De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Doperse tendensen in onze tijd (6)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Doperse tendensen in onze tijd (6)

9 minuten leestijd

Een vorig keer toonde ik de totstandkoming van Chalcedon aan. Na jarenlange worsteling kwam men tot een duidelijke formulering van de twee-naturenleer van Christus. Van deze formulering kan men zeggen, dat zij het dichtst bij diverse Schriftgegevens staat. Minder heeft men niet kunnen zeggen. Veel meer was er niet te zeggen. Men heeft, voorzover ik dat kan beoordelen, het mysterie niet rationeel onder woorden willen brengen. Integendeel, het mysterie is mysterie gebleven.

Maria
In tegenstelling tot de gereformeerden erkenden de dopers Chalcedon niet. De uitspraken van Chalcedon vonden zij te filosofisch. Aangezien vrijwel iedere vorm van filosofie door hen van de hand werd gewezen, werd dus ook Chalcedon niet erkend. Nu moeten wij niet menen, dat zij dit zonder enige reden deden. Het heil in Christus betekende voor hen alles. Daaraan mocht in geen geval getornd worden. Het heil in Christus zagen zij in gevaar gebracht, wanneer dit op enige manier in relatie zou kunnen worden gebracht met het vlees van Maria.
De vraag is dan wel, hoe het kind van Bethlehem in relatie staat tot Maria? Dat Hij geboren is uit Maria is buiten kijf. Aan Lukas 2 werd door de dopers dan ook niet getwijfeld. Maria was echter niet zijn echte moeder, doch zijn pleegmoeder.
Men moet het zich als volgt ongeveer voorstellen: 'Christus had slechts gebruik gemaakt van Maria, zoals het water door een goot stroomt, zonder zelf iets van de substantie van die goot te hebben'. Dat Christus in ons zondig vlees is geboren, werd daarmee ontkend. Het is te begrijpen, dat de gereformeerden tegen dit alles zijn opgekomen. In dat verband denk ik niet alleen aan Calvijn, maar niet minder aan Guido de Brès. Trouwens, ook Caspar Olevianus en Zacharias Ursinus hebben in de Heidelbergse Catechismus aan dit alles aandacht gegeven.
Met klem zeiden de gereformeerden, dat Maria maar niet was de pleegmoeder van Christus en als het ware als een goot had gediend om het schone water daar doorheen te laten. Neen, Maria was de echte moeder van Christus. In haar vlees trad het heil van God in Christus binnen de werkelijkheid van een verloren eii zondig bestaan.
Van Luther, maar ook van Kohlbrugge zijn de gevleugelde woorden: 'Hoe dieper wij Christus in de natuur en in het vlees kunnen trekken, hoe troostrijker dit voor ons is'.

Diep in ons vlees
Inderdaad is het een troostvolle gedachte, dat Christus ons vlees heeft aangenomen. Zeg maar gerust: ons goddeloze vlees. Waar zouden wij blijven als Hij dit niet had gedaan?
't Is ook voor het pastoraat van zo'n groot belang niet alleen hieraan vast te houden, maar dit ook te benadrukken.
Op het bezoekwerk komen de ambtsdragersjongeren en ouderen tegen, die zich afvragen of het heil wel voor hen bestemd is. Zij hebben zich – zoals zij zeggen – leren kennen als een goddeloze. Wanneer zij zien op zichzelf, kunnen zij niet geloven, dat de Zaligmaker voor hen op aarde wilde komen. Als zij wat minder goddeloos waren, zou het misschien wel kunnen, maar nu – zoals zij zijn – is het onmogelijk. Wat moet men in zo'n gesprek als ambtsdrager doen? Wijzen op Christus, die zo diep in ons goddeloze vlees is gekropen, dat Hij de grootste der zondaren kan helpen. Ja, niet alleen kan helpen, doch ook wil helpen.
Wie iemand moge zijn, wat men uitgehaald moge hebben, maar op Jezus Christus als Zaligmaker van zondaren mag altijd worden gewezen. Ik kan het bovendien niet nalaten, om nog eens erop te wijzen, hoe het aanbod van genade tot allen mag uitgaan. Daarin behoeft men zich geen beperking op te leggen. Royaal en welmenend mag tot een ieder gezegd worden, dat Jezus Christus zo diep in ons vlees is 'gekropen', dat een ieder – wie hij mag zijn – door Hem geholpen en gered kan worden. Het zal ons duidelijk zijn, dat wij nooit te hoog van Jezus Christus als waarachtig mens en waarachtig God kunnen opgeven. In prediking en pastoraat behoeft de deur niet op een kier, maar mag deze wagenwijd open worden gezet.
Nooit of te nimmer behoeft men aan Hein te twijfelen of te wanhopen. Wat een troost! Ook als wij zien, dat onze kinderen wegen opgaan, die van Jezus Christus afvoeren. Als ouders kunnen wij het daarmee moeilijk hebben. Zelfs nachten van wakker liggen, omdat wij niet meer weten, hoe ons kind terecht kan komen.
Het gebeurt wel, dat ouders menen hun kind te moeten afschrijven. Ons kind – zo zeggen zij – kan nooit een kind van het Koninkrijk worden. Wat hij òf zij laat zien, is te ernstig ofte groot dan dat het vergeven zou kunnen worden.
Met deze dingen te zeggen, moet men toch voorzichtig zijn. Christus is zo diep in ons zondig vlees 'gekropen', dat Hij ook ons kind kan helpen. Nooit of te nimmer moeten wij daarom ons kind afschrijven. Wij moeten zien op Hem Die alle ongerechtigheid op Zich heeft genomen en heeft weggedragen. Werkelijk, Hij heeft genade overvloeiende verworven voor de grootste der zondaren.
Het zou op een bepaalde manier dopers zijn om te denken dat het offer van Jezus Christus niet genoegzaam is voor de zonde der ganse wereld. Dat was het en dat is het!
De vleeswording van Christus moeten wij niet in twijfel trekken, maar er troost uit putten. Jezus Christus is echt mens geworden. Hij is geboren uit de maagd Maria. Uit een vrouw van vlees en bloed. Zijn historisch mens-zijn is een werkelijkheid.

Duizend maal in Bethlehem geboren
Een ieder kent wel het rijmpje: 'Ook al was Jezus duizend maal in Bethlehem geboren, en niet in mijn hart, dan is het nog voor altijd verloren'.
Met name in de adventsweken en op de kerstdagen wordt dit nog wel eens in de prediking geciteerd.
De bedoeling van dit rijmpje zal ons duidelijk zijn. Men wil ermee zeggen, dat Christus in ons hart gestalte moet krijgen, zodat wij door het geloof weten, dat Hij onze enige troost is in het leven en in het sterven.
Tegen dit alles is niets in te brengen. Het gaat er inderdaad om, dat Christus door de Heilige Geest als onze Zaligmaker wordt verklaard en wij Hem in het geloof omhelzen.
Het is volkomen terecht als iemand zegt: 'Nooit zal mijn last mij zijn ontbonden, tenzij ik Christus heb gevonden'.
Toch moeten wij met name in onze gezindte ervoor oppassen, dat wij van de weeromstuit niet dopers gaan worden. Wat ik daarmee bedoel: Niets meer en niets minder dan dat wij alleen gefixeerd zijn op de Christus in ons. Van Ruler zou zeggen: gefixeerd worden op de innerlijke Christus, die zelfs de eeuwige Christus gaat worden. Met dit laatste bedoelt hij dat alle tijd wegvalt. Men beleeft zichzelf alleen zoals men voorkomt in de eeuwige raad. In de mystiek van alle eeuwen – zo schrijft Van RuIer – is de innerlijkheid altijd gehuwd geweest aan de eeuwigheid. Maar met het christendom heeft dit alles niets meer te maken.
Het mystieke heeft altijd het gevaar in zich, dat het geen objectieve criteria kent. Het speelt zich afin het innerlijke van de mens, maar dat het gelegd kan worden naast het Woord, kan men niet zeggen.
Wellicht ga ik in mijn beoordeling iets te ver, als ik stel dat de bevinding des geloofs altijd opkomt uit het Woord, maar dat dit van de mystiek bepaald niet altijd is te zeggen. Ik mag daarom wel deze pastorale opmerking maken, dat alles, wat wij bevinden òf ervaren, getoetst moet kunnen worden aan het Woord. Naast wat men bevindt, moet men de Schrift kunnen leggen. Ik zou bevinding als volgt derhalve willen omschrijven: De Schrift keert zich tot het hart en omgekeerd gebeurt precies hetzelfde: het hart keert zich tot de Schrift. Wanneer bevinding op die manier wordt verstaan, blijven wij uit het nevelig gebied van de mystiek. Hoe nevelig dat gebied kan zijn, maken diverse geschriften van J.G. Woelderink ons duidelijk. Terecht heeft hij bij deze zieke plek de vinger gelegd.
Het bovenstaande was even een uitstapje. Ik keer terug tot wat ik schreef over de innerlijke Christus. Alsof Christus dus in ons het één en al zou zijn.
Wie dit zó stelt, toont – hoewel hij zich dat wellicht helemaal niet bewust is – een zekere minachting voor de historische Jezus en Zijn werk. Bethlehem, Golgotha, de hof van Jozef van Arimathéa zijn in de opvatting van de innerlijke Christus gebeurtenissen, waaraan geen waarde wordt gehecht.
Wat wordt evenwel vergeten? Allereerst dat wij Christus nooit zouden kunnen leren kennen, als Hij niet werkelijk op aarde was geweest en Zijn offer had gebracht. Toepassing en toeëigening kunnen alleen maar plaatsvinden, omdat het heil historisch is, d.w.z. het heil is in een bepaalde tijd op deze aarde verworven door Jezus Christus, waarachtig God en waarachtig mens. De verwerving van het historische heil zal men niet mogen minachten. Wij zullen wat dat betreft altijd met twee woorden moeten spreken.
In zijn boek 'Priesterlijke prediking' van de hand van W. Kremer is het mij weer eens opgevallen, hoe hij steeds opnieuw met twee woorden spreekt, nl. verwerving en toepassing. Het heil is verworven door Jezus Christus in de historie en het wordt door de Heilige Geest toegepast in het hart van de gelovigen. De Jezus, die wordt toegepast en toegeëigend, is volstrekt geen andere dan die op Golgotha het heil heeft verworven.
Heel eenvoudig gezegd: De Jezus van Golgotha, nu bijna 2000 jaar geleden, is exact dezelfde die nu in de harten van de Zijnen leeft.
Waarom op dit alles zo de nadruk gelegd? Om te onderstrepen, dat de incarnatie, het offer en de opstanding van Christus even geweldige gebeurtenissen zijn als de toepassing en de toeëigening.
Wanneer men alle nadruk legt op de innerlijke Christus, haalt men niet alleen de christologie en de pneumatologie door elkaar, maar laat men de christologie opgaan in de pneumatologie. Van zindelijk denken is dan geen sprake meer, maar wat erger is: men doet aan Jezus Christus en Zijn werk ernstig tekort.
De gnostiek is over het historische van Christus altijd gestruikeld. Zij wilde steeds extreem-christelijk zijn, maar was als zodanig de vijand, waardoor het christelijk geloof in alle tijden het ergst is aangevochten.
Ik wil met een citaat van A.A. van Ruler eindigen, hoewel ook J.G. Woelderink dit had kunnen schrijven. Van Ruler schrijft: Een gnosticus of doper 'wil boven het historische uit'. Men wil de hogere, echt geestelijke kennis, boven het eenvoudig geloof, dat in gehoorzaamheid zich aan het gezag van apostolische evangelie onderwerpt en daarop steunt, uit. Men wil de waarheid achter de waarheid.
Houden wij ons aan het geopenbaarde Woord! Dan dwalen wij niet!
(Wordt vervolgd)

G.S.A. de Knegt, Barneveld

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Doperse tendensen in onze tijd (6)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's