Kerkelijk besef vandaag
Tussen hoogkerkelijk en laagkerkelijk
Het rechte kerkelijk besef heeft allereerst te maken met het zicht dat we hebben op de kerk. De kerk is geen menselijk zaakje, geen bedrijf of organisatie; de kerk is niet van mensen of van groepen mensen. De kerk is des Heeren. Christus heeft de sterren in Zijn rechterhand. Hij heeft het voor het zeggen. Christus wandelt temidden van de zeven gouden kandelaren ofwel de gemeenten. Hij is er om zo te zeggen dagelijks op inspectie. Wanneer we dat uit het oog verliezen, verliezen we de echte hoogheid van de kerk uit het oog, of we nu hoogkerkelijk of laagkerkelijk zijn.
Het hoge van de kerk is intussen maar al te zeer neergehaald vanwege de grote verdeeldheid van de kerk. Het ene Lichaam van Christus is in de concrete gestalte van de kerk niet meer te onderscheiden. Christus wandelt temidden van de zeven kandelaren, maar Hij moet gedogen, dat Hij zeventig maal zeven kandelaartjes ontwaart. Alle hoogkerkelijke besef breekt in ieder gevàl al stuk op de laagkerkelijke praktijk in deze.
Nochtans zullen we boven alle verdeeldheid en verscheurdheid uit toch de kerk als het ene Lichaam van Christus belijden. Al onze kerken en kerkjes zijn nochtans aan die ene kerk ondergeschikt.
Gemeenschap
Maar verder leven we allen nu eenmaal in een concrete, historisch en geografisch bepaalde kerkelijke situatie. De vraag is hoe kerkelijk besef dàn en dáárin gestalte krijgt in de kerkelijke praktijk.
Ook binnen de concrete kerk, waartoe we behoren, hebben we dan allereerst in het oog te houden, dat die kerk van Christus is; dat de kerk – dat wil zeggen alle gemeenten samen – niet alleen maar tot het Lichaam van Christus behóórt maar Lichaam van Christus ìs.
Dan komt echter wèl de vraag naar de rechte geméénschap op. Vertonen we als kerk, in alle gemeenten, het beeld van Christus?
Wordt de gemeenschap met Christus ook metterdaad beoefend? Dat zal dan ook tot uitdrukking komen in de rechte gemeenschap met elkaar.
Gemeenschap is als zodanig een diep woord binnen de kerk. Spreken we in de kerk over gemeenschap, dan bedoelen we namelijk belijdende, zeg ook gelóvende gemeenschap. Ieder gelooft en belijdt maar niet op eigen houtje of voor het eerst maar in gemeenschap met anderen: gelovigen vóór ons, die het geloven al hebben ingewisseld voor aanschouwen, gelovigen vandáág en gelovigen morgen; kortom we belijden met de kerk der eeuwen, van alle tijden en plaatsen.
De vraag is nu hóé het met die gemeenschap is gesteld. Toen de Nederlandse Hervormde Kerk in 1951 een nieuwe kerkorde kreeg, heeft ze een hoge greep naar zulk een belijdende gemeenschap gedaan. Ze zou belijden in gemeenschap met de belijdenis der vaderen. Maar had die gemeenschap wel echt een gemeenschappelijk accoord als basis? Of zijn we er stilzwijgend vanuit gegaan, dat ieder, die zègt in gemeenschap met de belijdenis der vaderen te leren en te handelen, ook geàcht wordt dit te doen?
Dezer dagen had ik een nagesprek met een predikant uit het midden van de kerk, na een bezinningsavond over Samen op Weg. Hij zei, dat hervormd gereformeerden vóór hebben op anderen, dat ze samen één oriëntatiepunt hebben, namelijk in de gereformeerde belijdenis. In de brede ruimte van de Hervormde Kerk kunnen anderen elkaar namelijk niet (meer) aanspreken op wat ze gemeenschappelijk geloven en belijden.
Ik heb daar lang over nagedacht. Dàt was de bedoeling van de kerkorde van 1951 toch niet? Toen ging het toch om een rechte belijdende gemeenschap? Wat genoemde predikant zei, is intussen wel waar. De Hervormde Kerk wilde belijdende kerk zijn. Maar wat wil(de) ze nu echt belijden, als het niet de belijdenis naar haar inhoud is? Op welk belijden beroept men zich dan wel? Feit is intussen, dat een gemeenschap, die niet teruggaat op wat echt gemeenschappelijk beleden wordt, zich tenslotte verloopt in individualisme. Daar heeft het kerkelijk leven vandaag veel van weg.
Tegelijkertijd mogen we elkaar, als we de Schrift als regel des geloofs en de belijdenis als spreekregel van de kerk en als accoord van kerkelijke gemeenschap zien en aanvaarden, vragen of we ook inderdaad díé gemeenschap beleven en in praktijk brengen, die mèt dat belijden gegeven is.
Kerkelijk besef breekt enerzijds stuk op gebrek aan confessionele gemeenschap en anderzijds op lippentaal, die geen gemeenschappelijke hartetaal is.
Gemeente
Dit brengt mij op de gemeente. In de gemeente krijgt, als het goed is, de gemeenschap vlees en bloed. De kerk is daar, waar de gemeente is. Dáár alleen krijgt gemeenschap in geloof en belijden concreet gestalte: òp en ònder de kansel, bij de doopvont en aan de avondmaalstafel. Daar, in de gemeente, vindt ten diepste de verbondsgemeenschap plaats, met Christus en met elkaar. Als het daar niet gebeurt, gebeurt het nergens. De gemeente is als zodanig een geestelijke graadmeter voor de kerk.
Als we dat zo echter zeggen, dan voegen we daar direct aan toe, dat het dan óók gaat om àlle gemeenten sámen. Het zou toch niet zo mogen zijn dat, wanneer mensen verhuizen van de ene gemeente naar de andere, ze soms het gevoel krijgen, opeens in een heel andere wereld terecht te zijn gekomen. Helaas is dat echter vaak toch wel het geval. Met het gevolg, dat mensen de gemeenschap met de nieuwe gemeente soms al spoedig verbreken. Er blijkt dan eigenlijk nauwelijks kerkelijk besefte zijn. Er is kennelijk slechts gemééntelijk besef, en dan soms ook nog slechts zo lang het duurt, in het slechtste geval zelfs zolang de dominee 'duurt'. Er zouden hier voorbeelden te noemen zijn van streken – nieuwe gebieden – waar mensen zich in groten getale vestigden en waar zij, die er nooit over gepeinsd hadden de Hervormde Kerk ter plaatse, waar ze eerst woonden, te verlaten, in hun nieuwe gemeente direct koers zetten naar een andere kerk. Het kerkelijk besef zàt niet zó diep.
Anderzijds is kennelijk de kerk zo pluraal geworden, dat de geméénschap niet meer echt wordt beleefd. We zeiden al, dat dit het kerkelijk besef ook principiéél ondermijnt.
Echter heeft ook de kerk zelf het kerkelijk besef soms danig ondermijnd, bijvoorbeeld door perforatie van gemeenten principiéél toe te staan. Met deze beslissing is een ingrijpende ontwikkeling in gang gezet. Het is één van de ernstigste beslissingen van de naoorlogse jaren. Ik wil niet ontkennen, dat er soms vanwege bijzondere pastorale noden bijzondere wegen bewandeld moeten worden. Maar de kerk heeft met deze heilloze beslissing inzake perforatie het basisprincipe van de gemeente losgelaten. Daarmee heeft ze niet alleen tóégestaan, dat leden der gemeente hun gemeente de afscheidsbrief geven, ze heeft het zelfs bevorderd.
Beschamend is hier overigens wel, dat perforatie niet in het minst plaats vindt tussen gemeenten, die voor elkaar niet willen onderdoen als het gaat om Schrift en belijdenis.
We gaan nog een stapje verder. Wanneer de nieuwe kerkorde een feit wordt, en daarmee een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland, zullen er in principe vier typen gemeenten zijn: hervormde, gereformeerde, lutherse en verenigde gemeenten. In allerlei gemeenten zal men zich dus, bij het inleveren van de attestaties, vooraf moeten afvragen bij welke gemeente men wil aansluiten. Van enig kerkelijk besef kan zo toch geen sprake meer zijn? De kerk is bij voorbaat opgedeeld in gemeentetypen. Wat nu is de geméénschapsgedachte kerkelijk nog waard, wanneer bij voorbaat de kerk in losse gemeentelijke eilandjes wordt opgedeeld? Een kerkelijke archipel!
Maar ook hier keren we de blik naar binnen. We mogen ons ook afvragen wat in hervormd gereformeerde kring gemeenschap ten diepste betekent. Is gemeenschap de dragende grond van echt kerkelijk besef en als zodanig ook voor het verzet tegen Samen op Weg? Wanneer vandaag vanuit hervormd gereformeerde kring breed en in grote gemeenschappelijkheid verzet wordt aangetekend tegen de verenigde protestantse kerk, die in voorbereiding is, mogen we ons afvragen, waarom niet alle kansels in hervormd gereformeerde gemeenten ten principale open staan voor alle dienaren des Woords, die niets anders begeren dan overeenkomstig de Schrift en naar de belijdenis van de vaderen de kerk te dienen. Als vandaag accoladen worden geslagen in bepaalde concrete protesten, moet men zich dan ook die vraag niet eerlijk stellen? Wanneer men zich immers aan elkáár verplicht en jegens de kèrk verplicht in één gemeenschappelijk getuigenis, dient dat dan ook niet verder in kerkelijke gemeenschap tot uitdrukking te komen?
Dit heeft dunkt mij alles te maken met kerkelijk besef, besef namelijk dat we samen naar Schrift en belijdenis verantwoordelijk willen zijn voor het geheel van de kerk.
Ambt
We bezinnen ons hier vandaag op het punt van het kerkelijk besef overigens sámen met studenten in de theologie, mensen dus, die goeddeels straks als dienaar van het Woord in de kerk zullen staan. Voor hen heeft kerkelijk besef straks alles te maken met ambtelijk besef. Onze kerk, met alle gemeenten daarbinnen, wordt ambtelijk geleid. Dat ambtelijke behoort zelfs tot het belijden zelf Artikel 30 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis, dat handelt over de kerkelijke ambten, zegt:
'wij geloven dat deze ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie, die ons onze Heere geleerd heeft in Zijn Woord'. Daardoor wordt de ware religie onderhouden en zal de ware leer haar loop hebben. Driemaal wordt hier het woord 'waar' gebruikt: wáre kerk, wáre religie, wáre leer! Dus is het niet om het even hoe we over de ambten denken en hoe we het ambt in praktijk brengen. Door middel van de ambten zullen ook 'alle dingen in de kerk wel en ordelijk toegaan.'
Het is de hoge greep van de Reformatie geweest, dat ze de ambten als zodanig in het kerkelijk belijden heeft opgenomen. Dat mag dáárom opvallend heten, omdat de hóógkerkelijkheid van de kerk in die da gen door de reformatoren fundamenteel onder kritiek werd gesteld. De kerkelijke structuur, waarbij de geestelijkheid het geheel voor het zeggen had, drong immers het gezag van het Woord terug.
Juist de reformatoren hebben het gewaagd het Woord Gods ook in handen te geven van de gemeenteleden, van de leken. Maar het heeft de reformatoren toch niet verhinderd te kiezen voor een ambtelijk geleide en een ambtelijk gelede kerk. Kerk en gemeente werden enerzijds niet geheel ondergeschikt gemaakt aan de bijzondere ambten, want het ambt der gelovigen mocht er ook zijn. Maar anderzijds had, zo besefte men, het ambt der gelovigen ook leiding nodig vanuit het bijzondere ambt, dat als 'tegenover' van Christuswege ten opzichte van de gemeente zou fungeren. Als zodanig koos de Reformatie voor een structuur, die lag tussen hoogkerkelijk en laagkerkelijk. De Reformatie ging wat ik wil noemen een middenkerkelijke weg. De gemeente mocht in eigen taal de grote werken Gods horen, mocht meelezen, meezingen en meedoen. Maar het bizondere ambt werd wel gehandhaafd. Dat zou wel Christus representeren.
In artikel 31 van de N.G.B. wordt de ambtsgedachte nader uitgewerkt. Ieder in de gemeente – zo wordt beleden – behoort 'de dienaren van het Woord en de ouderlingen der kerk in bijzondere achting te hebben', omwille van het werk namelijk dat zij doen. Maar van de dienaren van het Woord wordt gezegd: 'in wat plaats dat zij zijn, zo hebben zij een zelfde macht en autoriteit, zijnde altegader dienaars van Jezus Christus, de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd der Kerk.'
Hier wordt enerzijds het ambtelijk tegenover benadrukt. Hier wordt anderzijds ook de ambtelijke collegialiteit onderstreept. Het rechte ambtelijke besef komt dan ook op uit het besef, dat elke ambtsdrager niet meer is dan een schakeltje in een groot geheel, de tijden dóór en de wereld óver.
Ambtelijk besef verdraagt zich dan ook niet en nooit met individualisme.
Ambtelijke dienst zal ook niet mogen ontaarden in ambtelijk heersen enerzijds of ambtelijke rivaliteit anderzijds.
In de tijd van voorbereiding op het ambt van dienaar des Woords mag er dan ook al wel de rechte vooroefening zijn om te komen tot de rechte collegialiteit in de bediening van het ambt.
Is het nodig veel voorbeelden te noemen, die erop wijzen, dat het met de ambtelijke collegialiteit niet altijd zo best is gesteld?
Zou er één ambt of beroep ter wereld zijn, waar zo met Argusogen wordt gekeken naar hoe de collega het doet of maakt als in het ambt van dienaar des Woords? Alsof niet alle dienaren van het Woord, met de hun geschonken gaven en talenten, dienstbaar mogen zijn aan de opbouw van de gemeente, en zo alleen maar dienaren des Wóórds zullen zijn.
Maar met zorg constateren we ook, dat het soms schort aan collegialiteit in het ambt tussen kerkeraden en dienaren des Woords. In toenemende mate zijn er communicatiestoornissen, soms met het ingrijpende gevolg, dat dienaren van het Woord moeten worden losgemaakt van de gemeente. Het is niet voor niets, dat de kerk gekomen is met een rapport over disfunctionerende predikanten. Bij alle dis-communicatie, die er vandaag allerwegen is, mogen we ons afvragen, of zich hier óók niet wreekt, dat ambtelijk besef teloor gaat in eigentijds individualisme en eigentijdse mondigheid, zodat niet meer wordt beseft de hoogheid van het ambt, dat ook in gezamenlijkheid wordt uitgeoefend. Knaagt niet de tijdgeest allerwegen aan het ambt?
We zien verder, dat dienaren des Woords soms de kansel in hun gemeente vrijwel voor zichzelf alleen opeisen. Anderen hebben er geen toegang, zelfs diegenen niet, die vóór hen de gemeente dienden. In sommige gemeenten hebben zich zo ernstige versmallingen, afsnoering van het geheel en breuken met het verleden voorgedaan, met alle ongeestelijke gevolgen vandien.
Vandaag – onder aanstaande dienaren van het Woord – noem ik ook, dat oudere predikanten er soms moeite mee hebben ruimte te geven of ruimte af te staan aan diegenen, die staan aangetreden om de kerk te gaan dienen.
Wie echter, dit nu hier horende, instemmend knikt, diene zich ook af te vragen of men zelf de habitus zal hebben om het straks ten aanzien van deze voorbeelden anders te doen. In dit opzicht mag de vraag van de collegialiteit, ook al is dat nog geen ambtelijke, ook aan de aanstáánde dienaren des Woords worden gesteld. Geven studenten in de theologie elkaar de ruimte en waarderen ze bij elkaar wat ieder aan gaven en talenten heeft ontvangen? Of is er maar één oogmerk: hoe kom ik op de kansel?
Predikanten – en dat geldt ook voor rondprekende candidaten – zeggen soms, dat ze zo weinig waardering ontvangen. Maar ieder mag zich afvragen of men zelf ooit waardering tóónt aan anderen. Wijlen dr. Okke Jager heeft eens gezegd, dat het niet kunnen uiten van waardering òf uit egoïsme òf uit eigen innerlijke onzekerheid voortkomt. Maar uiteindelijk kon de ambtelijke collegialiteit daar in niet geringe mate onder lijden.
Kèrkelijk besef vraagt om àmbtelijk besef. En ambtelijk besef vraagt om collegialiteit en om ambtelijke gemeenschap. Die zal ook daarin tot uitdrukking komen, dat de één niet ongevraagd wiedt in het tuintje van de ander. Om verder maar te zwijgen van ambtelijke simonie.
Kerkelijk
Ik kom nu nog één keer expliciet terug op het praktiseren van kerkelijk besef in het geheel van de kerk. Onder kerkelijk besef versta ik dan bepaald niet, dat we zó kerkistisch hervormd zijn, dat we de broeders buiten de muren van onze kerk niet – in rechte gemeenschapszin, in geloof en belijden – op het oog zouden hebben. Onze kerk is als het erop aan komt niet méér dan een déél van de kerk van Christus. Er zal ook mee-léven, zelfs als het erop aankomt mee-lijden zijn, met het kerkelijke leven bij anderen. Wij constateren vandaag die grondhouding gelukkig zelf ook bij anderen in de kerkelijke moeiten, waarin we ons als hervormd gereformeerden bevinden.
Maar als we anderzijds het hervormd zijn zo hoog in het vaandel hebben, dat we daar in het Samen op Wegproces alles voor op haren en snaren zetten, dringt ook de vraag hoe we kerkelijk besef paren aan kerkelijke verantwoordelijkheid. Zullen we bijvoorbeeld ook verantwoordelijkheid willen dragen in het geheel van de ambtelijke vergaderingen? Hoe we het ook wenden of keren, in een presbyteriaal-synodaal geleide kerk is er maar één weg om tot kerkelijke besluitvorming te komen, namelijk middels de ambtelijke vergaderingen. Die ambtelijke vergaderingen – dat zij hier ook uitdrukkelijk gesteld – kunnen gaan heersen in plaats dat ze de gemeente dienen. Dan spreken we die kerkelijke vergaderingen aan op hun verantwoordelijkheid van Christuswege voor de gemeente, voor àlle gemeenten sámen en iedere gemeente afzonderlijk. Gehoorzaamheid aan Christus gaat boven alles. Maar anderzijds mag ook worden gevraagd of we allen wel echt meelijden áán en meestrijden ìn de kerk, op de plek waar ambtelijke verantwoordelijkheid wordt gevraagd. Zo niet, dan verlaten we de middenkerkelijke weg en belanden we òf in de laagkerkelijkheid òf in onkerkelijke ongebondenheid.
We zien ook allerwegen een laagkerkelijke weg. Hierboven is al gezegd, dat de kerk zelf wegen bewandelt, die het congregationalisme bevorderen. Wie echter opkomt voor Schrift en belijdenis en een kerkelijk leven voorstaat, dat zich in de volle traditie van de Reformatie beweegt, zal met een congregationalistisch kerktype niet willen en kunnen leven. Wanneer we in deze de laagkerkelijke weg wel gaan, kunnen we ons verzet tegenover Samen op Weg ook wel opgeven. Ieder vinde dan nog ergens een goed gemeentelijk onderkomen. We zijn dan het zicht op de kerk als geheel ten principale kwijt, inclusief het zicht op allen, die vanwege het genadeverbond tot haar behoren.
Het rechte kerkelijke besef heeft immers ook alles te maken met het rechte zicht op Gods Verbondshandelen. In dat licht heeft ooit het hervormd gereformeerde voorgeslacht geweigerd de weg te gaan, die Kuyperging, toen hij de Hervormde Kerk prijsgaf aan Jan Rap en zijn maat. Het zicht bleef op de volkskerkgemeente, om die gemeente als geheel – inclusief de dwalende schapen – te bearbeiden naar Schrift en belijdenis.
Ongetwijfeld is er vandaag her en der in de gemeenten nòg dat zelfde zicht. Maar meer en meer valt ook te signaleren, dat het isolement van de groep wordt gezocht en de gemeente als geheel, met daarachter ook de kerk als geheel, wordt prijsgegeven. Het ambtelijke speelt dan ook nauwelijks een rol meer.
Wie hervormd gereformeerden vandaag op kerkelijke inconsequentie betrapt, heeft daarmee niet altijd helemaal ongelijk.
Ten besluite
Ik sluit af. De kerkelijke verwarring is vandaag onvoorstelbaar groot.
Kerkelijk besef vanuit historisch besef is er vaak al helemaal niet meer.
Kerkelijk besef vanuit belijdende gemeenschapszin wordt allerwegen ondermijnd door individualisme.
De kerk zelf is het spoor bijster. Ze heeft geen ecclesiologie meer, geen leer aangaande zichzelf. Dat blijkt uit de kerkorde voor de Verenigde Kerk.
Maar wie vandaag een gereformeerd kerkelijk leven voorstaat, moet dat nochtans ook tot uitdrukking brengen in kerkelijk besef.
De middenweg tussen hoogkerkelijk en laagkerkelijk lijkt ons daarbij ook vandaag de koninklijke te zijn.
J. van der Graaf
Lezing op ontmoetingsdag van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond met studenten in de theologie op dinsdag 14 december 1993 te Nijkerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1993
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's