'…in de mensen een welbehagen'
Lucas 2 : 14b
Zoals onze Kerstfeestviering in de kerk gevuld wordt door prediking en lied, zo ging het er ook aan toe in de eerste kerstnachtdienst, die in deze wereld is gehouden. Zij begon met de prediking van de engel aan de herders: Vreest niet, want zie, ik verkondig u grote blijdschap… En toen deze eerste kerstpreek gehouden was, zette het engelenkoor in met het: 'Ere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de mensen een welbehagen'. In de prediking van de engel komt vooral het feit van Jezus' geboorte naar voren, terwijl in het lied, dat de engelen zingen, de achtergrond van het kerstgebeuren wordt verklaard.
Het eerste leent zich inderdaad het beste ervoor om te worden verkondigd. Wat de engel zegt, laat dan ook niets aan duidelijkheid te wensen over: U is heden geboren de Zaligmaker… Maar als het om de achtergronden van dit gebeuren gaat: die reiken zo hoog en tegelijk zo diep, dat het bijna niet in mensenwoorden kan worden vertolkt. Daarvan kan alleen worden gezongen.
Ieder Kerstfeest brengt ons daarom weer in verlegenheid, wanneer wij ertoe geroepen worden om het wonder van Jezus' geboorte te vertolken. Onze woorden komen niet verder dan een stamelen rondom dit ondoorgrondelijk en heerlijk geheim.
Dàt Jezus is geboren, ja, dat is ook iets geweldigs. Maar waarom is Jezus geboren? Wat is de diepste beweegreden van God geweest om Zijn Zoon te zenden in deze wereld? De engelen vertolken zingend het antwoord: Omdat God in de mensen een welbehagen heeft.
In de mensen… Laten wij daarbij even nadrukkelijk stilstaan. Want dit klinkt ons zo ongelofelijk in de oren. Wij vragen ons in verwondering af: wat valt er dan in de mensen te vinden, dat dit welbehagen van God oproept? Is dat, omdat de mensen zo goed zijn? Omdat zij God zo behagen? Omdat zij het met Hem en met elkaar zo goed bedoelen?
Het is bekend, dat dit gedeelte van het engelenlied ook op een andere manier is vertaald. 'In de mensen een welbehagen' Wordt dan: 'in de mensen van goede wille'. Op zich is dat niet eens een verkeerde vertaling. Zo zou het ook door de herders gehoord kunnen zijn. Maar wie het zo hoort en dan meent, dat het ergens op slaat in het mensenleven, die moet zich toch wel vergist hebben.
Als de engelen dit lied zingen, is het nacht. Dat is maar niet alleen een tijdsaanduiding. Het is eerder een kwaliteitsaanduiding. Het zegt, hoe het met de mensen gesteld is. Wij mensen hebben van de dag een nacht gemaakt. Want wij hebben de duisternis liever gehad dan het licht. Nacht staat voor Godsverduistering. Niet omdat God zich in duisternis heeft gehuld. Laat dat misverstand toch een keer ophouden. Het is, omdat wij onszelf van God hebben afgeschermd. Wij zijn verzot op onszelf geworden en zo gevangenen van onszelf. We hebben God buiten ons bestaan gesloten. Dat is onze duisternis. Zulke mensen zijn wij. Over die mensen gaat het dus ook hier: 'In de mensen een welbehagen'.
Of teken ik de mensen te zwart? Ik dacht van niet, helaas. We hoeven niet zo lang na te denken om bewijzen, hele harde bewijzen ervoor aan te voeren. ledere dag staan de kranten en de journaals er bol van. Wat een ellende! In het groot en in het klein. En we kunnen niet zeggen: het wordt ons niet van mensen aangedaan. Het ontzettende is juist, dat het wel van mensen wordt aangedaan, dat wij mensen het elkaar aandoen. In de mensen een welbehagen. Ik vraag nog een keer: hoe kan dat nu? Wie is op dat idee gekomen? Wie is zo'n verstokte idealist en optimist? Wie is ronduit gezegd zo dwaas om kennelijk nog in de mens te geloven? Toch zingen de engelen ervan. Zij zingen: 'Ere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de mensen een welbehagen'. Zij zingen van God. God heeft in de mensen een welbehagen. Is God dan zo'n optimist, zo'n idealist, zo'n dwaas? Weet Hij dan niet beter?
Ach, wie zou het nu beter weten, wie de mens is, dan God? Want alles wat de mens aan egoïsme laat zien, is toch ten diepste tegen Hem gericht. Daarbij ziet Hij ook nog ons hart aan. En dan wordt het er nog slechter op. Toch blijven die engelen maar zingen, … van God: 'In de mensen een welbehagen'.
Maar wat betekent het dan: in de mensen een welbehagen hebben? We zeiden: dat is een geheim. Toch is het antwoord op deze vraag uiterst eenvoudig. Dat God in de mensen een welbehagen heeft, betekent, dat God voor ons gekozen heeft. Het betekent, dat God de God van de mensen wil zijn. God zegt in de Kerstnacht tegen ons mensen: Ik mag jullie. Ik wil jullie. Ik kies voor jullie. Dat is het. God heeft op ons zijn keus laten vallen.
Dat heeft God trouwens al gedaan, toen Hij de mens schiep. Eerst schiep Hij hemel en aarde met alles erop en eraan. Tenslotte ontbrak alleen nog de mens. Maar dat kon niet. Dat wilde God niet. Want voor de mens had Hij nu juist alles gemaakt. Daarom is zijn laatste scheppingsdaad de mens en Hij zet die als een kroon op Zijn schepping. Toen pas was God tevreden. Toen pas kon Hij zeggen: mijn schepping is goed, is geslaagd, is af. Want de mens was er nu ook bij. Dat plezierde God, want van alles wat er leefde, was de mens het enige schepsel, dat op Hem leek. Aan hem kon God Zijn woorden kwijt, Zijn gedachten, Zijn hart. Van hem alleen kreeg God antwoord. Hoe bijzonder is de mens! Het schepsel van Gods keus, van Gods welbehagen.
Maar we weten, hoe het verder gegaan is. Het is misgelopen. Het ideaal werd een desillusie. Want het onmogelijke werd werkelijkheid: hoewel God voor de mens koos, koos de mens niet voor God. Hij koos voor de duivel, maar eigenlijk voor zichzelf.
Wat moet God dat teleurgesteld hebben. Er staat in het begin van de Bijbel, dat het Hem berouwde, dat hij de mens gemaakt had. Dit is concrete waarheid. Wanneer een partner zijn huwelijk ziet mislukken, buiten eigen schuld om, huilt hij van verdriet. Zo heeft God gehuild bij de mislukking van Zijn relatie tot de partner van Zijn keus. Zijn liefste schepsel, de mens.
Maar hoe moet het nu verder? Calvijn zegt ergens: voor een verbond moeten er twee partners zijn. Je kunt het toch niet volhouden, als de ander niet wil? Dus: breken…
Ja, er zit niets anders op. En toch gebeurt dat niet. Nee. Weer mogen we zeggen: het onmogelijke wordt waar, maakt God waar. Hij blijft de mens, die met zijn God gebroken heeft, liefhebben. 'Alzo lief heeft God de wereld (mensen) gehad…'. Maar je kunt dat wel willen, maar hoe maak je het waar? Wel, als de mens niet meer tot God wil komen, komt God tot de mens. Dat gebeurt in de kerstnacht, in de kribbe van Bethlehem. Er gebeurt nog meer. God komt niet alleen tot de mens, maar God wordt mens. En zo, in Zichzelf herstelt Hij de breuk. Niets minder dan dat. Dat is Zijn welbehagen, geopenbaard in de Zoon van Zijn welbehagen, het kind in de kribbe, waarachtig God en waarachtig mens.
Om er dus echt achter te komen, waar de diepste grond ligt van Gods welbehagen, moeten wij niet bij de schepping blijven staan, maar komen wij uit bij God zelf, bij de Zoon van Zijn welbehagen, onze Heere Jezus Christus. Zo krijgt dit engelenlied nog meer klank en diepte. Want nu blijkt, dat in deze Zoon van het welbehagen God van eeuwigheid af reeds voor de mensen gekozen heeft. Daarom heeft Hij de mens geschapen. Daarom heeft Hij de mens vastgehouden, toen deze zich uit Zijn hand losrukte. Daarom zendt God Zijn Zoon, de Zoon van Zijn welbehagen, om de mens tot Hem terug te brengen.
Nu begrijpen we er nog iets meer van, dat de engelen beginnen te zingen: Ere zij God. Niet wij hebben voor God gekozen, maar God heeft ons gekozen in de Zoon van Zijn welbehagen. Dat is de achtergrond van Kerst.
U denkt wellicht: dat 'in de mensen een welbehagen', dat klinkt zo algemeen. Worden daar dan alle mensen mee bedoeld? Ach, daar zou ik me niet zo druk over maken. Laten wij in ieder geval niet te eng en te klein denken van Gods welbehagen. De engel had immers al verkondigd: 'alle den volke-voor heel het volk'. De engelen zongen niet: in de mensen, voorzover God in hen een welbehagen heeft. Dan zou het gaan om een (beperkt) aantal specifieke mensen, die nader worden gekwalificeerd. En die kwalificatie vullen wij dan graag op onze manier in. Mensen, die… goed, lief, vroom, verootmoedigd zijn, enz.
Nee het gaat om de mensen, omdat God in hen een welbehagen heeft. Wil u echt weten, hoe die keus van God dan uitvalt? Dat blijkt in Bethlehem. Herders horen, komen en aanbidden. En straks zegt Jezus Zelf: Ik ben gekomen, niet voor de gezonden, maar voor de zieken, niet voor de rechtvaardigen, maar voor de zondaren, niet voor de farizeër, maar voor de tollenaar, niet voor de rijke jongeling, maar voor de hoeren. En Paulus vult nog aan: voor de zwakken en wat niets is. Ziet u: dat zijn de mensen van Gods welbehagen. Kennelijk kun je voor de Zoon van Gods welbehagen wel te goed, maar niet te slecht zijn. Tenslotte is het Gods welbehagen, waaraan mensen hun behoud te danken hebben. Mag ik u vragen: wat vindt u daarvan?
C. Graafland, Gouda
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's