Kerst bij de gratie Gods
Genade zoekt de mens in de laagte. Is dat niet de kern van kerst? De Zone Gods daalde néér. Het Woord werd vlees. Daarmee is, wat de vernedering van Christus betreft, alles gezegd. Hij kwam niet tot rijken en groten, tot edelen en machthebbers maar tot mensen.
Dat Hij mens werd en in de laagte kwam heeft Hij heel Zijn leven geweten.
Bethlehem Efratha, klein om te wezen onder de duizenden van Juda! Daar werd Hij geboren, in een stadje achteraf. Bovendien: als een wortel uit een dorre aarde, een rijsje van een afgehouwen tronk. In een familie, die onaanzienlijk en gering was. Uit een onbekende en onaanzienlijke maagd, in het huis van een timmerman in Nazareth, die vervolgens ook nog als de vermeende vader werd aangemerkt.
En verder gold het heel zijn leven: géén plaats om Zijn hoofd op neer te leggen. De 'onwaardigste' onder de mensen. 'Wilt gij ook niet weggaan?', vroeg hij ooit aan Zijn discipelen.
Zijn weg liep van kribbe naar kruis, met alle lijden daartussen. Op een ezel naar Egypte, later Koning op een ezel, en nog even later: alleen een bordje boven Zijn Hoofd met het opschrift 'Koning der joden', kruiskoning. En het volk stond erbij en zag het aan.
Aan Christus Zelf is vanaf Zijn geboorte tot aan Zijn dood te zien dat genade afdaalt in de laagte.
De Schrift spreekt van de lengte en de breedte, de hoogte maar ook de diepte van de liefde van Christus. Zoals ik ooit een Chinese dominee het hoorde zeggen: Christus daalde afin het ravijn om onwilligen – hij gebruikt het beeld van tegenstrevende varkens – omhoog te halen.
Wanneer we dan ook klokken luiden bij het kerstfeest, zijn het vooral de klokken van de genáde. Christus werd diep in ons vlees getrokken.
Het kerstgebeuren heeft niets van glitter en glamour. Het is één en al laagte, nederigheid, diepte.
Kerst bij de gratie Gods!
Ootmoed
De eerste getuigen hebben er dan ook diep besef van gehad, dat het komen van Christus neerbuigende genade was. De ootmoed komen we aan alle kanten tegen.
Elisabeth, die de voorloper van Christus onder het hart mocht dragen, zegt: 'Alzo heeft de Heere mij gedaan, in de dagen in welke Hij mij aangezien heeft om mijn smaadheid onder de mensen weg te nemen' (Lucas 1 : 25). Later, als Maria tot haar is gekomen, zegt ze: 'En vanwaar komt mij dit, dat de moeder des Heeren tot mij komt?' (Lucas 2 : 40)
En Maria zingt: '…omdat Hij de lage staat van Zijn dienstmaagd heeft aangezien' (Lucas 2 : 48).
Dat Hij echter kwam tot nederigen, mag intussen hoop geven. Spurgeon zegt (bij Mattheüs 2 vers 16 over de geboorte uit Maria): 'Hij is de Koning der armen. Hij zal niemand onzer versmaden, omdat onzes vaders huis gering is in Israël. Hij zal zich tot de geringen nederbuigen.'
Niet de sociale of geestelijke afkomst van mensen is bepalend, maar de genade is doorslaggevend. Genade voor onwaardigen, uit welke familie, traditie mensen ook komen, welke positie ze ook hebben bereikt. Genade kent geen rangen en standen, sociaal niet en geestelijk niet.
Alleen diegenen, die zich nederig weten zullen intussen de genade belijden: kerst bij de gratie Gods. Genade zet de mens op de plaats, waar hij thuis hoort, in de zondaarsbank, bij de onwaardigen, de nederigen, die ook nederig gemáákt worden en leren, dat ze het van genade moeten hebben. Alle zelfverheffing van de mens – in sociaal en in geestelijk opzicht – krijgt met kerst de doodsteek. De rechte kerstgestalte brengt eerder tot méde-deelzaamheid, omdat Hij mij, zèlfs mij, in mijn lage staat vond.
Als Maria haar lofzang zingt, zegt ze, dat de Machtige aan háár grote dingen heeft gedaan, maar in één adem voegt ze ook toe, dat 'Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over hen, die Hem vrezen.'
Verhoging
Kerst bepaalt ons bij de vernedering van Christus en zet de mens op de plaats waar hij hoort: in de laagte. Maar er is méér. Naast vernedering is er verhoging.
Dat geldt wel allereerst het Kind in de kribbe zelve. Het Kind in de kribbe vindt weliswaar Zijn diepste vernedering wanneer Het later kruiskoning is, maar uiteindelijk blijkt die koning ook ècht Koning te zijn: Heerser over dood en graf, Overwinnaar van alle machten, Heere van de wereld.
Zo heeft het volk van het oude verbond al van Hem gezongen: 'Gord Uw zwaard aan de heup o Held! Uw majesteit en Uw heerlijkheid! En rijd voorspoedig in Uw heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid…' (Psalm 45 : 4).
In de uiteindelijke verhoging van Christus worden echter ook diegenen méégenomen, òpgeheven, die van Hem zijn. Genade zet de mens enerzijds op diens lage plaats, maar ze verhèft ook de mens.
Een boodschap, ook een kerstboodschap, die blijft steken in de vernedering is niet de volle boodschap van het heil.
Van Bethlehem zegt Micha, dat het klein is onder de duizenden van Juda (Micha 5:1). Bethlehem, géén koningsstad maar een onooglijk provinciestadje. Maar Mattheüs zegt ervan: 'geenszins de minste onder de vorsten van Juda' (Mattheüs 2 : 6). Want – de reden is – uit u zal Mij voortkomen, die Mijn volk Israël weiden zal. Bethlehem krijgt stadsrechten in het Koninkrijk Gods. Vanwege de Heerser in Israël, die er geboren werd.
En Maria blijft ook niet steken in de (haar) nederigheid. Nederigen heeft hij verhóógd, terwijl machtigen van de troon worden gestoten, zingt zij.
Hongerigen worden met goederen vervuld, terwijl rijken leeg worden weggezonden. In heilige vermetelheid durft ze zelfs zeggen: 'van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.'
In het perspectief van het Koninkrijk Gods, dat met het komen van Christus zich definitief baan heeft gebroken in de geschiedenis, is er uitzicht, hoop – wànt belofte – voor allen die in deze wereld in de laagte legeren of in de laagte gezet zijn. Maria's lofzang heeft zo wijde contouren. Maria zong zo ook ter bemoediging voor allen, die gééstelijk in de laagte vertoeven. Christus verhoogt, verheft, richt op. Hij doet zelfs zitten naast prinsen en wereldgroten. Die worden dan niet hùnner één, maar Zijner één. Zullen ze immers niet heersen met Christus? (2 Tim. 2 : 12)
Door de diepte naar de hoogte, uit de vernedering naar de verhoging. Dat is genade. Genade verheft de mens. Kerst bij de gratie Gods!
Knielen
De kerstgeschiedenis bepaalt ons dan ook telkens bij knielende mensen.
Herders en wijzen kwamen om te aanbidden, om lof te betuigen.
Wanneer het nu kerst geworden is bij de gratie Gods, is knielen ook de enige geestelijke gestalte, die past bij de viering van kerst, omdat alleen nederigheid past bij de lage staat van het Kerstkind.
Maar wie geknield heeft mag, om zo te zeggen, ook opstaan. In Hem ligt namelijk alles wat nodig is tot de verheffing van de mens uit zijn gevallen, doodse staat. Armen worden met góéderen vervuld. Vanwege de uiteindelijke triomf van het Kind.
Verzoening
'Ik zeg mijn gedichten uit van een Koning', zingt psalm 45. Met kerst zingen we het na: 'Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort op Uw lippen. Daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.'
Zo betrekt het geloof de messiaanse psalmen op het Kind van Bethlehem, dat Vorst van Pasen werd.
Genade is er op Zijn lippen. Van die lippen is er de zoen, de kus der verzoening. Dat is alleen mogelijk, omdat Hij de toorn van God, waaronder wij eeuwig hadden moeten wegzinken, heeft gedragen.
Bij de kribbe van Bethlehem was er al het (naderende) vuur van Golgotha. Heel Zijn leven heeft Hij geleden, vanaf Zijn geboorte. Het komen van de Zoon Gods in deze wereld stond al in het teken van het rechtsgeding tussen God en mens. Christus heeft in dat geding gezegd: 'Zie Ik kom, o God, in de rol des boeks is van Mij geschreven'.
Het Kind in de kribbe werd Man van smarten en zo Middelaar Gods en der mensen. Om genade te verwerven.
We lezen ook in de psalmen 'Kust de Zoon opdat Hij niet toorne…'
Kerst heeft immers alles te maken met het feit dat Hij niet meer toornen zal. Genade is op Zijn lippen uitgestort. Dat zullen we niet mogen vergeten in de drukte van het vieren allerwegen.
De geschiedenis door is er immers altijd weer veel kerstdrùkte geweest. Maar ze verschilde en verschilt niet van de drukte bij het kruis, toen het volk stond en het aanzag.
Nochtans
Kerst bij de gratie Gods! Ook kerstgelóóf is geloof bij de gratie Gods. Dat brengt ons bij het 'nochtans'.
De hoogheilige Zone Gods werd nòchtans mens.
Goddelozen mogen nochtans van genade spreken.
Nederigen en vernederden worden nòchtans verhoogd.
't Is 't grootst in Gòd genade te bewijzen,
't is 't grootst in òns ootmoedig die te prijzen,
te zien, hoe hóóg, als wij gena verkrijgen
Gena kan stijgen.
J. van der Graaf
[tekst foto: Balatongebied, Hongarije.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1993
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's