvatting dat communicatie een beter woord is dan evangelisatie. Hoe gaat dat: de overdracht van de boodschap en hoe voltrekt zich het proces van vertolken en verstaan? Hoe vindt het gereformeerde, het calvinistische ingang in een geheel andere cultuur dan waarin het ontstaan is? Plaisier gaat in op het verkondigen, maar ook op het luisteren, op de overdracht, maar ook op de overname. De één (verkondiger) staat nooit helemaal los van de ander (de ontvanger). Wat gebeurt er in dat communicatieproces met de boodschap? Hier liggen uiterst spannende en boeiende vragen, die de promovendus in zijn boek op een voor mij althans meeslepende manier weergeeft. Vooral als je tegelijk je eigen situatie in het heden van een volstrekt ontkerstenende samenleving in ogenschouw neemt. Hoe krijgen we het bijbels getuigenis nog overgeleverd? Wat kan daar allemaal bij mis gaan en wat is er misschien in de achterliggende eeuwen al misgegaan? Hoe belangrijk is in de communicatie van het evangelie uiteindelijk toch de contekst?
In Hervormd Nederland van 27 november 1993 geeft Jan Goossensen een uitgebreide weergave van de hier genoemde studie onder het opschrift 'Calvinisme in de tropen'. Hoe is het gegaan met de introductie van het christendom?
Uitgebreid schetst Plaisier de problemen, die met het invoeren van de klassieke christelijke structuren gepaard gingen. Ouderlingen waren soms analfabeet, maar het GZB-hoofdbestuur had geen geld over voor een betere kaderopleiding. De functie van diaken was onduidelijk, vaak omdat armen door familie werden opgevangen, zodat er voor diakenen, als ze al werden gekozen, kosterswerk overbleef.
Het onderricht van de gewone gemeenteleden werd enthousiast aangepakt, maar het viel niet mee doopkandidaten het Onze Vader, de Tien Geboden en de Apostolische Geloofsbelijdenis van buiten te laten leren. Vooral ouderen, die nooit hadden leren lezen, hadden er moeite mee. Op catechisatie werd de tekst uitentreure voorgezegd. Ook werden schoolkinderen ingeschakeld, die de ouderen de vereiste leerstof elke dag kwamen voorzeggen. Het gevolg was, alduis Plaisier, dat de uitleg in het gedrang kwam.
Aangepaste lesboeken waren er niet, zeker niet in de beginjaren. Zendeling Van de Loosdrecht gebruikte voor zijn eerste catechisanten het Kort Begrip, een popularisering van de Heidelbergse Catechismus uit 1608, die ook in Nederland in zwang was. Van de Loosdrecht was over zijn pupillen zeer tevreden: 'Ik denk zelfs dat ze veel christenjongens in Holland zouden hebben beschaamd doen staan.'
Zendeling Heusdens bleek een strenge meester, die scherp overhoorde. 'De overgang tot het christendom mag niet te gemakkelijk worden gemaakt.' Het gevolg was dat de goeroes, die het dagelijkse onderricht voor hun rekening namen, de 'examenstof' afstemden op de eisen van de zendelingen. Ze leerden de kandidaten 'goede' antwoorden te geven, zoals Heusdens ondervond toen alle 103 dopelingen het correcte antwoord wisten op zijn vraag, waarom ze christen wilden worden: 'Ik heb veel zonde bedreven, maar zoek vergeving bij de Heere Jezus.'
Er verschijnt in de jaren dertig een catechisatieboekje in de Torajataal. Maar methodisch verandert er niet veel. Veel nadruk op de leer, maar weinig inzicht in de bijbelverhalen zelf
Plaisier legt hier de vinger op de zwakke plek van de GZB-zending. De zendelingen wilden een bevindelijke geloofshouding overdragen, maar als gevolg van het schoolse onderricht bewerkten ze het tegenovergestelde, namelijk formalisme. Ook de Nederlands aandoende invulling van de zondag had volgens hem beter gekund. De Toraja's ervoeren de nieuwe vrije dag als een taboe-dag – niet werken, niet naar de markt – niet als een feestdag met een viering. Misschien was dat, gezien de praktijk in Nederland, te revolutionair geweest, oppert Plaisier. Het gevolg was wel, dat voor bekeerde Toraja's het leven saaier werd. Om die reden werd geprobeerd van de christelijke feestdagen rituele hoogtepunten te maken. Kerst werd een volksfeest met een kerk volgehangen met slingers, een kerstboom in het dorp, cadeautjes voor de kinderen en een maaltijd voor iedereen. Verder ontwikkelden zich oogstdiensten – in de plaats van offerdiensten – en massale kerkedagen met maaltijden en muziek, waardoor de saamhorigheid bevorderd werd. Pasen, theologisch gezien het belangrijkste feest, kwam er bekaaid af, geheel in de lijn van de GZB-traditie, die meer waarde hechtte aan Jezus' verzoenend sterven op Goede Vrijdag. Plaisier spreekt hier van een gemiste kans. Juist Pasen had een breekijzer kunnen worden om de overheersende cultus van de dodenfeesten omver te werpen. Maar het enige bijzondere, dat de zendelingen introduceerden, was het rapen van paaseieren door de kinderen.
Kerkdienst
Hoe ging het er in de erediensten? Hoe werd de liturgie ingevuld? Hoe verliepen de Avondmaalsvieringen?
Ook de kerkdiensten droegen een orthodox-protestants stempel. Enkele grotere kerken hadden luidklokken, voor- en kerkgangers droegen gepaste kleding en in sommige kerken begeleidde een harmonium de zang. Alle nadruk lag op de preek. Saaie godsdienstoefeningen, erkende Belksma, maar Heusdens meldde trots dat de liturgie in de tropen nagenoeg dezelfde was als die in Nederland. Het invoeren van inheemse elementen zou een revolutionaire daad zijn geweest, meent Plaisier, omdat daarmee de band met het calvinistische moederland was doorgesneden. Maar de zendelingen – en hun Indonesische medewerkers – waren zo gehecht aan de westerse liturgie, die in hun ogen de beste was, dat Toraja-inbreng werd geweerd. Dus geen reidansen, geen tromgeroffel, geen bekende wijzen. De Toraja's moesten de Geneefse psalmmelodieën leren. Zonder koor, want een koor hoorde in de kerk niet thuis. 'De gehele gemeente moet lofzingen', luidde het calvinistische argument.
Een Nederlands strijdpunt werd ook rond de evenaar uitgevochten: het zingen van gezangen. De GZB had verordonneerd dat 'de heidenen uitsluitend bij de psalmen zouden moeten opgebracht worden'. Zendelingen moesten zelfs beloven in de eredienst slechts psalmen te laten zingen, waarvan enkele werden vertaald. Maar op de scholen lieten de goeroes gezangen zingen en via bundels kwamen deze 'vrije liederen' in de kerk terecht. De GZB probeerde het kwaad nog te keren door psalmteksten te ver-nieuwtestamentiseren. De regel: 'En onze Koning is van Israels God gegeven' werd: 'En de Heere Jezus is van Israels God gegeven.' In de praktijk werden de gezangen echter overal aangeheven. Eind jaren twintig gaven de zendelingen een bundel uit met opwekkingsliederen van piëtistische oorsprong. Een smalle keus, oordeelt Plaisier, omdat in deze liederen alleen de enkele gelovige in beeld komt; niet de gemeenschap der gelovigen of de betekenis van de kerk voor de wereld. Een bundel met berijmde psalmen voor de eredienst werd pas in 1950 ingevoerd. In 1980 koos de Torajakerk, die in 1947 zelfstandig was geworden, weer voor de praktijk van voor de oorlog: psalmen en gezangen kregen nu officieel gelijke rechten.
Ook de avondmaalsviering ging gebukt onder een uitvergroting van calvinistische eigenaardigheden. De in het klassieke avondmaalsformulier gevraagde 'zelfbeproeving' leidde in de Torajacultuur, die geen 'persoonlijk' geloof of introspectie gewend was, tot grote angst voor het aangezegde oordeel, dat ieder ogenblik kon worden voltrokken. Een slokje wijn in het verkeerde keelgat of een kuchje kon een teken van het einde zijn. Het avondmaal werd daardoor een zwaarbeladen magisch ritueel, waarmee velen niets te maken wilden hebben. De voorgangers – de goeroes – werkten dat in de hand door zwarte kleding te eisen, een plechtige sfeer te scheppen door de aanwezigen op Europese wijze rond een tafel te zetten en het brood en de wijn op te dienen in oogverblindende zilveren schalen en bekers, die geschonken waren door gemeenten in Nederland. Het is verbazingwekkend, aldus Plaisier, dat de zendelingen de avondmaalsmijding normaal vonden.
In Hervormd Nederland wordt Plaisiers studie als volgt samengevat:
Samenvattend stelt Over bruggen en grenzen dat de GZB-zending de kerstening van de Toraja's teveel als een schiftingsproces (tussen wat verboden en toegelaten werd) heeft opgevat, en te weinig als vernieuwingsbeweging. De zendelingen hebben het niet aangedurfd, samen met de Toraja's een nieuwe start te maken. 'In elke cultuur dient het geloof immers opnieuw doordacht en in nieuwe termen en vormen vertaald te worden.' De Nederlanders waren daarvoor echter teveel gericht op hun eigen traditie. In wezen zijn de Toraja-identiteit en het christelijk geloof eikaars concurrenten gebleven.
Zendingsarbeiders
Het boek van dr. Plaisier heeft ook waarde als een goed gedocumenteerde studie over een stuk geschiedenis van de zending, waarbij de GZB actief betrokken was. Interessant zijn de korte biografieën, die gegeven worden van verschillende zendingswerkers: ds. A.A. van de Loosdrecht en ds. D.J. van Dijk o.a., maar ook dr. J.J.J. Goslinga en taalkundige Hendrik van der Veen, om slechts enkelen te noemen. Eén der zendelingen was ook ds. Pieter Zijlstra, zoon van een bekende GB-predikant in die jaren, ds. W. Zijlstra.
Pieter Zijlstra was dertien jaar oud, toen zijn vader in een brief aan het Bestuur van de GZB meldde, dat zijn zoon zendeling wilde worden. Pieter werd direct geaccepteerd, ongetwijfeld omdat vader Zijlstra als hervormd predikant geestverwant was van de GZB.
De op 14 mei 1897 in Waddinxveen geboren Pieter werd na zijn acceptatie door de GZB op het christelijk gymnasium in Rotterdam geplaatst. Verder dan de onderbouw van het gymnasium kwam hij niet. Reeds spoedig maakte hij de overstap naar de Zendingsschool in Rotterdam. In juli 1917 legde hij met goed gevolg examen voor de Indische Commissie af. In datzelfde jaar verloofde hij zich met Aagje van der Wolf, met wie hij – na toestemming van het Bestuur – in 1919 in het huwelijk trad. De afvaardiging geschiedde vervolgens op 15 oktober 1919 vanuit de kerk in Huizen. Hij was toen tweeëntwintig jaar oud en is daarmee de jongste ressortszendeling die de GZB ooit uitgezonden heeft.
Na een reis over Java kwam het echtpaar op 21 januari 1920 in Palopo aan. Het werd enige dagen daarna 'met vlag en wimpel en onder zang en fluitspel' in Rantepao binnengehaald. Zijn komst was hard nodig, want de zendelingen Prins en Belksma konden na de dood van Van de Loosdrecht de grote ressorten Makale en Rantepao nauwelijks meer aan. Zijlstra kreeg als werkterrein een ressort, dat bestond uit een deel van de reeds genoemde ressorten. Zijn standplaats werd de tondok Sangalla'. Enige maanden later kreeg hij het gehele ressort Makale onder zijn beheer. Tot 1925 was hij de enige geordende zendeling-leraar, die bevoegd was de sacramenten te bedienen. Pas in 1927 kwam de langverwachte aanvulling van het zendelingencorps. Na zijn verlof in 1928 heeft Zijlstra maar een korte tijd in Sangalla' kunnen doorbrengen. Bijna direct na aankomst openbaarde zich bij zijn vrouw een ziekte, die in de loop der maanden zeer ernstig werd. In oktober 1930 keerden zij beiden overhaast terug naar Nederland. Terwijl zijn vrouw verpleegd werd, begon Zijlstra met de studie theologie in Utrecht, die hij in 1934 afrondde. In 1935 werd hij bevestigd als predikant in Noordeloos. Zijn vrouw overleed twee jaar later. Een jaar hierna trad hij in het huwelijk met mej. N. van Muiswinkel. Door allerlei persoonlijke omstandigheden kwam het niet meer tot een vertrek naar Indonesië. Na verschillende hervormde gemeenten gediend te hebben, overleed hij in Scherpenzeel (Gld.) op 27 december 1973.
In de negeneneenhalf jaar dat Zijlstra daadwerkelijk in Sangalla' gewerkt heeft, heeft hij niet nagelaten indruk te maken. Alom werd zijn mildheid en scherpzinnigheid geprezen. Met Van de Loosdrecht deelde hij de bijnaam to masallo' (de milde, edelmoedige) en to masokan (de vriendelijke, liefdevolle). Zijn liefde voor de Toraja-cultuur uitte zich in zijn streven om nieuwe kerken in de Toraja-bouwstijl te bouwen. Onder zijn leiding werd in die stijl de kerk van Sangalla' gebouwd.
Het viel de Toraja's op, dat hij met iedereen – van hoog tot laag – omging en jegens iedereen even beleefd was. De oud-Gouvemeur van Celebes, A.J.L. Couvreur typeerde hem als een uitnemende zendingsman: 'iemand met een breede blik en met veel ijver en met meer dan gewone capaciteit'.
Met veel respect raak je vervuld als je de inzet en de liefde opmerkt van hen, die in die jaren getracht hebben naar beste kunnen en weten het Evangelie van Gods vrije genade in Christus door te geven aan het volk der Toraja's. Hun werk wordt betrokken en nauwgezet weergegeven in 'Overbruggen en grenzen'. Dr. Plaisier sluit zijn studie met de volgende conclusie af.
Wij achten het de grootste verdienste van het zendingswerk van de GZB, dat het ondanks alle gebondenheid, het Woord van God in handen van de Toraja's heeft gelegd. Zo werd ruimte voor de Geest gecreëerd en kon een levensvatbare Torajakerk ontstaan. Het woord van David J. Bosch, dat het evangelie vreemd is aan iedere cultuur, maar ook overal thuis kan raken, is te illustreren aan het door ons beschreven proces van kerstening. Het feit, dat er soms felle tegenstand ontstond, was niet alleen maar een gevolg van communicatiestoornissen, maar was ook een reactie op het kritische Woord dat de zonde en het onrecht aanwees. Ditzelfde Woord schiep echter ook de continuïteit met het verleden, bijvoorbeeld door de cultuur en de adat te bevrijden uit de ketenen van de machten en het eigenbelang. Zo stelde het Woord de grenzen van een vernieuwde cultuur en adat vast. Het is echter duidelijk dat het kersteningsproces onaf, de kerkvorm tijdelijk en de christelijke levensvorm soms nauwelijks herkenbaar is. In deze spanning tussen continuïteit en discontinuïteit is echter ook het patroon van de Geest te ontdekken.
Enige jaren geleden werd in de omgeving van Rantepao een groot christelijk dodenfeest gehouden. Niet zonder gevoel voor dramatiek had de familie bovenop de gevel van het huis, waarin de dode opgebaard lag, een bijbeltekst laten schilderen. De tekst verwoordde de heilsverwachting voor de geliefde dode, maar getuigde ook van ervaring van de nabije God. Het was het woord dat Jakob in Bethel sprak, nadat hij in een visioen een eran di langi' (hemeltrap) had gezien: 'Hoe ontzagwekkend is deze plaats. Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels' (Gen. 28 : 17). Wanneer christenen in Tana Toraja zo'n woord temidden van de dood kunnen spreken, lijkt hierin iets zichtbaar te worden van de hoop van de oude adatleider, die wij aan het begin van dit hoofdstuk ontmoetten: Puang Matua, de verre God, is nabij gekomen. Terugziend op het door ons beschreven tijdvak, is dit ook het beeld dat voor ons oprijst. Het Woord van God heeft in het Torajagebied grenzen verlegd. De Geest heeft vele tegenstellingen overbrugd.
We feliciteren dr. B. Plaisier met de voltooiing van zijn studie. Voor ieder, die van harte betrokken is bij de 'loop van het Evangelie' door deze wereld en tevens zich verbonden weet met de arbeid van de GZB, biedt dit boek veel lezenswaardigs. Al is het een studie op academisch niveau geschreven, het leest gemakkelijk omdat het zo boeiend en vloeiend is samengesteld. Het zet tegelijk tot nadenken over de zo ingrijpende vragen van de communicatie van het Evangelie, ook in onze tijd. Het Evangelie legt een route af door de volken en temidden van de culturen in deze wereld. Het blijkt nimmer in reincultuur te bewaren te zijn. Het gaat tot mensen in hun leefwereld en cultuur in. Het bereikt wel zijn doel: de verlossing en bevrijding van mensen door het geloof in de éne Naam onder de hemel gegeven. Wie Plaisiers boek aanschaft, moet wel in de beurs tasten. Hij of zij krijgt er een waardevol bezit voor terug. Het boek is voorzien van vele foto's uit de jaren hier beschreven.
J. Maasland
(dr. B. Plaisier: Over bruggen en grenzen. Boekencentrum, ƒ 97,50)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's