Vloeken is aangeleerd! Word geen naprater! (3)
Nadat in het eerste artikel op het zondige van het vloeken is ingegaan en in het tweede de reikwijdte van het derde gebod aan de orde is gekomen, wil ik in het derde stukje kort aandacht schenken aan de vraag of er t.a.v. het Vloekverbod ook een taak van de overheid ligt. In dit verband werd mijn belangstelling getrokken door een artikel van ds. H. de Jong over 'Een konkreet punt van kritiek op de belijdenis' (in het Nederlands Gereformeerde blad 'Opbouw' van 26 maart 1993). Hij houdt zich hierin speciaal bezig met antw. 100 van de Heidelberger Catechismus, waar staat dat God heeft bevolen lastering van Zijn Naam met de dood te straffen.
De Jong voelt zich met dit antwoord niet zo gelukkig. Als de Catechismus bedoeld zou hebben dat God vroeger de doodstraf stelde op het vloeken, dan was wellicht – aldus De Jong – het woordje voormaals ingevoegd, zoals bij het Doopformulier het geval is: Daarom heeft God voormaals bevolen hen te besnijden. Zoals evenwel dit belijdenisgeschrift het formuleert betekent het dat de doodstraf ook nu nog van kracht moet zijn. De Jong kan zich daarmee niet verenigen. Hij vindt dat in de nieuwe bedeling de strijd alleen met gééstelijke wapens kan worden gestreden. Bovendien vraagt hij zich af of vraag en antwoord 100 niet teveel van het goede zijn en of het oude leerboek niet met vraag en antwoord 99 had kunnen volstaan. In zijn argumentatie komt hij met enkele interessante gegevens naar voren, om de bewijsvoering van antwoord 100 te verzwakken. De Catechismus noemt namelijk drie teksten: Spr. 29 : 24; Lev. 5 : 1 en Lev. 24 : 16 waarmee de doodstraf op het vloeken in de Bijbel zou worden gestaafd. Mede aan de hand van Richt. 17 : 1, 2 tracht De Jong aan te tonen dat Spr. 29 : 24 en Lev. 5 : 1 niet zozeer beogen dat het kwaad van het vloeken wordt bestraft, maar wel iets anders. Kort gezegd betoogt De Jong dat het in die teksten gaat om misdrijf waarbij de dader onbekend is. De benadeelde roept over hem een vloek af, die als een 'raket' de vluchtende dader dient te treffen. Als er echter iemand bijstaat, die weet van de dader, maar zijn mond houdt, dan maakt hij zich medeschuldig aan het misdrijf. Dat is wat anders dan zwijgen terwijl er gevloekt wordt in de zin zoals wij bedoelen. In Richt. 17 : 1, 2 zien we dat een moeder ijlings het vloekwoord door een 'zegenwoord' laat achterhalen, als ze merkt dat haar zoon zich aan zulk zwijgen heeft schuldig gemaakt: 'Gezegend zij mijn zoon den Heere!' Het zou niet betekenen dat ze haar kind zo'n goede jongen vond, maar dat ze de uitgesproken vloek wilde 'neutraliseren'. De Jong wü ermee bewijzen dat als de opstellers van de Catechismus Spr. 29 : 24 en Lev. 5 : 1 hadden gelezen in het licht van Richt. 17 : 1-2, ze deze teksten niet hadden gebruikt tot onderbouwing van antw. 100. Wat betreft Spr. 29 : 24 en Lev. 5 : 1 kan ik de gedachtenlijn van De Jong wel volgen, maar ik meen dat Lev. 24 : 16 recht overeind blijft als argumentatie voor de doodstraf vanwege de overheid voor een vloeker en dat daarom antw. 100 niet behoeft weg te vallen.
Het voornaamste bezwaar van De Jong blijft evenwel dat de overheid tot iets verplicht wordt, waartoe je deze in onze tijd niet kunt oproepen. We zouden volgens hem 'onze overheid, of laten we zeggen: de christen-politici, in de grootste verlegenheid brengen'. Hij wil daarom geen gravamen tegen de formulering van de Catechismus indienen. Daarvoor acht hij dit belijdenisgeschrift te hoog. Hij houdt vast aan de 'religie' van dit geschrift, maar acht de bewoording 'van toen en daar'.
Het probleem op de achtergrond blijft de vraag naar de taak van de overheid. Volgens De Jong kun je niet enerzijds het recht op godsdienstvrijheid voor de moslims bepleiten en tegelijk aan de formulering van de overheidstaak in art. 36 (ook in de bekorting van 1905) van de Ned. Gel. Bel. vasthouden. Mijns inziens blijft hier een spanning bestaan tussen De Jong en alle anderen, die ook voor onze tijd de regering meer waarde toekennen dan de functie van verkeersagent.
In het kader van dit artikel ga ik niet verder op deze uitermate gevoelige problematiek met zijn vele consequenties in, maar wil er wel op wijzen dat de enige organisatie in Nederland die zich speciaal tegen het misbruik van Gods Naam keert, nl. de Bond tegen het vloeken, sinds zijn oprichting in 1917, nu meer dan 75 jaar geleden, steeds heeft aangeklopt bij de landelijke regering, maar ook bij de provinciale en gemeentelijke overheden, met de vraag om sympathie en steun in de vorm van een – al is het maar geringe – subsidie.
Helaas wordt aan dit verzoek van de landelijke bond de laatste jaren door de burgerlijke overheden steeds minder tegemoetgekomen. De één zegt dat het meer om een landelijke dan om een plaatselijke aangelegenheid gaat, de ander weigert subsidie om financiële redenen.
In het verzoek van de Bond blijft echter iets doorklinken van het heimwee naar een overheid, die zich wil inzetten voor het behoud van christelijke waarden en normen. Terzijde mag worden opgemerkt, dat kersverse plaatselijke en regionale werkgroepen van de Bond wellicht opnieuw zullen gaan aankloppen bij burgerlijke instanties met het verzoek om steun in hun situatie.
Toch is er ook het vloekverbod, zoals het in een Algemene Plaatselijke Politieverordening (APK) in verschillende gemeenten is opgenomen? Welke betekenis moeten we daaraan hechten en mogen we ons op die taak van de overheid beroepen? Daarover een volgende keer.
B. J. Wiegeraad, Reeuwijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 1994
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's