De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

9 minuten leestijd

Van de jaarlijks terugkerende kerkhistorische reizen in het najaar geven we ook elk jaar een impressie in deze kolommen. Van jaar tot jaar is ook een fraai, geïllustreerd verslag van de reis gemaakt (door A. de Visser, Middelharnis; dit jaar samen met H. Natzijl, Utrecht). In de impressie, die we dit jaar gaven in dit blad, maakten we ook gewag van de ontmoeting met een joodse man in het voormalige getto van Krakau. In het genoemde verslag staat daarover het volgende, met één gedicht van een van de reizigers:

'We wandelen nu naar de wijk Kazimiorz, de oude vervallen Joodse wijk. Nu maakt deze wijk organisch deel uit van de stadagglomeratie, maar eens was het een afzonderlijke Joodse stad, gevestigd in 1335. In de oude synagoge is een judaïstisch museum ondergebracht, dat we bezien. Daarna komen we in de Remuh-synagoge die nog voor de eredienst wordt gebruikt. De Remuh-begraafplaats in de Szerokastraat wordt beschouwd als de oudste en mooiste Joodse begraafplaats in Europa. Tijdens opgravingen werden er grafstenen uit de renaissancetijd ontdekt. In de oorlog werden de stenen weggehaald, maar daarna weer geordend geplaatst. Van een aantal stenen is een muur gemaakt. Dit is een indrukwekkend gezicht. Een bejaarde Joodse man die daar loopt, vertelt dat van de zeventigduizend Joden die in deze wijk woonden er nog 180 over zijn. Die zijn meest bejaard. Hij heeft zelf ook in verschillende kampen gezeten. Al zijn familie is omgekomen.

Maar al 't verdriet is niet in woorden neer te leggen.
Ook niet in tranen, al dit grote leed.
Slechts in gebed Heer, leer het ons te zeggen:

dat ik bij alle weelde nu, ook dit onzegbaar lijden niet vergeet.
Zegen dit volk, Heer, en bescherm hun kinderen,
hun namen leg ik in uw handen neer.
Leid hen door alle leed ten alle tijde.
Geef na dit alles het verblijden in Uwe Naam en grote daden weer.

Hier nog een impressie over de Jood,
daar op dat kerkhof, die door Zijn eenzaamheid zo'n indruk op me maakte;
Krakau '93.

We keken 't oude Bondsvolk in de ogen,
en lazen daar alleen een groot verdriet.
Maar toen 't "shalom" weerklonk, glansden diezelfde ogen,
en keken ze als in een ver verschiet.'

Nel den Hengst-Verhagen


Op zaterdag 11 december l.l. werd in Ede het 40-jarig bestaan gevierd van de Christelijke Hogeschool Felua. Tot de oprichters van de kweekschool, later pedagogische academie, in 1954 behoorden uit hervormd gereformeerde kring o.a. ds. J. van Sliedregt en ds. A. Vroegindewey. Ter gelegenheid van het jubileum werd een kloek gedenkboek uitgegeven, 'Felua, veertig jaar christelijk opleidingsonderwijs in Ede, 1954-1994'. Hieruit nemen we over het pleidooi, dat wijlen prof. dr. F.C. Gerretson (Geerten Gossaert) In juni 1955 in de Eerste Kamer voerde voor bekostiging van Felua:

Een pleitbezorger in de Eerste Kamer
In juni 1955 wordt in de Eerste Kamer de rijksbegroting voor Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen behandeld. Eén van de woordvoerders is professor Gerretson.

In een uitgebreide beschouwing wijst hij de minister op de zijns inziens niet al te rooskleurige personeelsvoorziening in het onderwijs.
'Des te meer zal de minister zich dienen te beijveren om de weinig of niet aangesproken reserves van adspirant-onderwijzers zo snel mogelijk in exploitatie te brengen. Dat is in de afgelopen jaren stellig niet altoos voldoende gebeurd. Ik neem nu als voorbeeld een gewest, dat ik door inwoning nogal goed ken: de Veluwe. Het is van oudsher een typisch Protestantse streek. Terwijl de Christelijk Protestantse partijen in het land 24 pct. der stemmen uitbrachten, was dit op de Veluwe 48 pct. Hier leeft nog een kinderrijke, goeddeels orthodoxe boerenstand, die een deel van zijn jongens en meisjes gaarne geeft voor de school, mits voor de school van zijn richting, de Hervormd- of Gereformeerd-Christelijke.'
Vervolgens noemt Gerretson de in Ede gestarte parallelklas. Hij vindt dat we daarmee 'onder déze Minister' op de goede weg gekomen zijn.
'De grote toeloop van leerlingen (…) bewijst, dat de behoefte reëel is. Ik geef mij niet uit voor een groot opvoedkundige, als zijnde zelf volkomen onopvoedbaar gebleken, maar ik heb misschien wel wat kijk op kinderen en op grond van wat ik er zo zelf van gezien heb, durf ik de Minister wel verzekeren, dat het slag leerlingen goed tot zeer goed is.'
Hij dringt er bij de bewindsman op aan de kweekschool in Ede zo spoedig mogelijk volledig te erkennen.
'Ook met het oog op de vorming van het eigen karakter der school is het noodzakelijk, dat zij thans spoedig onder vaste leiding komt.
Ik houd er niet zeer van, locale of regionale belangen te bepleiten, maar ik doe het in dit geval graag en met overtuiging. Of de volle erkenning, zoals men hoopt, met 1 september e.k. nog mogelijk is, waag ik niet te beoordelen. Maar met de toezegging, dat hij het begonnen werk zospoedig doenlijk voltooien zal, zal de Minister mijn fractie en mij zelf een groot genoegen doen. Hij zal van deze school zeker plezier hebben.'

Prof. F.C. Gerretson (1884-1968) was lid van de CHU en vertegenwoordigde die partij van 1951-1956 in de Eerste Kamer. Als dichter is hij bekend onder het pseudoniem Geerten Gossaert. Hij publiceerde in 1911 zijn verzenbundel 'Experimenten'. Gerretson woonde in Utrecht, maar bracht de zomer vaak in Epe, op de Noord-Oost-Veluwe door.


Bij uitgeverij Kok te Kampen verscheen een bundel met de mooiste gedichten van Aart van der Leeuw (1876-1931). Daaruit het prachtige, bekende gedicht De dieren.

De landman gaat, nu de avond is gevallen,
En de arbeid slaapt, voor 't laatst zijn hoeve rond;
Hij keurt het werk der knechts in schuur en stallen.
En als zijn schaduw volgt hem trouw de hond.

Hij toeft bij 't vee, en luistert hoe het ademt:
Rond schoft en horen hangt een warme damp,
Die met een geur van zomer hem bewademt,
En in een nimbus nevelt om de lamp.

Dan loopt hij tastend langs de ruif der paarden,
Verwelkomd door een dreunend hoefgeklop:
Hij spreekt hen aan, en streelt een ruig behaarde,
Een speels hem toegestoken manenkop.

En als hij eindelijk, rustig na 't volbrachte,
De handen boven 't vlammend houtvuur heft,
Vervult hem nog de onroerende gedachte
Aan wat rondom hem leeft en 't niet beseft.

Hij peinst, en leest in 't boek met kopren sloten
Het hoofdstuk uit dat Noach's tocht beschrijft,
Hoe de arke met haar simple reisgenoten
Lang op de oeverloze zondvloed drijft.

Gans in het wonderbaar verhaal verloren,
Terwijl hij mijmrend in de haardgloed staart,
Lijkt het hem of, door God daartoe verkoren,
Hij met zijn dieren over 't water vaart.


Wordt soms de tekst uit Mattheüs 12 vers 20 (verwijzend naar Jesaja 43 vers 3) over het gekrookte riet, dat niet verbroken wordt, en de rokende vlaswiek, die niet wordt uitgeblust, niet al te eenvoudig betrokken op geestelijke bekommernis? Prof. dr. J. van Bruggen zegt in zijn uitleg van Matthëus:

'Bij Matteüs 12, 20a denken vele uitleggers aan een verwijzing naar Jezus' ontferming over de zwakken en zieken in Israël: "Het geknakte riet zal Hij niet stuk breken, en de walmende pit zal Hij niet doven". Nu is dat enigszins vreemd. Er wordt Immers niet gespro ken over het helen van wonden en het herstel van wat gekneusd of uitgedroogd was. Slechts negatief formuleert Jesaja 42, 3 wat de Knecht zal doen: Hij zal niet stukbreken of doven. Hoe moeten we deze woor den opvatten binnen Jesaya 42 zelf?
Wanneer wij nu terugkeren naar Matteüs 12, 20 blijk dit vers uit Jesaja een goede aansluiting te hebben bij de situatie van Jezus op dit moment (Mt. 12, 15-16). Zijn eigen geestelijke familieleden waarop Hij had moeten kunnen leunen (de Farizeeën), stellen teleur en zijn voor Hem als een geknakte staf die juist doet zwikken en struikelen. En de geestelijke leidslieden die voor het volk juist hun licht hadden moeten doen stralen over Jezus als de messias, zijn als een droog gebrande vlaspit in het olielampje: zij walmt en geef roet maar verlicht niet. Zo plaatsen de voorgangers in de synagoge Jezus niet in het licht, maar zij maken Hem zwart en verduisteren zijn optreden in Israël. Jezus weet daarvan. Toch verbrijzelt Hij de Farizeeën niet en Hij knijpt degenen die zijn dood beramen niet fijn. Hij laat hen. Hij laat toe dat men Hem in de steek laat. Hij laat zich in het duister zetten. Hij wreekt zich niet, maar duldt. Zo wijkt Hij uit (12, 15), naar de profetie (12, 19-20).
In Matteüs 12, 20b-21 vinden wij een verkorte weergave van Jesaja 42, 3b-4. In Jesaja 42 lezen we dat de Knecht naar waarheid het recht zal openbaren. Hij zal zelf niet kwijnen of geknakt worden totdat Hij op aarde het recht heeft gebracht en op zijn wetsonderricht zullen de kustlanden wachten. Dit is verkort door Matteüs: "Totdat Hij het recht voorgoed doet zegevieren: en op zijn naam zullen volken hopen". Zakelijk komt dit wel overeen met Jesaja 42. De profeet belooft dat de Knecht niet ten val zal worden gebracht zonder dat Hij juist het recht of het gericht brengt en uiteindelijk zal Hij zo de hoop der naties worden.'


• Charles Haddon Spurgeon zegt in een preek over Jesaja 42 : 3 er het volgende van, verwijzend naar Mattheüs 12 : 20:

'Wanneer de Heere van veroordeling tot vrijspraak voert, dan zal dat geheel betreffen het gekrookte riet en de rokende vlaswiek van de hypocriet, de farizeeër, de formalist, de wetticist en iedere andere tegenstrevers. Gewoonlijk worden die woorden zo opgevat dat Jezus Christus zachtmoedig zal omgaan met schuchtere gelovigen, en deze opvatting is niet verwerpelijk; want in de eerste plaats is dat waar; en, in de tweede plaats, is het buiten deze tekst om ook waar, want als onze Heere Jezus in Zijn leven zelfs voor hypocrieten zachtmoedig was, hoeveel te meer zal Hij dan zachtmoedig zijn voor oprechte maar schuchtere zielen. Als het waar is dat Hij zelfs de rokende vlaswiek van een Farizeeër niet uitblust, hoeveel te meer zal het waar zijn dat de rokende vlaswiek van een boetvaardige niet zal worden gedoofd.'

J. van der Graaf

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1993

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's